Einde inhoudsopgave
Re-integratie zieke werknemer (MSR nr. 66) 2014/6.7.11
6.7.11 Kosten van de re-integratie
mr.dr. G.A. Diebels, datum 24-09-2014
- Datum
24-09-2014
- Auteur
mr.dr. G.A. Diebels
- JCDI
JCDI:ADS575648:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Europees arbeidsrecht
Rechtswetenschap / Algemeen
Sociale zekerheid arbeidsongeschiktheid / Re-integratie
Arbeidsrecht / Arbeidsovereenkomstenrecht
Voetnoten
Voetnoten
HR 13 december 1991, NJ 1992, 441 (Goldsteen/Roeland).
De werkgever mag niet van de werknemer verlangen dat hij aanvullende ziektekostenverzekeringen sluit voor behandelingen die niet zijn opgenomen in de basisverzekering.
Ktr. Den Bosch 25 mei 2012, LJN BW7246.
Bij werknemers die voor onbepaalde tijd in dienst zijn mag een afweging plaatsvinden tussen kosten van re-integratie en bijvoorbeeld de te verwachten opbrengst (in de zin van verbetering van benutting van arbeidsmogelijkheden), de kosten van loondoorbetaling en eventuele premieverhogingen waarmee de werkgever te maken krijgt als de werknemer een WGA-uitkering geniet.
CRvB 14 april 2010, LJN BM1194.
Rb. Utrecht 4 augustus 2008, LJN BE9221.
Hof Den Bosch 11 mei 2004, JAR 2004/165, kritisch daarover M.S.A. Vegter, noot onder JAR 2005/81.
Zie HR 23 april 1976, NJ 1976, 451, HR 23 december 1994, NJ 1996, 349 en HR 28 mei 1999, NJ 1999, 564.
Artikel 6:107a BW lid 3: ‘De in lid 2 bedoelde aansprakelijke is eveneens verplicht tot vergoeding van de door de werkgever gemaakte redelijke kosten ter nakoming van zijn in artikel 658a van Boek 7 bedoelde verplichtingen. De aansprakelijke kan hetzelfde verweer voeren dat hem jegens de gekwetste ten dienste zou hebben gestaan.’ Zie Kamerstukken II 2004/05, 30 034, nr.77 voor onderbouwing daarvan.
Kamerstukken II 2005/06 30 034, nr.3, p.8 en 10.
Zie voor een voorbeeld van gedeeltelijke toerekening van de schade aan het gedrag van de werknemer Rb. Noord-Holland 4 juni 2014, ECLI:NL:RBNHO:2014:512.
Omdat de werkgever de plicht heeft zich in te spannen voor re-integratie komen de kosten daarvan in redelijkheid voor zijn rekening. Van de werkgever kan niet worden gevergd dat hij financiële middelen ter beschikking stelt voor re-integratieinspanningen waarvan op voorhand duidelijk is dat ze niet tot het beoogde resultaat van aanzienlijke mate van benutting van de restcapaciteit zullen leiden. Ook uitgaven die in geen verhouding staan tot de kosten van loondoorbetaling en eventuele premieverhogingen (waarmee de werkgever te maken krijgt als de werknemer een WGA-uitkering krijgt) zijn niet redelijk.
Naarmate de mogelijkheid tot herplaatsing minder financiële belasting voor de bedrijfsvoering met zich brengt, mag deze eerder van de werkgever worden verlangd. Daarbij weegt de mogelijkheid van een bijdrage in de kosten mee, bijvoorbeeld via premiekorting of een subsidie.1 De werkgever mag rekening houden met vergoedingen uit sociale zekerheid, zoals bijvoorbeeld de werknemersvoorziening van artikel 35 WIA. Ook vergoedingen die de werknemer uit hoofde van voor hem gesloten verzekeringen kan verkrijgen tellen mee. Met name speelt dit een rol bij behandelingen die voor vergoeding in aanmerking komen op grond van de afgesloten basisziektekostenverzekering en aanvullende verzekeringen.2 De werkgeversvoorzieningen van bijvoorbeeld artikel 36 en 37 WIA zijn net zo goed onderdeel van de afweging wat van de werkgever kan worden gevergd. Een voorbeeld waarin het mis ging voor de werkgever is van Kantonrechter Den Bosch. Een werkneemster was 12 jaar in dienst voor 16 uur per week en had een blijvende beperking waardoor zij geen trappen kon lopen. Haar eigen werk kon zij verrichten maar (kennelijk) was het toilet op de eerste verdieping, net als de gezamenlijke kantine. De werkgever weigerde een traplift te installeren, die hem € 10.000,- zou hebben gekost, waarbij hij waarschijnlijk een subsidie van € 4.000,- had kunnen krijgen. Dat was niet onevenredig volgens de kantonrechter; het nalaten betekende dat het gegeven ontslag kennelijk onredelijk was.3
Het heeft geen zin om een dure aanpassing aan een machine aan te brengen als het dienstverband binnen korte tijd afloopt: die financiële inspanning kan bovenmatig zijn. Evenmin is het redelijk om van werkgevers de inzet van een re-integratietraject te vergen dat nog doorloopt nadat dienstverband reeds is beëindigd of dat onevenredig duur is.4 Als een werkgever stelt dat met de re-integratie zodanige kosten verbonden zijn dat die niet van hem kunnen worden gevergd, dan kan dit een deugdelijke grond zijn om verder niets meer aan re-integratie te doen. Uiteraard moet de werkgever dit wel aantonen.5 In een zaak bij Rechtbank Utrecht zou de werkgeversinvestering voor re-integratie € 11.500,- zijn, terwijl het verschuldigde loon nog maar € 4.500,- bedroeg. Het UWV had bij de vraag of een ‘deugdelijke grond’ bestond ten onrechte niet de financiële investering en het nog te betalen loon tegen elkaar afgewogen.6
