De meerwaarde van meervoud
Einde inhoudsopgave
De meerwaarde van meervoud (SteR nr. 48) 2019/1.1:1.1 Achtergronden en ontwikkelingen van meervoudige en enkelvoudige rechtspraak
De meerwaarde van meervoud (SteR nr. 48) 2019/1.1
1.1 Achtergronden en ontwikkelingen van meervoudige en enkelvoudige rechtspraak
Documentgegevens:
mr. drs. R. Baas, datum 24-12-2019
- Datum
24-12-2019
- Auteur
mr. drs. R. Baas
- JCDI
JCDI:ADS174170:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht / Rechtspraak
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie onder meer Boone e.a. 2007, p. 4-5; Brommet & Smilde 2002, p. 27.
Adviescommissie toerusting en organisatie zittende magistratuur 1998.
Boone e.a. 2007, p. 6, 52-53.
Het wetsvoorstel is uiteindelijk in 2017 wegens onvoldoende draagvlak in de Eerste Kamer ingetrokken.
Bijvoorbeeld Helder & Kuijpers 2000, p. 78; Standpunt Raad voor de rechtspraak, 28 april 2010, p. 5: ‘Vanuit het perspectief van kwaliteit wordt beperking van de meervoudige behandeling in hoger beroep ten stelligste ontraden.’
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De economisering van de samenleving sinds de jaren tachtig van de twintigste eeuw is niet aan de rechterlijke macht voorbijgegaan. Daar was ook reden toe: uit onderzoeken bleek dat de bedrijfsvoering en organisatiestructuur van de rechterlijke macht aanzienlijke gebreken vertoonden.1 De commissie-Leemhuis werd in het leven geroepen om onderzoek te doen naar de vraag hoe het beheer van de rechterlijke macht het beste georganiseerd kon worden. De commissie adviseerde de financiering van de rechterlijke macht voortaan plaats te laten vinden op basis van werklast en productie.2 Zo geschiedde in 2002 met de invoering van een nieuw bekostigingsmodel. Dit model kent een getrapte financiering: voortaan zou het ministerie van Justitie de gerechten niet meer rechtstreeks betalen, maar het totale budget toekennen aan de nieuw opgerichte Raad voor de rechtspraak. De Raad financiert de gerechten sindsdien op basis van het aantal afgedane zaken, waarbij rekening wordt gehouden met het type zaak en de complexiteit ervan.
De tendens tot kostenbesparing was niet helemaal nieuw: al in de jaren zeventig werden uit het oogpunt van efficiëntie steeds meer zaken afgedaan in enkelvoudige kamer, waar voorheen collegiale behandeling de norm en ook de praktijk was. Tot 1988 was voorgeschreven dat civiele zaken in beginsel ter beoordeling voorliggen aan een meervoudige kamer. Om wet en werkelijkheid meer met elkaar in overeenstemming te brengen, werd in genoemd jaar de hoofdregel van artikel 288a Rv (oud) omgekeerd, waardoor civiele zaken in eerste aanleg bij de rechtbank in principe door een alleensprekende rechter zouden worden afgedaan. Onder rechters bestond vrees dat de kostenbesparende ingrepen ten koste zouden gaan van de kwaliteit en de onafhankelijkheid van de rechtspraak.3 Mede daarom heeft het thema ‘kwaliteit van rechtspraak’ de afgelopen decennia een meer prominente plaats ingenomen in beleid en uitvoering van de rechtspraak.
Sinds 2005 is men in de rechterlijke macht voorzichtig teruggekomen van het streven om zaken steeds vaker aan een unusrechter voor te leggen. Getuige daarvan zijn jaardocumenten van de Raad voor de rechtspraak en diverse onderzoeksrapporten, waarin aanbevolen wordt omwille van de kwaliteit zaken vaker in meervoudige kamer af te doen of te laten meelezen door een collega. Of de wetgever deze opvatting deelt, is echter de vraag. In 2012 is een wetsvoorstel ingediend om uit kostenbesparing de mogelijkheid te openen om in hoger beroep alle kantonzaken naar een enkelvoudige kamer te verwijzen.4 Ingrijpender zijn de bezuinigingen op de rechterlijke macht die sinds 2016 jaarlijks zijn doorgevoerd. Die zouden ertoe kunnen leiden dat gerechten zaken minder snel aan drie rechters voor willen leggen, ook als de zaaksinhoud meervoudige behandeling zou rechtvaardigen.
Aan de discussie over de waardering van meervoudige en enkelvoudige rechtspraak liggen vooronderstellingen ten grondslag dat meervoudige afdoening de inhoudelijke kwaliteit van de rechtspraak ten goede komt, terwijl enkelvoudige afdoening een doelmatiger inzet van rechters en ondersteuners behelst.5 Daarmee wordt ook een brug geslagen naar legitimiteit van rechtspraak en behoud van vertrouwen in de rechterlijke macht. De vraag is echter of genoemde vooronderstellingen juist zijn. Deze studie wil antwoorden zoeken op de vraag welke verschillen en overeenkomsten tussen meervoudige en enkelvoudige rechtspraak bestaan en wat de meerwaarde van meervoudige rechtspraak is. Daartoe worden onder meer zittingen en raadkamers geobserveerd, rechters bevraagd en jurisprudentie geanalyseerd.