Einde inhoudsopgave
Re-integratie zieke werknemer (MSR nr. 66) 2014/6.7.6
6.7.6 Verhouding werkgever en ondersteuners
mr.dr. G.A. Diebels, datum 24-09-2014
- Datum
24-09-2014
- Auteur
mr.dr. G.A. Diebels
- JCDI
JCDI:ADS577992:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Europees arbeidsrecht
Rechtswetenschap / Algemeen
Sociale zekerheid arbeidsongeschiktheid / Re-integratie
Arbeidsrecht / Arbeidsovereenkomstenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Rb. Haarlem, 21 maart 2005, USZ 2005/255, D.P.O. den Daas, ‘De loonsanctie: socialezekerheidsrechtelijk schouwspel voor arbeidsrechtelijk publiek’, ArbeidsRecht 2006/2, p.15.
Voorheen Rb. Assen 2 januari 2008, LJN BC1755, zie in dezelfde lijn ook HR 18 juni 1999, JAR 1999/ 148 (oordeel bedrijfsvereniging) en daarover B. Hoogendijk in ArA 2001, 1, uitsluitsel in: CRvB 18 november 2009, LJN BK3713 voor bedrijfsarts en CRvB 15 augustus 2012, LJN BX4606, voor re-integratie-bureau.
R. Heida, ‘Adviezen van de bedrijfsarts, hoe komen ze tot stand en wat zijn ze waard?’ Arbeid Integraal 2007, p.56-57.
J.J.B. van den Elsaker, ‘Re-integratie-inspanningen anno 2012: do’s en don‘ts’, TRA 2012/65. Voorbeelden van vragen: heeft de bedrijfsarts informatie ingewonnen bij de curatieve sector of de werknemer zelf onderzocht? (CRvB 23 maart 2011, LJN BP8924), heeft de bedrijfsarts zich niet in overwegende mate laten leiden door hetgeen de werknemer als zijn mogelijkheden aangaf? (CRvB 29 september 2010, LJN BN8678), heeft de bedrijfsarts niet te veel afwachtend en klachtcontingent gehandeld, terwijl tijdcontingente benadering aangewezen was? (CRvB 23 november 2011, LJN BU5534).
Rb. Den Haag 17 juni 2009, LJN BI9909.
Rb. Almelo 24 oktober 2008, LJN BG1660.
Rb. Almelo 16 oktober 2008, LJN BF9982.
Rb. Haarlem 17 februari 2009, LJN BH4520.
Kamerstukken II 2004/05, 29 814, nr.6, p.20 en CRvB 18 november 2009, LJN BK3713. Voorbeeld van een poging daartoe: Rb. Amsterdam, 11 oktober 2000, JAR 2000/233 en Hof Amsterdam 1 september 2006, JAR 2006/300.
Rb. Utrecht 12 november 2008, JAR 2009/11.
Rb. Midden-Nederland 24 april 2013, JAR 2013/153 m.nt. I. Janssen.
Uit hoofde van onrechtmatige daad, Hof Den Haag 9 oktober 2012, LJN BZ5986.
Rb. Utrecht 19 oktober 2011, JAR 2011/310.
HR 18 juni 1999, JAR 1999/148 (wel af mogen gaan op oordeel bedrijfsvereniging), HR 23 juni 2000, JAR 2000/163 (niet af mogen gaan op oordeel verzekeringsgeneeskundige van de bedrijfsvereniging). De rechtsgrond van de vordering van de werknemer in elk van die procedures was anders (artikel 7:628 BW en 7:681 BW) maar niet goed is in te zien dat dit een diametraal verschillende uitkomst rechtvaardigt.
CRvB 20 maart 2013, LJN BZ4852.
