Einde inhoudsopgave
Eigendomsvoorbehoud (Rechtswetenschappelijke publicaties) 2018/8.9.3
8.9.3 Rechtsgevolgen van overdracht
E.F. Verheul, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
E.F. Verheul
- JCDI
JCDI:ADS396145:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
In HR 3 juni 2016, NJ 2016, 290 m.nt. F.M.J. Verstijlen (Rabobank/Reuser), rov. 4.2.3 spreekt de Hoge Raad over het feit dat de koper onder eigendomsvoorbehoud zijn voorwaardelijk eigendomsrecht ‘dan ook slechts onder diezelfde voorwaarde [kan] vervreemden of bezwaren.’ Ik acht dat een ongelukkige formulering. De vervreemding of bezwaring geschiedt immers (gewoonlijk) niet voorwaardelijk, maar onvoorwaardelijk. Ten onrechte betrekt de Hoge Raad de voorwaardelijkheid op de overdracht van het eigendomsrecht. Bedoeld lijkt te worden dat de koper slechts kan beschikken over een door diezelfde voorwaarde beperkt eigendomsrecht. Zie over dit uitgroeien hierna in paragraaf 8.10.1.
Zie over dit uitgroeien hierna in paragraaf 8.10.1.
Mezas 1985, p. 54, Scheltema 2003, p. 364 en Scheltema 2013, p. 163. Zie voor Oostenrijk Klang/Bydlinski 1978, § 1063 ABGB, p. 586-587 en voor Duitsland Serick 1963, p. 256.
P. Rodenburg, ‘B.M. Mezas, Eigendomsvoorbehoud naar huidig en komend Nederlands recht & R.D. Vriesendorp, Het eigendomsvoorbehoud (Boekbeschouwing)’, RMThemis 1986, p. 262, voetnoot 10. Zie voor het Duitse recht Staudinger/Bork 2015, Vorbem zu §§ 158 ff BGB, Rn. 72 en Staudinger/Beckmann 2014, § 449 BGB, Rn. 83. Vgl. Bauknecht 1955, p. 1252 die terecht opmerkt dat, wanneer men het tegengestelde zou aannemen, in werkelijkheid de mogelijkheid om te beschikken over het Anwartschaftsrecht ontkend wordt. Zo ook Bülow 2012, p. 254. Uit HR 15 maart 1991, NJ 1992, 605 m.nt. W.M. Kleijn (Veenendaal q.q./Hogeslag) kan niets anders worden afgeleid, aangezien het daar niet ging om de overdracht van een voorwaardelijke vordering, maar om de voorwaardelijke overdracht van een vordering, die ten tijde van de cessie (nog) niet (onvoorwaardelijk) toebehoorde aan de cedent, als gevolg waarvan deze alleen als toekomstige vordering kon worden gecedeerd.
Zie hiervoor in voetnoot 85 en de bijbehorende hoofdtekst.
Mezas 1985, p. 53, Bartels 1997, p. 85, Struycken 2007, p. 554, Reehuis 2013, nr. 77 en Rongen 2014, p. 307.
HR 3 juni 2016, NJ 2016, 290 m.nt. F.M.J. Verstijlen (Rabobank/Reuser), rov. 4.2.4-4.2.5.
Wibier & Smid 2009, p. 729-731. Herhaald in Wibier 2012, p. 308-310 en Wibier 2013, p. 289. Vgl. ook Nieuwesteeg 2015, p. 173 en A.F. Salomons & G.Á.C. OrbÁn in hun noot onder HR 3 juni 2016, INS 2016, 206.
