Einde inhoudsopgave
De meerwaarde van meervoud (SteR nr. 48) 2019/1.2
1.2 Maatschappelijke relevantie
mr. drs. R. Baas, datum 24-12-2019
- Datum
24-12-2019
- Auteur
mr. drs. R. Baas
- JCDI
JCDI:ADS174188:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht / Rechtspraak
Voetnoten
Voetnoten
Griffiths 2005, p. 120. In dezelfde zin over kwaliteit van rechtspraak: De Bock 2015, p. 65; Wattel 2015, p. 1464-1465.
Zie onder meer Raad voor de rechtspraak 2006, In het belang van goede strafrechtspraak, p. 9; Hermans 2004, p. 1859; Terlouw 2003, p. 20.
Zie onder meer Rapport visitatie gerechten 2006, p. 24.
Raad voor de rechtspraak, Agenda van de Rechtspraak 2008-2011. Onafhankelijk en betrokken, Den Haag 2007, p. 2.
Den Tonkelaar 2015, p. 596.
De Bock 2015, p. 65. Zie ook Frissen e.a. 2014, p. 59.
Wattel 2015, p. 1464-1465.
Zie onder andere: De Rechtspraak, Jaarplan 2019, p. 11; Meerjarenplan van de Rechtspraak 2015-2020, p. 14; Projectgroep Kwaliteit in de bekostiging, Kwaliteit kost tijd, 2006, p. 7; Dossier ‘Kwaliteit van de rechtspraak’ op rechtspraak.nl.
Agenda voor de Rechtspraak 2015-2018, verlengd tot 2020 (thans de meest actuele editie).
Goede rechtspraak – inhoudelijk juist, tijdig en als rechtvaardig ervaren – is nodig om geschillen op vreedzame wijze te beslechten en om gedrag te normeren. Bovendien is het leveren van constante kwaliteit essentieel voor het behoud van vertrouwen in de rechterlijke macht als instituut. Voor het bieden van kwalitatief hoogwaardige rechtspraak en behoud van vertrouwen van burgers kan de formatie waarin recht wordt gesproken – in meervoudige of enkelvoudige kamer – van invloed zijn. Tot in de jaren zeventig en tachtig van de twintigste eeuw was meervoudige behandeling vrij vanzelfsprekend, waardoor men zich nauwelijks afvroeg waarom zaken door meerdere rechters werden afgedaan. In de jaren daarna, toen alleenrechtspraak vaste voet aan de grond kreeg, is de vraag waarom men zaken in eerste aanleg door één rechter is gaan behandelen evenmin noemenswaardig onderzocht of bediscussieerd. Het deed de rechtssocioloog John Griffiths in 2005 verzuchten: ‘Met een adembenemende achteloosheid worden de meervoudige rechtspraak, het kantongerecht, gemotiveerde vonnissen enz. afgeschaft, zonder dat er bij mijn weten enig serieus onderzoek is geweest naar de gevolgen van dergelijke veranderingen voor de inhoud van de rechtspraak.’1 Politiek en rechtspraak stellen zich inmiddels nadrukkelijk de vraag waarom een meervoudige kamer zich over een zaak moet buigen.