Het is redelijk als de werkgever een bepaalde zekerheid verlangt voor kosten die hij draagt, zoals de kosten van mediation of de kosten die moeten worden gemaakt om te voldoen aan de Arbeidsomstandighedenwet. Te denken is aan een overeenkomst tot terugbetaling van gemaakte re-integratiekosten als de werknemer binnen drie jaar na het voltooien van de re-integratie uit dienst gaat.7
Of verhaal van gemaakte re-integratiekosten op derden op de voet van artikel 6:107a BW mogelijk is en tot welk bedrag, was lange tijd geen uitgemaakte zaak. Regelmatig is de vraag gerezen of een aansprakelijke derde überhaupt verplicht is om de kosten te vergoeden van de door een (overheids)werkgever of het UWV verplicht gestelde re-integratiemaatregelen. Omdat zij tot het nemen van deze maatregelen wettelijk verplicht zijn, zijn de daarmee gemoeide werkgeverskosten -zo was de gedachtegeen kosten die de werknemer zou hebben gemaakt. Een werkgever of het UWV kan deze kosten dan ook niet verhalen, aldus de redenering, omdat een werknemer geen schade zou hebben geleden. De Hoge Raad heeft echter meerdere malen uitgemaakt dat het feit dat een derde verplicht is om bepaalde maatregelen te nemen, niet afdoet aan de verplichting van de aansprakelijke partij om de kosten daarvan te vergoeden. Het is volgens de Hoge Raad immers primair de aansprakelijke die verplicht is de voor deze maatregelen nodige middelen te verstrekken.8 Het is onwenselijk dat een aansprakelijke derde van zijn verplichtingen wordt ontheven door de enkele omstandigheid dat ook een ander, die de schade niet heeft veroorzaakt, verplicht is om maatregelen te nemen. Toch werd in de lagere rechtspraak nog wel eens anders geoordeeld. Daarom is aan artikel 6:107a BW lid 3 toegevoegd, dat hierin duidelijkheid brengt.9 De werkgever kan de redelijke kosten van de verplicht door hem genomen re-integratiemaatregelen in alle gevallen verhalen op een aansprakelijke derde. Artikel 6:107a BW lid 3 luidt: ‘De in lid 2 bedoelde aansprakelijke is eveneens verplicht tot vergoeding van de door de werkgever gemaakte redelijke kosten ter nakoming van zijn in artikel 658a van Boek 7 bedoelde verplichtingen. De aansprakelijke kan hetzelfde verweer voeren dat hem jegens de gekwetste ten dienste zou hebben gestaan.’
De bepaling is (naast het uitgangspunt van de HR) ook te rechtvaardigen vanuit de gedachte dat re-integratie tot doel heeft om de werknemer zo snel mogelijk weer aan het werk te laten gaan. Dit is net zo goed in het belang van de aansprakelijke derde want zodoende hoeft deze minder inkomensschade te vergoeden. Dit heeft verder het voordeel dat werkgevers -wetende dat zij deze kosten kunnen verhalen- eerder bereid zijn om zich voor de re-integratie van hun werknemers in te zetten. Het lid 3 ziet niet alleen op de kosten van re-integratiemaatregelen, maar ook op de kosten die de werkgever maakt om ingevolge artikel 7:658a lid 3 van het BW een plan van aanpak op te stellen en te evalueren. Het doet niet ter zake of de re-integratieinspanningen tot het beoogde resultaat, te weten werkhervatting, hebben geleid. De re-integratieverplichting voor de werkgever is een inspanningsverplichting en geen resultaatsverplichting. Met de woorden ‘redelijke kosten’ wordt tot uitdrukking gebracht dat de hoogte van de met de maatregelen gemoeide kosten redelijk moeten zijn geweest. Het begrip is bekend uit artikel 6:96 lid 2 BW en kan langs deze lijn worden ingevuld. Anders dan in artikel 6:96 lid 2 sub a BW wordt hiermee overigens niet bedoeld dat de werkgever alleen de kosten kan verhalen van maatregelen die redelijkerwijs verantwoord waren. Het uitgangspunt is immers dat een werkgever de redelijke kosten kan verhalen van alle maatregelen die hij heeft genomen ter uitvoering van de verplichting in artikel 7:658 a BW om de werknemer te re-integreren. De redelijkheidstoets ziet dus niet op de genomen maatregelen, maar uitsluitend op de hoogte van de kosten die met de maatregelen zijn gemoeid.10
De tweede zin van artikel 6:107a lid 3 bevat een gelijke bepaling als de artikelen 6:107 lid 2 en 108 lid 3 BW. Het brengt tot uitdrukking dat de aansprakelijke die door een werkgever tot vergoeding wordt aangesproken dezelfde verweren kan voeren die hij jegens de werknemer kan voeren. Te denken valt aan eigen schuld van de werknemer, aan door de werknemer overeengekomen exoneraties of aan verjaring.11