De meerwaarde van meervoud
Einde inhoudsopgave
De meerwaarde van meervoud (SteR nr. 48) 2019/6.8:6.8 Conclusie
De meerwaarde van meervoud (SteR nr. 48) 2019/6.8
6.8 Conclusie
Documentgegevens:
mr. drs. R. Baas, datum 24-12-2019
- Datum
24-12-2019
- Auteur
mr. drs. R. Baas
- JCDI
JCDI:ADS174080:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht / Rechtspraak
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Vanaf de jaren tachtig heeft in gerechtelijke procedures sterk de nadruk gelegen op kostenbesparing, snelheid en eenvoud.1 Dit werd weerspiegeld in de sterke groei van het aantal enkelvoudige zaken en in de vereenvoudiging van het burgerlijk proces. Daarin is sindsdien een centrale rol voor de zitting weggelegd met een actieve rechter die toezicht houdt op de voortgang van de procedure. Tegelijkertijd wordt van de rechter meer dan voorheen verwacht dat hij ook tijdens de zitting ieder het zijne doet toekomen. Partijen moeten er hun verhaal naar voren kunnen brengen en kunnen reageren op wat de wederpartij inbrengt. Horen, gehoord worden en zich gehoord voelen, is het devies. Dit is des te belangrijker omdat de mondelinge behandeling in het burgerlijke proces in principe het enige moment is waarop rechters en partijen samenkomen.
De benamingen die de wet voorheen gebruikte voor de typen comparities in de artikelen 87-88 Rv (oud) konden de indruk wekken dat het beproeven van een schikking en het zich laten informeren in afzonderlijke zittingen gebeurt. Dit is niet het geval: een comparitie kan voor beide doelen worden benut en wordt daar meestal ook voor aangewend. De taken waar rechters zich tijdens een zitting voor gesteld zien – een goed beeld krijgen van wat partijen verdeeld houdt, alle relevante inlichtingen vergaren voor een eventueel vonnis, een schikking beproeven, rekening houden met de behoeften van partijen, voortgang bewaken – vergen het nodige van hun capaciteiten. Gelet op deze veelheid aan taken zou een meervoudige kamer er beter dan een enkelvoudige in kunnen slagen die op goede wijze te vervullen. Blijkt dat ook uit de geobserveerde zittingen?
Verloop
De zittingen verliepen in grote lijnen volgens fasen die in de literatuur zijn beschreven. Na de openingsfase gingen de rechters in comparities op zoek naar informatie die ontbrak om een zodanig goed beeld van de zaak te hebben dat ze in principe uitspraak zouden kunnen doen. Deze informatie-/exploratiefase was tevens bij uitstek geschikt om partijen hun verhaal te laten doen. In pleitzittingen kwamen vooral de raadslieden van partijen aan het woord om hun standpunten toe te lichten. Ook hier stelden de rechters informatieve vragen. Zodra in comparities geen onderdelen van het geschil meer onbekend waren, tastten de rechters af of de partijen bereid waren met elkaar in onderhandeling te treden. Meestal werden partijen hiertoe nadrukkelijk aangespoord. In enkele zittingen ging het beproeven van een schikking vergezeld van een voorlopig oordeel. Als in de onderhandelingsfase nog vragen waren gerezen, dan konden de rechters deze in de inlichtingenfase voorleggen. Uiteindelijk restte bespreking van het vervolg van de procedure, die er bij gebrek aan minnelijke regeling in de meeste zittingen op neerkwam dat de rechtbank een datum voor vonnis bepaalde. De sluitingsfase benutten de rechters om proces-verbaal op te maken en zo nodig voor te lezen en door partijen te laten ondertekenen.
De handelingen van de rechters, en met name van de voorzitter, bestonden vooral uit het partijen in de gelegenheid stellen hun visie op de zaak te geven, verzamelen van inlichtingen door vragen te stellen, samenvatten, de mogelijkheid van een schikking aftasten, eventueel een voorlopig oordeel vellen en het vervolg van de procedure bepalen. Opvallend aan het verloop van de zitting is dat de fasen van onderhandelingen, inlichtingen en procesplanning niet steeds duidelijk afgebakend waren. Het einde van de onderhandelingsfase en de inlichtingen- en procesplanningsfasen liepen soms door elkaar of gingen in elkaar over. In dit schimmige stadium van de behandeling konden schijnbare schikkingsbereidheid en onverzoenlijkheid van partijen elkaar afwisselen. Partijen twijfelden of ze verder zouden onderhandelen, vroegen om een datum voor vonnis of lieten zich overhalen toch te gaan praten. Deze houding kon duiden op onzekerheid over wat het hoogst haalbare resultaat was, maar ook onderdeel zijn van de processtrategie. Intussen moesten de rechters inschatten wat wenselijk was: een poging wagen partijen nog eens te bewegen om met elkaar te gaan praten, voorstellen de zaak te beëindigen door een datum voor vonnis te bepalen of kortweg beslissen dat een datum voor vonnis zou worden vastgesteld. Aan de opstelling van de rechters in een meervoudige kamer was te merken dat zij niet altijd dezelfde inschatting maakten. In de meeste zaken bleek uiteindelijk dat verder overleg tussen partijen zinloos was. Na deze constatering moesten de rechters zich ervan vergewissen dat alle voor een beslissing benodigde inlichtingen verzameld waren. Soms leidde dat ertoe dat de rechters helemaal aan het einde van de zitting, na de procesplanning, inventariseerden of er nog informatie ontbrak.