De vooronderstelling bestaat dat meervoudige uitspraken in het algemeen van een hoger kwalitatief niveau zijn dan uitspraken gedaan door een enkelvoudige kamer.2 Daar staat tegenover dat enkelvoudig behandelde zaken gewoonlijk minder kosten, sneller tot een uitspraak leiden en eenvoudiger te organiseren zijn.3 Daarmee rijst de vraag of alleenrechtspraak efficiënter is dan collegiale rechtspraak: gemiddeld hoge kwaliteit tegen gemiddeld lage kosten. Deze vraag is in het bijzonder van belang in het licht van de discussie over kwaliteit en productie die de afgelopen jaren binnen de organisatie van de rechtspraak is gevoerd. De indruk bestond en bestaat namelijk dat de inhoudelijke kwaliteit onder druk is komen te staan door de nadruk op productie en het wegwerken van achterstanden.4 Den Tonkelaar schreef over veranderingen in de cultuur en het productieproces in de rechtspraak: ‘”Wat niet fout is, is goed” werd jaren geleden gezien als het motto van de goede, efficiënt werkende opleider en is nu het devies van de rechter die stevig productie maakt, geen fouten in zijn uitspraken wil zien en goed weet samen te werken.’5 De Bock schreef in haar rapport over kwaliteit van rechtspraak dat aan rechters vaak wordt voorgehouden dat rechterlijke beslissingen niet allemaal Maserati’s hoeven te zijn; Volkswagens kunnen immers goed genoeg zijn. Een nieuwe variant op deze metafoor plaatst het briljante tegenover het efficiënte vonnis.6
Lange tijd werd in de literatuur en beleidsdocumenten weinig empirische onderbouwing gevonden voor de vooronderstelde kwaliteitsverbetering door het inzetten van meervoudige kamers of meelezers. Dat meervoud meerwaarde biedt leek een educated guess te zijn. Vanaf 2010 kwam daar langzaamaan enige verandering in, onder andere met onderzoek naar de kwaliteit van meervoudig en enkelvoudig beslissen en opvattingen van rechters over meervoudige en enkelvoudige behandeling. Dat er inmiddels meer wordt nagedacht over de vraag of een rechtszaak meervoudige dan wel enkelvoudige behandeling verdient, is winst. Maar de discussie hierover en de praktijk van rechtspraak zouden gebaat zijn met nader empirisch onderzoek naar de waarde van meervoudige en enkelvoudige rechtspraak, in het bijzonder waar het de oordeelsvorming van rechters in raadkamer betreft. Wattel constateerde dat kwaliteitsbevordering zich nu nog vaak heeft beperkt tot het stellen van vereisten om cursussen te volgen en normen voor meervoudige afdoening ‘die makkelijk te meten en te rapporteren zijn, maar die slechts veronderstellenderwijs verband houden met inhoudelijke kwaliteit.’ Het vermoeden bestaat dat éducation permanente, intervisie en meervoudige afdoening tot inhoudelijk betere uitspraken leiden, maar dat is niet gebaseerd op empirisch bewijs, zo stelt hij. Normen daarover leveren eerder managementtools op dan inhoudelijke kwaliteitsnormen.7
Om uitspraken over kwaliteit te kunnen doen, is afbakening van dit wat schimmige begrip noodzakelijk. Naar vrij algemeen in de rechterlijke macht is aanvaard, bestaat kwaliteit van rechtspraak in elk geval uit deskundigheid (inhoudelijke kwaliteit), neutraliteit en integriteit van rechters, begrijpelijkheid van uitspraken, goede rechterlijke bejegening, snelle doorlooptijd van zaken en toegankelijkheid van de rechtspraak.8 Dit onderzoek raakt meerdere van deze aspecten. Collegiale behandeling zou zoals gezegd verband houden met hogere inhoudelijke kwaliteit en alleenrechtspraak met snelle doorlooptijd. Meervoudige dan wel enkelvoudige behandeling kan gevolgen hebben voor de begrijpelijkheid van een uitspraak. Evenzo kan de rechterlijke bejegening in een meervoudige zitting anders zijn dan in een enkelvoudige en kunnen rechtzoekenden een rechtszitting anders ervaren wanneer drie in plaats van één rechters achter de tafel zitten. Dit laatste aspect is in deze studie niet onderzocht.
Het onderzoek sluit tevens aan op de prioriteiten van de gerechten en de Raad voor de rechtspraak die zij in de Agenda van de Rechtspraak 2015-2018, mede naar aanleiding van bovengenoemde discussie, hebben gesteld. Voor deze periode zijn snelle, toegankelijke en deskundige rechtspraak als speerpunten vastgesteld.9 Snelle rechtspraak kan volgens de Agenda worden verwezenlijkt door procedures efficiënter in te richten, maar ook door de rechter strakker regie te laten voeren in een zaak en dezelfde rechter de gehele zaak tot en met de uitspraak te laten behandelen. Deskundigheid wordt bevorderd, zo stelt de Agenda, door meer specialisatie en zo nodig door multidisciplinaire deskundigheid. Hiermee zijn aanknopingspunten bij dit onderzoek te vinden. De organisatie van de rechtspraak, in het bijzonder de toedeling van zaken, wordt in dit onderzoek uitvoerig besproken. Dat geldt ook voor vragen over bevordering van kwaliteit, specialisatie en multidisciplinaire deskundigheid. Meervoudige kamers zijn bij uitstek fora waarin diverse expertises kunnen worden samengebracht.