Het UWV stelt in het Beoordelingskader buiten twijfel dat de werkgever de enig verantwoordelijke blijft voor de re-integratie. Hij kan zich niet ‘verschuilen’ achter ondersteunende dienstverleners, zoals de arbo-dienst, de casemanager of het re-integratiebedrijf.1 Na 2009 staat vast dat de werkgever niet af mag gaan op het oordeel van de arbo-dienst.2 Dat levert een spanningsveld op: aan de ene kant moet de werkgever zich laten bijstaan door een deskundige, juist omdat hij deskundigheid op bijvoorbeeld medisch en arbeidsdeskundig terrein mist, aan de andere kant moet hij die deskundige kritisch blijven volgen en ‘net zo lang door vragen’ totdat hij overtuigd is van de plausibiliteit van het oordeel van bijvoorbeeld de bedrijfsarts. Het ligt niet voor de hand dat de werkgever in staat is die deskundige kritisch te volgen omdat hij de kennis ontbeert. De werkgever is verantwoordelijk en dat impliceert ook verantwoordelijkheid voor de kwaliteit van de ondersteunende deskundigen. De taak van de arbo-dienst is ‘slechts’ ondersteunend en adviserend, waarbij hij zich moet laten leiden door de richtlijnen en protocollen van de NVAB.3
Een werkgever doet er daarom verstandig aan niet te lichtvaardig af te gaan op het oordeel van de bedrijfsarts. Op basis van de Beleidsregels beoordelingskader Poortwachter moet de werkgever dóórvragen bij de arbo-dienst.4 Als de werkgever twijfelt, moet hij ingrijpen.5 De bedrijfsarts bleef in een zaak halsstarrig vasthouden aan terugkeer in eigen werk, ondanks de ernstige klachten van de werknemer en de keer op keer gebleken onmogelijkheid van geleidelijke opbouw. Ook speelde mee dat de werkgever zelf al nattigheid voelde want hij had zich sceptisch uitgelaten over de aanpak. Dat sceptisch uitlatenwas niet genoeg. Voor de zekerheid doet de werkgever er verstandig aan een deskundigenoordeel aan te vragen om uitsluitsel te krijgen of voor deze werknemer genoeg aan re-integratie wordt gedaan. Overigens kan het spiegelbeeld eveneens aan de orde zijn. De werkgever die het advies van de bedrijfsarts niet opvolgt, schiet tekort.6 Dat ligt anders als de afwijking van het advies van de bedrijfsarts maar marginaal is.7 Als de werkgever ten slotte het oordeel van de arbo-dienst verkeerd interpreteert, moet hij ook rekening houden met een sanctie op het niet-naleven van de re-integratie-eisen.8
Eventueel is schade uit hoofde van toerekenbare tekortkoming in de nakoming te verhalen op de arbo-dienst.9 De Rechtbank Utrecht veroordeelde een arbo-dienst tot schadevergoeding nadat diens fout tot een loonsanctie had geleid. Een beroep op een exoneratieclausule in de Algemene Voorwaarden van de arbo-dienst werd naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar geacht.10 Een ander voorbeeld, met gelijke uitsluiting van een beroep op exoneratie, speelde bij de Rechtbank Midden-Nederland. De arbo-dienst had haar diensten niet zó verleend dat het risico op een loonsanctie zo gering mogelijk was. Overigens kwam in die uitspraken de eigen verantwoordelijkheid van de werkgever niet aan de orde. Die verantwoordelijkheid volgt uit de artikelen 7:658a BW en 25 WIA en kan relevant zijn vanwege artikel 6:101 en 102 BW (eigen schuld en hoofdelijke verbondenheid).11 Mogelijk dat een uitspraak van Hof Den Haag nog aanknopingspunten biedt voor aansprakelijkheid voor verkeerde adviezen, hoewel het daarin ging om de re-integratie die ter hand was genomen door het UWV en niet een door de werkgever ingeschakelde derde. Er werd gere-integreerd naar een niet-passende, zelfs schadelijke werkplek. Het UWV werd aansprakelijk gehouden voor de daardoor ontstane schade.12 Een aansprakelijkheidstelling van de arbo-dienst moet wel vroegtijdig gebeuren om hem ook de gelegenheid te bieden (mee) verweer te voeren in een bezwaar- en beroepsprocedure tegen een opgelegde loonsanctie.13
Of de werkgever mag vertrouwen op het oordeel van het UWV dat de werknemer de eigen bedongen arbeid niet meer kan verrichten (en dus de re-integratieaandacht moet worden verschoven) is onduidelijk. De Hoge Raad heeft kort na elkaar twee arresten gewezen waaruit tegengestelde conclusies kunnen worden getrokken.14 De CRvB heeft bij het zonder voorbehoud afgeven van een deskundigenoordeel door het UWV uitgemaakt dat de werkgever daarop mag vertrouwen, maar wel steeds de vinger aan de pols moet houden.15