De meerwaarde van meervoud
Einde inhoudsopgave
De meerwaarde van meervoud (SteR nr. 48) 2019/7.8.5:7.8.5 Vergelijking met andersoortig onderzoek naar beslissingsgedrag
De meerwaarde van meervoud (SteR nr. 48) 2019/7.8.5
7.8.5 Vergelijking met andersoortig onderzoek naar beslissingsgedrag
Documentgegevens:
mr. drs. R. Baas, datum 24-12-2019
- Datum
24-12-2019
- Auteur
mr. drs. R. Baas
- JCDI
JCDI:ADS174225:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht / Rechtspraak
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Van Duyne & Verwoerd 1985, p. 23-24.
Janis 1972/1982; Janis & Mann 1977.
Volgens Van Duyne & Verwoerd (1985, p. 24-25, p. 74-75) kan een gebrek aan zelfonderzoek worden versterkt doordat besluitvorming door rechters gericht is op een eindresultaat, namelijk de uitspraak. Door deze focus zouden rechters kunnen verzuimen om na te gaan of de methode, met name de wijze van informatieverwerking, juist en volledig is en of zij niet te snel tevreden zijn met het bereikte resultaat.
Van Duyne & Verwoerd (1985, p. 74) doen een soortgelijke constatering.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Onderzoek naar beslissingsgedrag, van groepen of individuen, ziet meestal op situaties waarin politieke, economische of militaire beslissingen moeten worden genomen. In die context draait het gewoonlijk om het maximaliseren van winst, het minimaliseren van verlies en het al dan niet aanvaarden van bepaalde risico’s. Ook kan ervoor worden gekozen om helemaal geen beslissing te nemen of om deze uit te stellen. Van Duyne & Verwoerd stellen dat de relevantie van dergelijk onderzoek voor studie naar rechterlijke besluitvorming gering is, omdat deze andere parameters kent. Rechters zijn tenslotte onafhankelijk en hun beraadslagingen in de raadkamer zijn geheim.1 Ook speelt mee dat rechters niet mogen weigeren recht te spreken, wat meestal betekent dat zij een inhoudelijke beslissing moeten nemen. Daardoor zijn sommige psychologische variabelen die de groepsbesluitvorming normaliter kunnen beïnvloeden op raadkamers niet of in mindere mate van toepassing. Rechters zijn binnen de grenzen van het recht vrij om een beslissing te nemen en hoe die ook uitvalt, hun materiële of rechtspositionele positie wordt er in beginsel niet door bedreigd. Rechters hoeven immers geen kiezers, klanten, aandeelhouders, politici of manschappen tevreden te stemmen.
Het besluitvormingsgedrag in meervoudige kamer kan bijvoorbeeld tot op zekere hoogte onder invloed staan van groepsdenken (zie paragraaf 3.2.2).2 Dit fenomeen behelst dat groepen professionals die beslissingen moeten nemen aanzienlijke externe druk ervaren. De manier waarop zij tot beslissingen komen wordt vaak meer bepaald door een sfeer van wederzijdse bevestiging dan door het analyseren van de beschikbare informatie. Groepsdenken gedijt goed wanneer er sterke groepscohesie bestaat (teamgeest, gevoel van superioriteit, isolement), structurele fouten worden gemaakt (krachtig en niet onpartijdig leiderschap, gebrek aan een adequate besluitvormingsprocedure, censuur van dwarsliggers) en stressfactoren aanwezig zijn (tijdsdruk, eerder falen, schijnwerpers op zich gericht weten). Onder deze omstandigheden worden niet alle alternatieven voor de voorgenomen beslissing ge-identificeerd en onderzocht, waardoor de kans op een onjuiste beslissing aanzienlijk is.
Rechters kunnen echter niet weigeren te beslissen en evenmin beslissingen lang voor zich uitschuiven. Daar staat tegenover dat diverse andere omstandigheden, zoals afwezigheid van een adequate besluitvormingsprocedure en tijdsdruk, wel van invloed kunnen zijn. Meervoudige kamers zouden ook druk van buitenaf kunnen ervaren bij het nemen van een beslissing – denk aan de vox populi of pressie van het management dat gunstige doorlooptijden wenst. Ook werken meervoudige kamers in zekere zin in isolement, waardoor de eigen wijze van besluitvorming als vanzelfsprekend kan worden aangenomen en niet kritisch wordt geëvalueerd. Dit effect wordt mogelijk gematigd door het motiveringsvereiste3 alsook door het besef dat rechterlijke beslissingen openbaar worden en blootstaan aan hoger beroep en cassatie.
De besluitvorming in meervoudige kamer vindt in een zekere afzondering plaats, waar overigens goede redenen voor zijn (zie paragraaf 7.8.1). Uit de observaties in de raadkamer is evenwel niet opgemaakt dat de beslissingen van de meervoudige kamers onder invloed van groepsdenken tot stand kwamen. Zo werden tegengeluiden niet genegeerd of gebagatelliseerd, was de voorzitter niet sturend in zijn voorkeuren en stonden de rechters niet in extreme mate onder tijdsdruk. Moeilijker te zeggen is in welke mate rechters externe druk ervoeren die een rol heeft gespeeld in hun beslissing. In elk geval is er in de raadkameroverleggen niet aan druk van buitenaf gerefereerd. Dat sluit niet volledig uit dat er stilzwijgend besef van was dan wel dat leden van de meervoudige kamer er niet voor uit wilden komen, maar het kan er ook op wijzen dat die er eenvoudigweg niet was.
Bevestigingsvooroordeel kon in de raadkamers evenmin worden vastgesteld.4 Dit verschijnsel doet zich voor als beslissers informatie die ze tegenkomen zo interpreteren dat die overeenkomt met hun voorkeuren, terwijl zij informatie die daarmee strijdig is veronachtzamen. In de geobserveerde raadkamers kwam weliswaar voor dat een rechter een voorlopige beslissing suggereerde waarvoor argumenten werden gezocht, maar deze beslissing was nooit zozeer in beton gegoten dat hij daar niet van af te brengen was.