Einde inhoudsopgave
Kavelruil (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2014/1.II.C.4.g
g. Verdeling, vrijwilligheid en dwang
mr. J.W.A. Rheinfeld, datum 31-01-2014
- Datum
31-01-2014
- Auteur
mr. J.W.A. Rheinfeld
- JCDI
JCDI:ADS476147:1
- Vakgebied(en)
Ruimtelijk bestuursrecht / Grondexploitatie
Voetnoten
Voetnoten
Zie art. 3:182 BW.
Aldus A.L.G.A. Stille, Verdeling en de rechter, p. 200.
Zie over de adiudicatio uitgebreid A.L.G.A. Stille, Verdeling en de rechter, p. 199 e.v. Zie tevens CJ. van Zeben en J.W. du Pon, m.rav. M.M. Olthof, Parlementaire geschiedenis van het Nieuwe Burgerlijk Wetboek, Boek 3, Vermogensrecht in het algemeen, p. 614, M.J.A. van Mourik e.a., Handboek Erfrecht, p. 625 e.v., alsmede M.J.A. van Mourik, Gemeenschap, p. 84 e.v. Zie ten slotte M.J.A. van Mourik, ‘Erfrechtelijke inbreng naar Boek 4 NBW’. Overigens was een dergelijke vordering tot verdeling reeds bekend onder vigeur van de Markenwet 1886, zo blijkt uit A.I.M.J. van Wijnbergen, Onze marken onder de werking der Wet van 10 mei 1886, p. 55 e.v. Zie tevens grenspost 1, hfdst. I, onderdeel C.2.
HR 28 juni 1963, NJ 1963, 507. Zie m.n. de conclusie P-G G.E. Langemeijer, die met zoveel woorden spreekt over ‘adiudicatio’. Zie tevens A.J.M. Nuytinck, ‘De rechtspositie van de executeur naar oud en geldend erfrecht, alsmede het rechtskarakter van de verdeling’, p. 49.
Hof Den Haag 25 mei 2005, ECLI:NL:GHSGR:2005:AW7422 r.o. 21’, waarover tevens A.L.G.A. Stille, ‘Rechterlijke en/of notariële tussenkomst bij de verdeling van een gemeenschap”. In gelijke zin: Hof Amsterdam 10 oktober 1998, ECLI:NL:GHAMS:1996:AC1649, waarover A.L.GA Stille, ‘Boedelscheiding: door partijen of de rechter? en, meer recent: HR 12 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ8746.
Aldus A.L.G.A. Stille, Verdeling en de rechter, p. 202.
A.L.G.A. Stille, Verdeling en de rechter, p. 248. Omwille van de begrenzing van dit onderzoek laat ik het bij deze algemene opmerkingen.
Zie A.L.G.A. Stille, Verdeling en de rechter, p. 204, alsmede A.J.M. Nuytinck, ‘De rechtspositie van de executeur naar oud en geldend erfrecht, alsmede het rechtskarakter van de verdeling’, p. 49. Zie tevens M.J.A. van Mourik, Gemeenschap, p. 62-63.
Aldus A.L.G.A. Stille, Verdeling en de rechter, p. 204.
Vgl. onderdeel H.3.b hierna.
Wat opvalt bij een vergelijking van de in onderdeel b gememoreerde definities van de ‘WILG-verdeling’ en de ‘BW-verdeling’, is dat bij laatstgenoemde verdeling uitgegaan wordt van de medewerking van alle deelgenoten.1 Het consensuele karakter van de verdeling staat derhalve voorop en vormt het wettelijke uitgangspunt, 2 net als bij de kavelruil, als tegenhanger van de dwingende herverkaveling, het geval is. Daarbij moet wel worden opgemerkt dat, ten aanzien van de kavelruil, deze vergelijking enigszins mank gaat wanneer ook het in onderdeel B.7 besproken artikel 86 lid 2 WILG wordt bekeken: op grond van de werking van dit artikellid kan de werkelijke eigenaar immers worden verplicht zijn medewerking aan de overeenkomst te verlenen. Dit is een belangrijke uitzondering op het zuiver consensuele karakter van de civielrechtelijke verdeling. Op deze wijze is er, zij het op zeer beperkte wijze, een dwangelement binnengedrongen binnen de vrijwillige kavelruil.