De rol van de voorzitter is tot op zekere hoogte te vergelijken met die van de unus in enkelvoudige zittingen. Hij voert de formele proceshandelingen uit en is in die zin technisch voorzitter: hij opent en sluit, geeft partijen het woord, vat samen, waakt over de voortgang van de procedure, enzovoorts. Maar waar in een enkelvoudige zitting de unus in zijn eentje tevens voor de inhoudelijke taken zorg moet dragen – denk aan het beoordelen of de geleverde informatie een adequaat beeld geeft van het geschil of het inschatten van de schikkingsbereidheid van partijen –, ontvangt hij met name daarvoor in meervoudige zittingen steun van zijn collega-rechters. In de bijgewoonde zittingen intervenieerden de bijzitters regelmatig, hoewel de mate waarin dat gebeurde duidelijk per zitting en per rechter verschilde. De bijzitters wachtten zelden tot ze van de voorzitter het woord hadden gekregen, maar kwamen tussenbeide als ze dat zelf nodig achtten. Als een bijzitter het woord nam, gebeurde dat om inlichtingen te vergaren, onduidelijkheden weg te nemen, een collega-rechter bij te vallen of te steunen in diens opzet, de voorzitter te behoeden voor een omissie, opheldering te geven aan partijen indien de uitleg van de voorzitter niet werd begrepen, partijen te bewegen met elkaar te gaan praten of om de voortgang te bewaken. Uit deze reeks doelen blijkt dat de interventies van de bijzitters niet louter gericht waren op de inhoud van het geding, maar dat zij ook ingrepen ten behoeve van het ordelijk verloop van het proces, al gebeurde dat laatste niet vaak. De bijzitters handelden meestal op basis van eigen inzicht in wat de situatie gebood. Een enkele keer was hun optreden het gevolg van hetgeen rechters in raadkamer vóór en tijdens de zitting hadden afgesproken (zie paragraaf 6.3). Zo hadden de rechters voorafgaand aan ten minste één zitting afgesproken zich in te zullen spannen om partijen tot elkaar te brengen – en aldus geschiedde tijdens de zitting.
Balans
De mondelinge behandeling heeft meerwaarde boven een slechts schriftelijke behandeling van een zaak. Ze maakt het mogelijk dat partijen ten overstaan van de rechter(s) hun verhaal doen en creëert een atmosfeer waarin partijen gemakkelijker tot een minnelijke regeling kunnen komen. Ook geeft ze rechters de gelegenheid dóór te vragen, waardoor zij een zo adequaat mogelijk beeld van het geschil krijgen. Het effect van een mondelinge behandeling op het welslagen van een zaak, door een goed vonnis of schikking na een als rechtvaardig ervaren procedure, kan worden vergroot door actieve betrokkenheid van alle leden van de meervoudige kamer. Aan de wens van de wetgever en de rechtspraak tot meer regie in civiele procedures werd in de geobserveerde zittingen stellig gehoor gegeven. De voorzitters en regelmatig ook minstens een van de bijzitters namen een actieve houding aan. Die bestond uit veel vragen stellen, partijen actief in het proces betrekken en de voortgang van de procedure bewaken. De zittingen leken in die zin op enkelvoudige zittingen in civiele zaken.
Veel bevindingen van onderzoek naar enkelvoudige zittingen, waar in de literatuur verslag van wordt gedaan, komen overeen met die in dit onderzoek. De enkelvoudige en meervoudige zittingen verliepen volgens een min of meer gelijk stramien, waarin de meeste rechters actief participeerden, maar waarin onderling wel verschillen waren aan te wijzen. Die deden zich hoofdzakelijk voor in de informatie- en onderhandelingsfase en betroffen dan vooral stijl en bereidheid om een minnelijke regeling tussen partijen te onderzoeken. De haalbaarheid van een schikking is een kwestie van inschatting, waardoor de ene rechter wat meer en op andere wijze kan aandringen ‘om nog een keer met elkaar te gaan praten’ dan de andere.
Dat betekent niet zonder meer dat meervoudige en enkelvoudige zittingen tot hetzelfde resultaat leiden. De interventies van de bijzitters waren zinvol – zie de voorbeelden eerder in deze paragraaf – en ze gaven daarmee blijk van de meerwaarde van meervoudige behandeling. De bijzitters waakten ervoor dat tijdens de behandeling onvoldoende aandacht uitging naar relevante aspecten van het geschil die de voorzitter, met zijn veelheid aan taken, onderbelicht zou kunnen laten. De betere informatievergaring resulteert in kwalitatief betere vonnissen, waarin rechters minder snel toevlucht hoeven te nemen tot frasen als ‘onvoldoende gesteld of gebleken is dat’.2 Daarnaast konden de bijzitters aanvoelen wat nodig is om een vruchtbare sfeer te behouden, wat de kans op een minnelijke regeling deed toenemen.
