RvdW 2024/960:Art. 416 lid 2 Sv na veroordeling t.z.v. medeplegen poging tot diefstal d.m.v. braak, art. 311 lid 1 Sr. Ontvankelijkheid hoger beroep, appelschriftuur bij stukken. Kon hof (enkelvoudige kamer) oordelen dat door of namens verdachte geen schriftuur houdende grieven is ingediend en dat verdachte mede daarom ex art. 416 lid 2 Sv n-o wordt verklaard in h.b., nu hof geen acht heeft geslagen op grief in bijzondere schriftelijke volmacht tot instellen h.b., die aan akte h.b. is gehecht en zich bij stukken bevindt? HR: Om redenen vermeld in CAG is middel gegrond. CAG: Uit schriftelijke bijzondere volmacht tot instellen van h.b. van raadsvrouw van verdachte aan griffiemedewerker Rb, die aan ‘akte instellen h.b.’ is gehecht, blijkt dat (anders dan hof heeft overwogen) namens verdachte wel degelijk (tijdig) appelschriftuur houdende een grief is ingediend. Daarom is ’s hofs oordeel dat verdachte ex art. 416 lid 2 Sv n-o wordt verklaard in h.b., niet begrijpelijk. Volgt vernietiging en terugwijzing.