Einde inhoudsopgave
Het akkoord (O&R nr. 60) 2011/7.3.5
7.3.5 Beoordeling ontbindingsverzoek schuldeiser wiens vordering in faillissement is erkend
Mr. A.D.W. Soedira, datum 25-02-2011
- Datum
25-02-2011
- Auteur
Mr. A.D.W. Soedira
- JCDI
JCDI:ADS449768:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Voor erkenning van een vordering ingevolge art. 121 lid 1 Fw in verbinding met art. 121 lid 4 Fw is noodzakelijk dat de schuldenaar de vordering niet heeft betwist. In deze paragraaf wordt daarvan uitgegaan. Dit ter onderscheiding van de situatie waarin de vordering weliswaar in het faillissement is erkend, maar door de schuldenaar overeenkomstig art. 126 lid 1 Fw is betwist. De schuldeiser van de betreffende vordering verkrijgt in laatstgenoemde situatie immers niet de executoriale titel van art. 159 Fw.
Hetgeen overigens niet wil zeggen dat de vordering door een latere gebeurtenis geheel of gedeeltelijk teniet zou kunnen gaan. Vgl. HR 24 januari 1969, NJ 1969, 339.
Vgl. art. 257 lid 2 Fw. Dit artikel is weliswaar geschreven met betrekking tot het indienen van vorderingen in surseance, maar het principe zou evengoed op de onderhavige situatie kunnen worden losgelaten. Indien een schuldeiser zijn vordering ten onrechte heeft ingediend, omdat hij zich kan beroepen op een preferentie of een recht van voorrang en hij verzuimt tijdig zijn vordering in te trekken, dan gaat hiermee de preferentie of het recht van voorrang definitief verloren. De schuldeiser heeft zijn kans gehad, maar ongebruikt aan zich voorbij laten gaan. Hij kan niets doen om zijn fout te herstellen. Indien door eigen onoplettendheid bijvoorbeeld een preferentie verloren gaat, wordt de desbetreffende schuldeiser een concurrent schuldeiser. Vgl. HR 16 februari 1996, NJ 1997,607 (Van der Pluijm/Schreurs). Hetzelfde zou kunnen worden gezegd van de schuldenaar die tijdens de verificatieprocedure een vordering kan betwisten, maar dit om welke reden dan ook nalaat, waardoor de vordering in het faillissement van de schuldenaar de status heeft gekregen van een erkende, niet-betwiste vordering. De schuldenaar heeft zijn beurt ongebruikt voorbij laten gaan. Het is de vraag of de schuldenaar op een later tijdstip in het kader van de ontbindingsprocedure alsnog de mogelijkheid zou moeten hebben om de vordering te betwisten of dat zijn kansen met betrekking tot het aantasten van de vordering definitief zijn bekeken. Zie hierna bij de bespreking van UPC/Movieco.
Kortmann/Faber, Geschiedenis van de Faillissementswet, heruitgave Van der Feltz, II, p. 200.
Zie de paragrafen hierna bij de bespreking van de uitspraken UPC/Movieco.
Zie echter paragraaf 7.3.3.
Hiervoor is opgemerkt dat indien een vordering niet is betwist door de schuldenaar doch erkend in het faillissement, de betrokken schuldeiser een executoriale titel verkrijgt, wanneer het vonnis van homologatie in kracht van gewijsde is gegaan (art. 159 Fw). In deze situatie wordt er dus van uitgegaan dat de vordering ook door de schuldenaar is erkend, althans niet door hem is betwist.1 Een schuldeiser van een erkende vordering kan derhalve nakoming van een akkoord vorderen en afdwingen. Hij kan echter ook ontbinding van het akkoord verzoeken. In dat kader zal het summierlijk blijken van de vordering in de zin van art. 6 lid 3 Fw weinig problemen moeten opleveren, aangezien het bestaan van de vordering bij de beoordeling van het ontbindingsverzoek in beginsel zal moeten worden aangenomen. De erkenning van de vordering in het faillissement van de schuldenaar, hetgeen blijkt uit het proces-verbaal van de verificatie, maakt dat bij de beoordeling van het verzoek tot ontbinding van het akkoord zonder meer wordt voldaan aan het 'summierlijk blijken van het bestaan van de vordering'. Vast staat immers dat de vordering bij de totstandkoming van het akkoord door niemand is betwist.
Gedurende de verificatieprocedure heeft de schuldenaar (net zoals de curator of een schuldeiser) de mogelijkheid gehad de vordering te betwisten. De schuldenaar heeft hier geen gebruik van gemaakt, de curator en de schuldeisers evenmin. De vordering is hierdoor in het faillissement een erkende vordering geworden en wordt als zodanig op de lijst van erkende vorderingen aangebracht (art. 121 Fw). In verbinding met art. 121 lid 4 Fw heeft deze vordering zelfs kracht van gewijsde zaak. Indien een schuldeiser van een erkende vordering ontbinding van het akkoord vordert, kan de schuldenaar in de ontbindingsprocedure weliswaar de vordering voor het eerst betwisten, maar de vraag is of deze betwisting alsnog zin heeft. Kan de schuldenaar in de ontbindingsprocedure voor het eerst de vordering betwisten en hiermee een verandering aanbrengen in de status van de vordering? De vordering van de verzoekende schuldeiser is zoals gezegd in het faillissement aangemerkt als een erkende, niet-betwiste vordering.2 Dit zal dan ook het uitgangspunt zijn in de ontbindingsprocedure: de vordering is een erkende vordering en daarmee is in beginsel voldaan aan het summierlijk blijken van de vordering.3 Het zal voor de schuldenaar dus niet eenvoudig zijn om het tegendeel aannemelijk te maken. De wetgever heeft de bepalingen aangaande de faillietverklaring mede uit doelmatig oogpunt van overeenkomstige toepassing verklaard op de ontbindingsprocedure. Op het verzoek tot ontbinding moet door de rechter spoedig een beslissing kunnen worden genomen.4 In de procedure is derhalve geen plaats om uitgebreid onderzoek te doen naar de gegrondheid van de vordering. Om deze reden verlangt de wet in deze procedure dat slechts summierlijk hoeft te blijken van het bestaan van de vordering. Indien de schuldenaar in de ontbindingsprocedure voor het eerst de vordering betwist, zal hij aannemelijk moeten maken dat de vordering niet of niet langer bestaat.5
Met betrekking tot de beoordeling van de vraag of de schuldenaar in de toestand verkeert opgehouden te hebben betalen, geldt hetzelfde als hetgeen hiervoor is opgemerkt bij een schuldeiser wiens vordering is betwist. Indien de schuldenaar niet in de toestand verkeert dat hij heeft opgehouden te betalen, kan hij dat verweer voeren in het kader van het ontbindingsverzoek. Dit geldt ook voor het mogelijk ontbreken van pluraliteit van schuldeisers.6