Ook het standpunt dat het fixatiebeginsel ook een functie kan vervullen om rechtspolitiek te bedrijven in gevallen waarin het strikt genomen niet van toepassing is, vermag daarbij niet te overtuigen. Zie Wibier & Smid 2009, p. 729-731. Het beroep op de arresten HR 22 december 1989, NJ 1990, 661 m.nt. P. van Schilfgaarde (Tiethoff q.q./NMB) en HR 28 april 2006, NJ 2006, 503 m.nt. P. van Schilfgaarde (Huijzer q.q./ Rabobank) snijdt geen hout. In eerstgenoemd arrest werd een uitzondering op de verrekeningsregels aanvaard vanwege het feit dat na faillietverklaring een prestatie ten laste van de boedel komt, waarvoor de te verrekenen schuld de tegenprestatie vormt. Redengevend was daarvoor dat de schuldeisers anders zonder tegenprestatie aanspraak zou kunnen maken op hetgeen jegens hem door de curator ten laste van deboedel moet worden verricht. Afgezien van het feit dat een dergelijke verrekeningssituatie hier niet aande orde is, is ook de ratio van het arrest niet van toepassing. De boedel hoeft immers in het geheel geen prestatie meer te verrichten, terwijl de failliet gewoonlijk bovendien een tegenprestatie zal hebben ontvan-gen voor de overdracht van het voorwaardelijk eigendomsrecht. Het tweede arrest biedt daarentegen zelfs steun voor de hier in de hoofdtekst verdedigde uitleg van het fixatiebeginsel, nu de Hoge Raad daar een rechtlijnige toepassing van het fixatiebeginsel aanvaardt: de nagekomen verbintenis is ontstaan na faillissement en dus is het fixatiebeginsel van toepassing en kan geen beroep worden gedaan op artikel 52 Fw. Hier blijkt de Hoge Raad niet gevoelig voor een op wenselijkheidsargumenten gebaseerde uitzondering op het fixatiebeginsel.
Wibier & Smid 2009, p. 727-728. In die richting ook Van Swaaij 2000, p. 192. Vgl. Scheltema 2003, p. 364 voetnoot 37. Ook in Duitsland zijn er critici die het Anwartschaftsrecht als bestaand recht geheel ontkennen en de beschikking over een Anwartschaftsrecht omkatten tot een overdracht bij voorbaat van de verkochte zaak. Uiteindelijk komen zij evenwel tot vergelijkbare uitkomsten door aan te nemen dat (i) de koper beschikkingsbevoegd is ten aanzien van zijn toekomstige vermogensbestanddelen (ii) de prioriteitsregel de rangorde tussen de conflicterende beschikkingen beheerst (vgl. § 185 BGB); (iii) de koper gebonden is aan de bij voorbaat afgelegde verklaringen en (iv) een faillissement geen roet in het eten gooit. Zie bijv. Stoll 1966, p. 246-252, Lempenau 1968, passim, Kupisch 1976, p. 417-429 en Marotzke 1977, i.h.b. p. 18-44. Zie voor kritiek Forkel 1962, p. 68-72.
Vgl. Mezas 1985, p. 53-54, Scheltema 2003, p. 363-364 en Scheltema 2013, p. 160. Hiermee keer ik mij uitdrukkelijk tegen de benadering van Wibier & Smid 2009, p. 728 en Wibier 2013, p. 290 volgens wie de faillissementsbestendigheid van de positie van de koper niets te maken heeft met de vraag of de koper reeds een recht heeft, waarover hij (faillissementsbestendig) kan beschikken. De positie van de koper is namelijk slechts faillissementsbestendig, als hij terstond een recht verkrijgt. In gelijke zin: Scheltema 2003, p. 331- 335. Vervolgens volgt uit het feit dat de koper terstond een tegenwoordig vermogensrecht heeft, dat hij daar ook meteen over kan beschikken, zodat een nadien ingetreden faillissement van de koper of de verkoper geen roet in het eten kan gooien.
HR 31 december 1909, W. 8957 (Op den Ende/De Haan Hugenholtz q.q.).
Verstijlen 1998, p. 43-44.
Van der Feltz I, p. 7.
G.A.J. Boekraad, Afwikkeling van de faillissementsboedel (diss. Nijmegen), Deventer: W.E.J. Tjeenk Willink 1997, p. 13.
