Einde inhoudsopgave
Het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel (FM nr. 170) 2021/8.2.1
8.2.1 De omzetbelasting en de accijnzen
Anneke Els Keulemans, datum 01-08-2021
- Datum
01-08-2021
- Auteur
Anneke Els Keulemans
- JCDI
JCDI:ADS362901:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal procesrecht / Beroepsfase
Fiscaal procesrecht / Procesorde
Fiscaal bestuursrecht / Algemene rechtsbeginselen en abbb
Fiscaal bestuursrecht / Bezwaarfase
Europees belastingrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Slooten, van, 2015; Dit blijkt ook uit HvJ 21 februari 2008, zaak C-271/06, (Netto Supermarkt), punt 18 en HvJ 26 februari 2013, zaak C-617/10, (Åkerberg Fransson).
HvJ 19 november 1998, zaak C-85/97, (Société financière d'investissements), punt 31. In het SFI-arrest gaf het Hof van Justitie duidelijk aan dat vaststaat dat de BTW een materie is die onder het gemeenschapsrecht valt.
HvJ 18 december 1997, zaken C-286/94 (Garage Molenweide) en HvJ 26 februari 2013, zaak C-617/10, (Åkerberg Fransson); zie ook noot Van Eijsden bij HvJ 26 februari 2013, zaak C-617/10, (Åkerberg Fransson) in BNB 2014/15 onder 6.
HR 14 augustus 2015, nr. 13/01940, NTFR 2015/2450, BNB 2015/207, r.o. 2.6.3 en HR 15 januari 2016, nr. 14/02924, NTFR 2016/1082.
Richtlijn 92/83/EEG van de Raad van 19 oktober 1992 betreffende de harmonisatie van de structuur van de accijns op alcohol en alcoholhoudende dranken, Richtlijn 2003/96/EG van de Raad van 27 oktober 2003 tot herstructurering van de communautaire regeling voor de belasting van energieproducten en elektriciteit, richtlijn 92/84/EEG van de Raad van 19 oktober 1992 betreffende de onderlinge aanpassing van de accijnstarieven op alcohol en alcoholhoudende dranken, Richtlijn 2011/64/EU van de Raad van 21 juni 2011 betreffende de structuur en de tarieven van de accijns op tabaksfabrikaten en richtlijn 2008/118/EG van de Raad van 16 december 2008 houdende een algemene regeling inzake accijns en houdende intrekking van richtlijn 92/12/EEG.
Visser 2008, onder 4.1.5.
Zie de considerans bij Accijnsrichtlijn 92/12/EEG van de Raad van 25 februari 1992 betreffende de algemene regeling voor accijnsprodukten, het voorhanden hebben en het verkeer daarvan en de controles daarop.
Zie bijvoorbeeld HvJ 12 december 2002, zaak C-395/00, (Cipriani).
Voor de omzetbelasting is het antwoord op de vraag of sprake is van het ten uitvoer brengen van Unierecht eenvoudig. De Wet OB 1968 geeft uitvoering aan het Unierecht (voorheen de Zesde richtlijn, nu de Btw-richtlijn).1 Dit betekent dat het kenbaarmakingsbeginsel van toepassing is op alle voorgenomen bezwarende besluiten, die de omzetbelasting betreffen (klassieke Wachauf-lijn). Het feit dat de lidstaten bij het ontbreken van een Gemeenschapsregeling hun eigen procedurevoorschriften mogen toepassen, doet daaraan niet af.2 Gelet op de arresten Garage Molenheide en Åkerberg Fransson zullen de maatregelen die lidstaten nemen en noodzakelijk achten ter waarborging van de juiste inning van de omzetbelasting en ter voorkoming van fraude met de omzetbelasting eveneens vallen onder de reikwijdte van het Unierecht.3 Daaronder vallen mijns inziens ook besluiten als een aanmaning en dwangbevel en een verzoek om uitstel van betaling betreffende de omzetbelasting. Met een identieke motivering als in de zaak Åkerberg Fransson heeft de Hoge Raad geoordeeld dat ook een besluit inzake bestuurdersaansprakelijkheid voor verschuldigde omzetbelasting binnen de reikwijdte van het Unierecht valt.4
Voor de accijnzen geldt een nagenoeg identieke redenering als voor de omzetbelasting. De Wet op de accijns heft belasting op bepaalde producten zoals bier, wijn, tussenproducten, overige alcoholhoudende producten, minerale oliën en tabaksproducten. Deze wet geeft uitvoering aan verschillende Europese richtlijnen.5 Deze richtlijnen geven – om de accijnswetgeving van de lidstaten te harmoniseren – minimumnormen.6 Bij de omzetting van richtlijnen in nationale regelgeving moet de nationale wetgeving minimaal het resultaat bereiken dat het Unierecht voorstaat. Het doel van de accijnsrichtlijnen is de verwezenlijking van de fiscale neutraliteit van de binnengrens overschrijdende accijnsgoederentransacties.7 De lidstaten hebben echter de vrijheid verdergaande of strengere normen toe te passen dan deze richtlijnen opleggen. Nu met de accijnswetgeving sprake is van klassieke omzettingshandelingen van een richtlijn, zal bij nationale zaken die spelen ten aanzien van deze wetgeving sprake zijn van het ten uitvoer brengen van het Unierecht. De klassieke Wachauf-lijn is direct herkenbaar. Het kenbaarmakingsbeginsel is dan ook van toepassing op dergelijke zaken.8 Het Hof van Justitie oordeelde dat het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel met betrekking tot accijnsgoederen van toepassing is. Toch zal niet altijd ten aanzien van het gehele besluit sprake zijn van het ten uitvoer brengen van het Unierecht. Als een lidstaat ervoor heeft gekozen verdergaande of strengere normen te hanteren dan de richtlijnen voorschrijven, zal het Unierecht niet van toepassing zijn voor zover het nationale geschil deze verdergaande of strengere normen betreft. Echter als het geschil de vraag betreft of sprake is van verdergaande of strengere normen, zal het Unierecht moeten worden uitgelegd en valt de zaak wel weer binnen de reikwijdte van het Unierecht. In accijnszaken lijkt het – gelet op het vorenstaande – voor de hand te liggen dat ten aanzien van alle voorgenomen besluiten het kenbaarmakingsbeginsel wordt toegepast.