Groepsregime, jaarrekening en 403-aansprakelijkheid
Einde inhoudsopgave
Groepsregime, jaarrekening en 403-aansprakelijkheid (IVOR nr. 116) 2019/9.2.3:9.2.3 Nakomingsverplichting van de 403-aansprakelijke maatschappij
Groepsregime, jaarrekening en 403-aansprakelijkheid (IVOR nr. 116) 2019/9.2.3
9.2.3 Nakomingsverplichting van de 403-aansprakelijke maatschappij
Documentgegevens:
mr. drs. E.C.A. Nass, datum 01-08-2019
- Datum
01-08-2019
- Auteur
mr. drs. E.C.A. Nass
- JCDI
JCDI:ADS85689:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Jaarrekeningenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie paragraaf 5.3.2.2.
Zie bijvoorbeeld Rechtbank Utrecht 17 augustus 2015, JOR 2005/258 (ABN Amro/Van Voorst), r.o. 4.3.
Zie Rechtbank Rotterdam 24 januari 2012, JOR 2012/165, m.nt. Bertrams.
Zie paragraaf 9.7.
Zie art. 6:83 sub b BW.
Zie bijvoorbeeld: HR 19 mei 2000; NJ 2000/603, m.nt. Snijders; HR 6 oktober 2000,NJ 2000/691 (Rowi/Verzicht); HR 12 september 2003; NJ 2004/36; en HR 23 maart 2007,NJ 2007/176 (Brocacef/Simons).
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het hoofdelijke schuldenaarschap van de 403-aansprakelijke maatschappij brengt mee dat een schuldeiser zich kan melden bij deze maatschappij met het verzoek tot de voldoening van zijn 403-aanspraak. Het is echter aan de schuldeiser van de 403-rechtspersoon om te bepalen tot wie hij zich voor de voldoening zal wenden. Dat kan zijn naar zijn keuze de 403-rechtspersoon en/of de 403-aansprakelijke maatschappij. Wanneer de schuldeiser zich voor de voldoening wendt tot de 403-aansprakelijke maatschappij, kan deze die voldoening niet afwijzen met het verweer dat de 403-rechtspersoon eerst moet worden aangesproken. Zowel de 403-aansprakelijke maatschappij als de 403-rechtspersoon zijn schuldenaar. Van een bepaalde aanspreekvolgorde is geen sprake, tenzij dat uitdrukkelijk uit de 403-verklaring blijkt1 of is overeengekomen.2 Er is voor de schuldeiser van de 403-rechtspersoon een 403-aanspraak wanneer vaststaat dat zijn vorderingsrecht jegens de 403-rechtspersoon voortvloeit uit een door deze rechtspersoon aangegane rechtshandeling. Wanneer in die rechtsverhouding een opschortende tijdsbepaling (bijvoorbeeld een betalingstermijn van dertig dagen) is overeen gekomen, geldt dat ook voor de 403-aanspraak.
In rechtspraak is overwogen3 dat een 403-aansprakelijke maatschappij de 403-aanspraak kan afweren en de schuldeiser kan verzoeken eerst verhaal te zoeken bij zijn contractpartij, de 403-rechtspersoon. Aan dat verzoek hoeft de schuldeiser geen gehoor te geven. De schuldeiser mag de nakoming door een ander dan de hem uitgekozen schuldenaar evenwel niet afwijzen. Uiteraard moet de 403-aansprakelijke maatschappij in de gelegenheid worden gesteld
de rechtsgrond van de aanspraak vast te stellen en ook of de vordering op de 403-rechtspersoon niet al is voldaan. Daartoe zal de schuldeiser de 403-aansprakelijke maatschappij een redelijke termijn moeten geven zodat de 403-aansprakelijke maatschappij de 403-rechtspersoon om informatie kan verzoeken over het bestaan en de omvang van de op hem bestaande vordering. Ook zal de 403-aansprakelijke maatschappij zich moeten (kunnen) vergewissen van eventuele verweren die de 403-rechtspersoon ter zake van deze vordering heeft.
De 403-aansprakelijke maatschappij zal (doorgaans) niet beschikken over documentatie waaruit de verschuldigdheid van het gevorderde blijkt. Wanneer de groepsband tussen de 403-aansprakelijke maatschappij en de 403-rechtspersoon voortduurt kan de benodigde informatie gewoonlijk eenvoudig worden verkregen. Indien er sprake is van een verbreking van de groepsband en de maatschappij tot wier groep de rechtspersoon behoorde, vergeten is tot intrekking van de 403-verklaring over te gaan, is dat veelal minder makkelijk. In dit soort gevallen rust op een schuldeiser mogelijk een (verderstrekkende) verplichting tot onderbouwing van zijn 403-aanspraak jegens de 403-aansprakelijke maatschappij.
Indien is geconstateerd dat sprake is van een bestaande verplichting waartegen geen verweermiddelen kunnen worden ingebracht, moet vast komen te staan dat degene die zich voor voldoening van de 403-aanspraak heeft gewend tot de 403-aansprakelijke maatschappij, de rechthebbende is van het vorderingsrecht jegens de 403-rechtspersoon. Een schuldeiser kan een 403-aanspraak jegens de 403-aansprakelijke maatschappij hebben verkregen doordat hij een vorderingsrecht overgedragen heeft gekregen van de schuldeiser van de 403- rechtspersoon. Van een dergelijke overdracht hoeft de 403-rechtspersoon niet op de hoogte te zijn. Om die reden is het aan de schuldeiser om aan te tonen dat deze de rechthebbende is van het vorderingsrecht jegens de 403-rechtspersoon onder overlegging aan de 403-aansprakelijke maatschappij van een document waaruit blijkt dat de vordering waarvan voldoening wordt gevorderd, voortvloeit uit een door de 403-rechtspersoon verrichte rechtshandeling dan wel door het tonen van een afschrift van een akte van cessie (al dan niet met overlegging van een vastlegging van een in dat kader gedane mededeling). Ook zal duidelijk moeten zijn dat de vordering niet al door de 403-rechtspersoon is voldaan.
Wanneer de schuldeiser zijn gerechtigdheid heeft aangetoond en een redelijke termijn voor het verifiëren van het bestaan en de omvang van de vordering is verstreken, is de 403-aansprakelijke maatschappij gehouden met inachtneming van de condities waaronder het vorderingsrecht jegens de 403-rechtspersoon is ontstaan, tot voldoening aan de schuldeiser over te gaan. Indien de 403-aansprakelijke maatschappij na daartoe te zijn aangesproken door de schuldeiser een schuld uit een rechtshandeling van de 403-rechtspersoon voldoet, ontstaat vanaf dat moment een regresvordering op de 403-rechtspersoon.4
Indien de 403-aansprakelijke maatschappij niet tot betaling overgaat, zijn de regels omtrent ingebrekestelling en het intreden van verzuim als bepaald in Boek 6 BW onverkort van toepassing. Van een situatie als genoemd in art. 6:83 BW of als overwogen in relevante rechtspraak waarin zonder ingebrekestelling sprake is van verzuim, is naar mijn mening geen sprake. Dat is enkel anders wanneer de 403-aansprakelijke maatschappij en schuldeiser overeen zijn gekomen dat de vordering wordt voldaan onder de titel van vervangende schadevergoeding5 of indien specifieke omstandigheden daartoe aanleiding geven: de opsomming van gevallen waarin verzuim intreedt zonder ingebrekestelling in art. 6:83 BW is niet limitatief. Dat niet-limitatieve karakter is meermaals bevestigd door de Hoge Raad. 6