Einde inhoudsopgave
Groepsregime, jaarrekening en 403-aansprakelijkheid (IVOR nr. 116) 2019/9.1.1
9.1.1 Hoofdelijke verbondenheid voor eenzelfde prestatie
mr. drs. E.C.A. Nass, datum 01-08-2019
- Datum
01-08-2019
- Auteur
mr. drs. E.C.A. Nass
- JCDI
JCDI:ADS85688:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Jaarrekeningenrecht
Voetnoten
Voetnoten
A-G Rank-Berenschot merkt op (conclusie A-G 1 maart 2019; ECLI:NL:PHR:2019:189) dat in art. 18 WvK de huidige formule ‘hoofdelijk verbonden’ in het kader van de invoering van Boek 6 BW in de plaats is gekomen van de formulering ‘hoofdelijk voor het geheel aansprakelijk’ om de terminologie aan te passen aan (thans) art. 6:6 BW (onder verwijzing naar Kamerstukken II 1982/83, 17 896, nr. 3, MvT, p. 12-13). Zie ook Tervoort 2013 (diss.), p. 22.
Jonkers 2018, p. 165 – 166.
Zie bijvoorbeeld HR 2 november 2001, NJ 2002/24 (Riva/Zannis); HR 9 augustus 2002,NJ 2004/317; HR 18 oktober 2001; NJ 2002/612, m.nt. Zwemmer (Schaap/Wooncompagnie).
HR 9 januari 1931, NJ 1931/378 (Kolfschoten q.q./Slager Heijs), bevestigd in HR 2 november 2001, NJ 2002/24 (Riva/Zannis).
Rechtbank Utrecht 17 augustus 2005, JOR 2005/258 (ABN Amro/Van Voorst) (r.o. 4.3: ‘Daarbij (…) is in beginsel geen sprake van een aanspreekvolgorde of subsidiariteit, tenzij dat uitdrukkelijk is overeengekomen’).
Bijvoorbeeld de aansprakelijkheid bij een Eesv (zie paragraaf 5.3.1.2).
Koops 2010 (diss.), p. 369 duidt deze vorm van subsidiariteit aan met de term ‘uitwinningssubsidiariteit’.
Uit art. 6:6 lid 2 BW blijkt onder meer dat hoofdelijke verbondenheid er voor schuldenaren is indien uit een rechtshandeling voortvloeit dat ieder ten aanzien van eenzelfde schuld voor het geheel aansprakelijk is.1 Een schuldeiser heeft alleen baat bij de hoofdelijke verbondenheid van een ander indien die ander solvabel is. Een (potentiële) schuldeiser zal daarom in de regel willen (kunnen) vaststellen of die ander inderdaad solvabel is. Dit is niet altijd mogelijk. In groepsverhoudingen kan hoofdelijke verbondenheid van verschillende (groeps)maatschappijen een significante verbetering van zekerheid voor de schuldeiser met zich brengen, met name bij faillissement van de (volledige) groep omdat hij op basis van art. 136 lid 1 Fw bij ieder van de hoofdelijke schuldenaren zijn volledige vordering kan indienen.2
Als de hoofdelijkheid eenmaal is overeengekomen of gesteld, kan de schuldeiser zich binnen de grenzen van hetgeen is vastgelegd vanaf het opeisbaarheidsmoment voor betaling tot ieder van de hoofdelijke schuldenaren wenden. Hij is in beginsel vrij te kiezen tot welke schuldenaar hij zich voor nakoming wendt en in welke volgorde, behalve als dienaangaande afwijkende afspraken zijn gemaakt. Deze vrijheid is een wezenlijk kenmerk van hoofdelijkheid,3 maar is niet onbegrensd. De Hoge Raad heeft overwogen dat wanneer één van de hoofdelijke debiteuren aanbiedt de gehele verschuldigde prestatie te verrichten, de schuldeiser dat niet kan afwijzen.4 Daarnaast zijn er wettelijke uitzonderingen op het kenmerk van keuzevrijheid en kan contractueel een aanspreekvolgorde worden overeengekomen.5 Een wettelijk bepaalde6 respectievelijk een contractueel overeengekomen dan wel uit een andere rechtshandeling voortvloeiende aanspreekvolgorde duid ik aan met de term subsidiariteit.7
Een hoofdelijke schuldenaar die tot betaling wordt aangesproken, wil natuurlijk wel vaststellen dat de schuld waarvoor hij wordt aangesproken ook daadwerkelijk bestaat. Indien hij een schuld voldoet zonder dat er grond is voor betaling, komt die betaling voor zijn eigen risico en zal hij het (ten onrechte) betaalde bedrag van de schuldeiser moeten terugvorderen.
Verjaring van het vorderingsrecht van de schuldeiser heeft niet tot gevolg dat de verbintenis teniet gaat, maar levert een persoonlijk verweermiddel tegen toewijzing van de vordering op; verjaring ontneemt de afdwingbaarheid in rechte. Het is mogelijk dat het recht van een schuldeiser om nakoming jegens één schuldenaar te vorderen is geëindigd, terwijl de schuldeiser ten opzichte van een andere schuldenaar een stuitingshandeling heeft verricht en het recht om nakoming te vorderen jegens die andere schuldenaar (daarom) voortduurt.