Of de bijdragen van bijzitters de procesbeleving van partijen werkelijk hebben beïnvloed, is niet te zeggen. Verschil in ervaren procedurele rechtvaardigheid tussen meervoudige en enkelvoudige zittingen is niet onderzocht en ook de literatuur zwijgt hierover. Een inschatting valt wel te maken. Enerzijds is denkbaar dat juist een enkelvoudige zitting een positieve bijdrage levert aan de procesbeleving van partijen, omdat ze wat minder gewichtig oogt en een gesprek gemakkelijker tot stand zou kunnen komen in een minder formele sfeer met slechts één rechter. Dit maakt vermoedelijk vooral verschil voor one-shotters en minder voor repeat players en professionele rechtsbijstandsverleners. Anderzijds kunnen bijzitters in een meervoudige zitting hun meerwaarde bewijzen door nauwlettend in de gaten te houden of partijen goed worden gehoord en geïnformeerd. Tijdens diverse zittingen hebben de bijzitters in dit opzicht op bescheiden schaal een nuttige rol vervuld. Door hun toedoen hebben partijen soms meer gelegenheid gehad het hunne naar voren te brengen, waardoor de beginselen van een behoorlijk proces, waaronder die van hoor en wederhoor en de equality of arms, nog meer zijn geëerbiedigd dan in een enkelvoudige zitting zou zijn gebeurd. Eenzelfde inschatting valt te maken over de procedurele, informatieve en interpersoonlijke rechtvaardigheid – met de kanttekening dat de waarnemer hier geen procespartij is, maar een neutrale observant. In alle zittingen lieten de rechters merken rekening te houden met vereisten voor een positieve procesbeleving, maar dankzij interventies van bijzitters lijkt nog meer tegemoet te zijn gekomen aan de behoeften van partijen, met name als het aankomt op het horen en geïnformeerd worden.
Praktische voordelen van collegiale behandeling zijn er ook. Toen een van de zittingen langer duurde dan gepland en twee rechters weg moesten omdat een volgende zitting wachtte, rees het – overigens niet gehonoreerde – voorstel om de comparitie voort te zetten in een enkelvoudige kamer, die dan zou worden geleid door het lid van de meervoudige kamer zonder verplichtingen elders. In paragraaf 3.5 zijn nog meer potentiële voordelen van meervoudige behandeling besproken. Zo zou een rechter de bevraging van een partij kunnen overnemen van een collega als er merkbaar spanning tussen beiden in de lucht hangt. Tijdens de zittingen was hiervan geen sprake.
Aanwijsbare nadelen van meervoudig zitten zijn in het observatieonderzoek niet geconstateerd. Het gedrag van rechters heeft bijvoorbeeld niet tot vertraging, obstructie of zichtbare ergernis bij een collega geleid. De eventuele nadelen die genoemd kunnen worden, hebben betrekking op de organisatie van de rechtspraak en niet op de inhoud van de zaak. Rechters hebben in interviews, enquête en literatuur naar voren gebracht dat eenvoudiger zaken prima door een enkelvoudige kamer kunnen worden berecht zonder op de kwaliteit van de behandeling in te boeten. Enkelvoudige behandeling zou dan de voorkeur genieten, uit kostenbesparing en wellicht omdat het voor partijen prettiger kan zijn met één rechter te maken te hebben. Ook kan het voor rechters aangenaam zijn zelf de gehele leiding over en verantwoordelijkheid voor de behandeling van reguliere zaken te hebben. Wel kunnen er andere redenen dan inhoudelijke zijn om ook in eenvoudiger zaken voor een meervoudige kamer te kiezen. Daarvan zijn opleidingsbelangen de voornaamste.
Hadden de bijgewoonde zittingen ook probleemloos door een unus kunnen worden geleid? Het antwoord daarop is niet zonder meer te geven. Bij beschikbaarheid van een ervaren rechter hadden meerdere zittingen hoogstwaarschijnlijk goed enkelvoudig kunnen worden gedaan, maar bij afwezigheid daarvan zou meervoudige behandeling meer voor de hand hebben gelegen. Op grond van de complexiteit van de zaak en de grootte van de vordering, zijnde de meest genoemde criteria voor toewijzing van een zaak aan een meervoudige dan wel enkelvoudige kamer, hadden van de tien zittingen er vier door een ervaren alleensprekende rechter kunnen worden geleid. Reële nadelen van het meervoudig zitten zijn niet vastgesteld. Weliswaar wordt ook de grotere tijdconsumptie van meervoudige behandeling vaak nog als keerzijde genoemd, maar dit nadeel ziet niet zozeer op de zitting zelf als wel op de planning en de besluitvorming na afloop daarvan. Hoe dat laatste in zijn werk gaat, wordt in het volgende hoofdstuk besproken.