T.M., Parl. Gesch. Boek 5 BW, p. 3. Anders: Mezas 1985, p. 54 omdat de ‘volgroeiing van het pandrecht’ via het vermogen van de failliet zou lopen. Het is evenwel niet het pandrecht dat uitgroeit, maar het object van dat pandrecht. Aangezien het pandrecht reeds voor faillissement tot stand is gekomen, is het fixatiebeginsel niet in het geding. Zie ook Snijders 2006, p. 226 en Asser/Van Mierlo 3-VI 2016, nr. 554.
Als de koper zijn eigendomsrecht onder opschortende voorwaarde rechtsgeldig overdraagt, verwerft de verkrijger op het moment dat aan alle vereisten voor overdracht van het recht is voldaan, terstond het eigendomsrecht onder opschortende voorwaarde.1 Het voorwaardelijk eigendomsrecht verlaat het vermogen van de koper en maakt voortaan onderdeel uit van het vermogen van de verkrijger. Gaat vervolgens de voorwaarde in vervulling, dan groeit het eigendomsrecht onder opschortende voorwaarde uit tot een onvoorwaardelijk eigendomsrecht in de hand van de verkrijger.2 Aangezien de koper reeds voordien heeft beschikt over zijn voorwaardelijk eigendomsrecht en daarmee al zijn aanspraken met betrekking tot de zaak heeft laten varen, is hij met zijn vermogen niet betrokken bij de uiteindelijke verkrijging van de onvoorwaardelijke eigendom door degene aan wie hij zijn voorwaardelijk eigendomsrecht heeft overgedragen (of diens rechtsopvolger).3 De zaak passeert derhalve niet het vermogen van de koper.4 Integendeel, op het moment dat de voorwaarde in vervulling gaat, vindt in het geheel geen derivatieve verschuiving van (een deel van) het eigendomsrecht plaats, niet in de verhouding van de verkoper tot de verkrijger en evenmin in de verhouding tussen de koper en de verkrijger van het voorwaardelijk eigendomsrecht.5 Als gevolg van de vervulling van de voorwaarde vervalt het eigendomsrecht onder ontbindende voorwaarde en groeit het eigendomsrecht onder opschortende voorwaarde uit tot het onvoorwaardelijke eigendomsrecht.
Met deze rechtsgevolgen is de meerwaarde van de mogelijkheid om te beschikken over het voorwaardelijk eigendomsrecht gegeven. Hierin onderscheidt de overdracht over het eigendomsrecht onder opschortende voorwaarde zich namelijk van de levering bij voorbaat (art. 3:97 BW) van de zaak of een overdracht van de zaak door de koper als beschikkingsonbevoegde, die nadien door artikel 3:58 BW wordt geconvalideerd. In die gevallen komt de overdracht namelijk pas tot stand op het moment dat de koper door vervulling van de voorwaarde onvoorwaardelijk eigenaar wordt van de zaak en op dat moment is voldaan aan de eis van beschikkingsbevoegdheid. Onder meer een tussentijds ingetreden faillissement van de koper verhindert dan de eigendomsoverdracht door de koper aan de derde (art. 23 Fw en art. 35 lid 2 Fw).6 Bij de overdracht van het eigendomsrecht onder opschortende voorwaarde geldt dit alles niet. Op het moment dat de overdracht onder opschortende voorwaarde tot stand komt, verkrijgt de koper immers terstond een eigendomsrecht onder opschortende voorwaarde, ten aanzien waarvan hij beschikkingsbevoegd is. Hij kan vanaf dat moment dit recht overdragen aan een ander. Indien de koper nadien als gevolg van het uitspreken van het faillissement zijn beschikkingsbevoegdheid verliest, kan die omstandigheid niet meer de werking ontnemen aan een overdracht die reeds voordien heeft plaatsgevonden. De fixerende werking van het faillissement heeft immers slechts betrekking op het vermogen van de failliet (art. 20 Fw jo. art. 23 Fw). Heeft de koper reeds voordien over het voorwaardelijk eigendomsrecht beschikt, dan heeft dat recht op dat moment diens vermogen verlaten en valt het niet meer onder het faillissementsbeslag.7
