Politiemensen, officieren en rechters over strafrecht
Einde inhoudsopgave
Politiemensen, officieren en rechters over strafrecht (SteR nr. 49) 2020/2.1.3:2.1.3 Crime control model
Politiemensen, officieren en rechters over strafrecht (SteR nr. 49) 2020/2.1.3
2.1.3 Crime control model
Documentgegevens:
J. Kort , datum 01-03-2020
- Datum
01-03-2020
- Auteur
J. Kort
- JCDI
JCDI:ADS200811:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In het crime control model wordt optimale misdaadbestrijding gerealiseerd door een maximaal aantal ‘probably guilty’ (1964: 11) zo snel mogelijk te veroordelen. Om te voorkomen dat criminelen vrij blijven rondlopen moeten veel verdachten worden gearresteerd en vervolgd (1968: 159). Daarbij moet zoveel mogelijk worden uitgegaan van de betrouwbaarheid van het feitenonderzoek door de politie en latere formele processtappen blijven tot het minimum beperkt. De principiële keuze die in dit model van de strafrechtspleging wordt gemaakt is dat de bescherming van burgers door criminaliteit zo effectief mogelijk tegen te gaan, ten koste mag gaan van de bescherming van individuele verdachten (Choongh, 1998). Falen van de strafrechtelijke handhaving is vrijwel onacceptabel, omdat dit een ernstige bedreiging van de vrijheid zou betekenen.
‘The claim ultimately is that the criminal process is a positive guarantor of social freedom. In order to achieve this high purpose, the crime control model requires that primary attention be paid to the efficiency with which the criminal process operates to screen suspects, determine guilt, and secure appropriate dispositions of persons convicted of crime.’ (Packer, 1964: 10)
Het strafproces dient volgens het crime control model in de eerste plaats een effectief instrument te zijn bij het tegengaan van crimineel gedrag en richt zich op het verwerken van grote aantallen verdachten. Het beoogt de strafrechtspleging te richten op efficiëntie: snelheid en afronding van procedures staan voorop. Snelheid wordt bereikt via zoveel mogelijk uniformiteit en routinisering en door wat Packer noemt een ‘informele werkwijze’. Hiermee bedoelt hij dat in het proces van opsporing tot uiteindelijke veroordeling van een verdachte, de nadruk ligt bij het opsporingsonderzoek: door daarin vertrouwen te hebben, kunnen latere processtappen worden weggelaten of vereenvoudigd. Packer spreekt over politiemensen in het crime control model, die daarbinnen op ‘informele’ wijze de opsporing kunnen vormgeven: ‘acting in an informal setting in which their distinctive skills are given full sway, to elicit and reconstruct a tolerably accurate account of what actually took place in an alleged criminal event.’ (1964: 14) Het zou interessant zijn geweest om te lezen wat Packer hier precies bedoelde met ‘distinctive skills’, maar hij heeft dat niet uitgelegd. In hoeverre bij een informele werkwijze wordt afgezien van strafvorderlijke of bewijsrechtelijke eisen wordt evenmin duidelijk. Op zijn minst is voor de naleving daarvan minder aandacht in het strafproces volgens het crime control model.
Afronding van procedures wordt bereikt door de mogelijkheden in het proces om tegenwicht te bieden zoveel mogelijk te beperken. De ‘routinized operations’ in het proces worden ingericht op het verkrijgen van zoveel mogelijk veroordelingen. Verdachten die waarschijnlijk niet de dader zijn worden in het proces zo vroeg mogelijk losgelaten, zodat de inspanningen gericht kunnen worden op veroordeling van de rest, met een zo klein mogelijke kans op tegenwerking (van verdachten) via procedurele weg: ‘The probably innocent are screened out. The probably guilty are passed quickly through the remaining stages of the process. The key to the operation of the model is (…) a presumption of guilt.’ (1964: 11)
Efficiënt werken veronderstelt volgens het crime control model dat moet worden uitgegaan van de betrouwbaarheid van het onderzoek door politie en officier van justitie. Daarnaast wordt de doelmatige werkwijze van het crime control model gekenmerkt door een ‘schuldpresumptie’. Als er eenmaal vertrouwen is in het bewijs, wordt er vanuit oogpunt van efficiëntie, bij alle verdere activiteiten uit gegaan van de schuld van de verdachte.
‘The presumption of guilt (…) exemplifies a complex of attitudes, a mood. If there is confidence in the reliability of informal administrative factfinding activities that take place in the early stages of the criminal process, the remaining stages can be relatively perfunctory without any loss in operating efficiency. The presumption of guilt, as it operates in the crime control model, is the expression of that confidence.’ (1964: 12)
De ‘schuldpresumptie’ loopt vooruit op de uitkomst van het strafproces, terwijl het in acht nemen van de onschuldpresumptie betekent dat ondanks de aanwezigheid van mogelijk zeer sterk bewijsmateriaal, niet vooruit wordt gelopen op het uiteindelijke oordeel van de rechter: ‘The presumption of innocence is a direction to officials how they are to proceed, not a prediction of outcome. (…) [T]he presumption of guilt is descriptive and factual; the presumption of innocence is normative and legal.’ (ibidem)