RvdW 2024/963:Art. 416 lid 2 Sv na veroordeling t.z.v. openlijke geweldpleging (art. 141 lid 1 Sr) en belediging politieambtenaren (art. 266 lid 1 jo. art. 267 lid 1 onder 2 Sr). Aanhoudingsverzoek door niet-gemachtigde raadsman ttz. in hoger beroep gedaan op grond dat verdachte mogelijk geen wet heeft van zitting en tot ongewenst vreemdeling is verklaard en is uitgezet naar Polen, door hof afgewezen omdat niet aannemelijk is geworden dat verdachte van aanwezigheidsrecht gebruik wil maken. HR: Om redenen vermeld in CAG slaagt middel. CAG: Aan verzoek is o.m. ten grondslag gelegd dat verdachte mogelijk niet op hoogte was van zitting. Hof heeft niet vastgesteld dat oproeping in h.b. aan verdachte in persoon was uitgereikt of dat verdachte anderszins op hoogte was geraakt van datum van tz. en heeft dus niet geoordeeld dat deze aan verzoek ten grondslag gelegde omstandigheid niet aannemelijk was. Dit oordeel heeft hof ook niet geveld over andere aangevoerde reden, te weten dat verdachte ongewenst was verklaard en was uitgezet. Onder die omstandigheden diende hof belangenafweging te maken. Hof heeft er in motivering van afwijzing van aanhoudingsverzoek geen blijk van gegeven die afweging te hebben gemaakt. ’s Hofs afwijzende beslissing is daarmee ontoereikend gemotiveerd. Volgt vernietiging en terugwijzing.