Volgens Wibier en Smid is daarentegen ook bij de overdracht van het voorwaardelijk eigendomsrecht het fixatiebeginsel in het geding, althans zou het wenselijk zijn dat het fixatiebeginsel zou verhinderen dat de verkrijger van het eigendomsrecht onder opschortende voorwaarde ook onvoorwaardelijk eigenaar van de zaak zou kunnen worden, indien de koper tussentijds failliet wordt verklaard.8 Dergelijke wenselijkheidsargumenten kunnen echter geen doorslaggevende rol spelen bij de beoordeling van de vraag in hoeverre het naar het geldende recht mogelijk is om over voorwaardelijke eigendom te beschikken.9 Het standpunt van Wibier en Smid laat zich moeilijk los van hun rechtspolitieke argumenten beoordelen. In wezen ontkennen Wibier en Smid namelijk het bestaan van voorwaardelijke eigendom – althans waar het aankomt op de positie van de koper onder eigendomsvoorbehoud – en beschouwen zij de overdracht van de voorwaardelijke eigendom in zekere zin als een levering bij voorbaat van de zaak.10 Neemt men daarentegen aan dat het eigendomsrecht onder opschortende voorwaarde een zelfstandig overdraagbaar recht is, waardoor een onderscheid moet worden gemaakt tussen de overdracht van de (onvoorwaardelijke eigendom van de) zaak en het eigendomsrecht onder opschortende voorwaarde, valt niet goed in te zien op welke wijze het fixatiebeginsel in het gedrang is.11
Het fixatiebeginsel houdt in dat ‘door de intrede van het faillissement de rechtspositie van alle bij den boedel betrokkenen onveranderlijk wordt.’12 Voor het actief heeft dit tot gevolg dat het vermogen van de failliet aldus wordt gefixeerd dat het vermogen aan de beschikkingsmacht van de failliet is onttrokken.13 Na het uitspreken van het faillissement kan de failliet niet meer bewerkstelligen dat bepaalde vermogensbestanddelen niet (meer) onder het ‘gerechtelijk beslag op het gehele vermogen des schuldenaars ten behoeve zijner gezamenlijke schuldeisers’14 vallen. Uit deze definitie blijkt dat het fixatiebeginsel betrekking heeft op de bestanddelen van het vermogen van de failliet op het moment van de faillietverklaring.15 Het fixatiebeginsel strekt er daarentegen niet toe dat aan reeds voor de faillietverklaring geldig verrichte beschikkingshandelingen, waardoor een bepaald vermogensbestanddeel het vermogen van de aanstaande failliet heeft verlaten, achteraf de werking wordt ontnomen. De goederen die het vermogen van de failliet vóór het uitspreken van het faillissement heeft verlaten behoren – afgezien van de mogelijkheid om met terugwerkende kracht de beschikkingshandeling aan te tasten – niet tot de boedel. Het fixatiebeginsel strekt zich tot deze goederen dan ook niet uit. Dit beginsel kan daarmee niet goederenrechtelijke rechten aan derden ontnemen, die reeds voor faillietverklaring zijn gevestigd of overgedragen. Integendeel, uit het goederenrechtelijk karakter van de desbetreffende rechten volgt veeleer de tegenwerpbaarheid van het recht aan de boedel.
Al met al moet de gedachte worden verworpen dat het fixatiebeginsel aan een reeds voor faillissement rechtsgeldig tot stand gekomen overdracht de werking ontneemt. Een dergelijke overdracht is – vanuit het fixatiebeginsel bezien – faillissementsbestendig, waarbij onverschillig is wat het object is dat wordt overgedragen. Voor de vestiging van beperkte rechten op het eigendomsrecht onder opschortende voorwaarde geldt niets anders, waar de wet de vestiging van een beperkt recht beschouwt als een gedeeltelijke overdracht en daarop als uitgangspunt dezelfde bepalingen van toepassing heeft verklaard (art. 3:98 BW).16