Ook binnen de civielrechtelijke verdeling is echter, indien noodzakelijk, een bepaalde mate van dwang aanwezig. Wanneer een of meer van de deelgenoten niet meewerken aan de verdeling of de deelgenoten het onderling niet eens worden, kan de rechter worden betrokken bij de verdeling, zo bepaalt artikel 3:185 BW. Deze rechterlijke tussenkomst in de verdelingsprocedure kan ertoe leiden dat de rechter de verdeling wijze van verdeling bindend vaststelt.3 Onder vigeur van het oude boedeischeidingsrecht heeft de Hoge Raad in 19634 beslist dat de rechter de bevoegdheid (niet de verplichting) heeft om op dergelijke wijze een verdeling in goederenrechtelijke zin en met goederenrechtelijk effect tot stand te brengen.
De rechter kan zich bij het vaststellen van de verdeling redelijk autonoom gedragen. Zo oordeelde het Hof Den Haag op 25 mei 2005:
“Op grond van artikel 3:185 BW kan de rechter de verdeling vaststellen rekening houdend met de belangen van partijen alsmede met het algemeen belang. De rechter heeft bij het vaststellen van de verdeling een grote mate van vrijheid en kan zelfs afwijken van het voorstel van verdeling van partijen indien hem dit in het gegeven geval juist voorkomt.”5
Ingeval de verdeling, met gebruikmaking van artikel 3:185 BW, ‘op last van de rechter’ plaatsvindt, blijven het, ondanks gemelde grote vrijheid van de rechter, niettemin de deelgenoten zélf die de verdeling tot stand brengen.6 De verdeling blijft daarmee een verdeling in de zin van titel 3.7 BW, echter indien sprake is van een verdeling ex artikel 3:185 lid 2 sub a (de toedeling van een gedeelte van het goed aan ieder der deeigenoten) is er geen sprake een verdeling in de zin van artikel 3:182 BW, aangezien geen sprake is van een of meer deelgenoten die ‘een of meer goederen der gemeenschap met uitsluiting van de overige deelgenoten verkrijgen’. Niettemin blijft ook deze toedeling een (civielrechtelijke) verdeling.7 Het etiket ‘verdeling’ blijft, ook bij de ‘dwangprocedure’ ex artikel 3:185 BW, derhalve te allen tijde behouden.
Naast de zuiver contractuele verdeling en de ‘3:185-verdeling’, is er de wettelijke verdeling van artikel 4:13 BW als laatste vorm van verdeling binnen de contouren van het BW.8 Deze verdeling, die haar directe oorsprong vindt in de wet en niet in een handelen van deelgerechtigden9 draagt, evenals de ‘3:185-verdeling’ een dwang- element in zich: de wet deelt immers toe. Ondanks deze mate van dwang acht ik de wettelijke verdeling, gezien haar eigen, erfrechtelijke karakter, niet een factor van belang bij de vergelijking tussen de kavelruil en de verdeling uit titel 3, 7 BW.
Conclusie van het voorgaande is mijns inziens dat, zowel in de verdeling uit titel 3.7 BW als in de regeling van de kavelruil elementen van dwang aanwijsbaar zijn, maar dat de vrijwilligheid, het consensuele karakter, de juridische basis van beide rechtsfiguren vormt. Zoals in ‘landinrichtingssferen’ geldt dat, wanneer kavelruil niet mogelijk casu quo haalbaar blijkt, naar het (paarden)middel ‘herverkaveling’ kan worden gegrepen, zo heeft men in ‘verdelingssferen’ met artikel 3:185 BW een ‘stok achter de deur’ ingeval een verdeling dreigt te mislukken als gevolg van een gebrek aan consensus tussen de deelgenoten.10