Einde inhoudsopgave
Zaaksvervanging (O&R nr. 55) 2010/5.2.2
5.2.2 Dreigende verrijking: een vervangend goed
Johanna Bernadine Spath, datum 01-04-2010
- Datum
01-04-2010
- Auteur
Johanna Bernadine Spath
- JCDI
JCDI:ADS624916:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Een verrijking impliceert uiteraard het verkrijgen van een vervangend goed. Bij schenkingen is zaaksvervanging wegens het ontbreken van een surrogaat uitgesloten. Hetzelfde kan worden gesteld als een vordering wordt kwijtgescholden. Zie over vermindering van passiefposten, tenietgaan van zaken zonder vervanging en schenkingen ook Sagaert 2003, p. 280, 540 en 607.
Dit levert vaak ook een onverwacht voordeel op van schuldeisers van de vruchtgebruiker die het vermogen waarop zij zich op grond van art. 3:276 BW kunnen verhalen, zien groeien.
Vgl. Van Straaten 2009, onder 2, die de redenering omdraait waar hij het vereiste van een onmiddellijk verband tussen goed en vergoedingsvordering afleidt uit het gegeven dat een vergoedingsvordering in de plaats moet treden van het goed.
Om beantwoording van deze vragen niet onnodig te compliceren, wordt hier wederom geabstraheerd van de problemen gerelateerd aan de individualiseerbaarheid en tenaamstelling van goederen. Zie hierover hfd. 6.
140.
Om door zaaksvervanging de gewenste bescherming te bieden bij de dreigende aantasting van rechten, is vereist dat er een vervangend goed beschikbaar is. Zonder een goed waarop een vervangend recht tot stand kan komen, is het immers onmogelijk om de belangen die met het oorspronkelijke recht zijn gemoeid voort te zetten. Evenals bij ongerechtvaardigde verrijking moet hierbij een verband bestaan tussen een verlies enerzijds en een verkrijging anderzijds.1 Hier komt ook de ongerechtvaardigdheid van de verschuiving van de vermogensrechtelijke balans die dreigt op te treden, aan het licht. Steeds hebben twee of meer betrokkenen een goederenrechtelijk belang ten aanzien van één goed. Het behoud van rechten staat voorop, maar uiteindelijk zijn de goederen waarop die rechten betrekking hadden en moeten komen te rusten, bepalend. Door een relevante aantasting van een goed wordt een van de daarbij betrokkenen zijn recht (deels) ontnomen en verkrijgt de andere betrokkene, als er geen zaaksvervanging plaatsvindt, op een ander goed een recht met een grotere waarde dan voorheen. De aard van deze imminente bevoordeling kan verschillen. Zo verkrijgt de bevoegd beschikkende vruchtgebruiker zonder het bestaan van art. 3:213 BW bijvoorbeeld eigendom waar hij eerst een beperkt recht had en wordt de zekerheidsgever onbezwaard gerechtigd tot verzekeringsuitkeringen zonder toepassing van art. 3:229 BW.2
Voor het behoud van rechten moet dus worden gekeken naar de betrokken goederen. Zaaksvervanging is in die gevallen nodig, waarin de verkrijging van het surrogaat samenhangt met het verlies van een ander goed en dit leidt tot een ongewenste herverdeling van rechten. Voor het antwoord op de vraag welke goederen als surrogaat in aanmerking komen, betekent dit dat het in ieder geval moet gaan om goederen waarvan de verkrijging in verband kan worden gebracht met het verlies van een oorspronkelijk goed.3 Bij de identificatie van de mogelijke surrogaten draait het dus niet alleen om de vraag welke soort goederen voor toepassing van zaaksvervanging in aanmerking komen, maar allereerst om een verband tussen verkrijging en verlies van verschillende goederen.4