Groepsregime, jaarrekening en 403-aansprakelijkheid
Einde inhoudsopgave
Groepsregime, jaarrekening en 403-aansprakelijkheid (IVOR nr. 116) 2019/9.1.2:9.1.2 Benaderingen van hoofdelijkheid
Groepsregime, jaarrekening en 403-aansprakelijkheid (IVOR nr. 116) 2019/9.1.2
9.1.2 Benaderingen van hoofdelijkheid
Documentgegevens:
mr. drs. E.C.A. Nass, datum 01-08-2019
- Datum
01-08-2019
- Auteur
mr. drs. E.C.A. Nass
- JCDI
JCDI:ADS85616:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Jaarrekeningenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Omdat van de zijde van de hoofdelijke schuldenaren hun verbintenissen nauw met elkaar zijn verbonden en vanuit de optiek van de schuldeiser hij tegenover elke schuldenaar een zelfstandig recht op nakoming heeft, is er discussie over de vraag of het bij hoofdelijkheid gaat om één verbintenis met meer schuldenaren (uniteitsleer) dan wel om evenveel verbintenissen als schuldenaren (pluraliteitsleer). Een eenduidig antwoord hierop is in onze wetgeving niet gegeven.
Voor beide benaderingen zijn er aanknopingspunten in de wettelijke regeling. De tekst van art. 6:6 lid 2 BW wijst op de uniteitsleer vanwege de hoofdelijke verbondenheid ten aanzien van eenzelfde schuld, terwijl de tekst van art. 6:102 BW de pluraliteitsleer lijkt te indiceren vanwege het feit dat aansprakelijkheid voor eenzelfde schade nog niet inhoudt aansprakelijkheid voor dezelfde schuld. In de doctrine wordt er ook verdeeld over gedacht. Van Boom1 is van oordeel dat het gebrek aan eenduidigheid op zich reeds voldoende grond is om aan te nemen dat nooit sprake kan zijn van een werkelijke uniteit. Hij merkt tevens op dat de uniteitsleer in ieder geval niet de heersende leer is geworden. In Asser/Hartkamp & Sieburgh laten de auteurs weten het meest voor de pluraliteitsleer te voelen.2 Zij wijzen er (onder verwijzing naar de parlementaire geschiedenis) op dat de wet ervan uitgaat dat de vorderingsrechten van de schuldeiser tegen de schuldenaren zelfstandig zijn, tenzij uit de wet het tegendeel voortvloeit.3 Zij noemen ter ondersteuning van hun voorkeur het feit dat de schuldeiser over elk van de vorderingsrechten afzonderlijk kan beschikken door een overdracht of door een afstand om baat of om niet. Andere argumenten zijn de omstandigheid dat het verzuim van de ene schuldenaar niet het verzuim van de andere schuldenaar inhoudt, dat een schuldenaar zich niet kan beroepen op verweermiddelen die enkel een medeschuldenaar betreffen en dat de vorderingen op verschillende tijdstippen kunnen verjaren.4
Hijma merkt op dat de wet niet voorziet in een antwoord op de vraag of bij hoofdelijkheid één verbintenis bestaat met meer schuldenaren of zoveel verbintenissen als er schuldenaren zijn.5 De auteur stelt zich op het standpunt dat de wetgever heeft geopteerd voor een tussenoplossing waarbij de zelfstandigheid van de rechtsbetrekkingen in het geval van hoofdelijkheid centraal staat6 en noemt ter onderbouwing van zijn benadering dat de schuldeiser zijn vordering op één van de debiteuren aan een derde kan overdragen (cederen) en dat de verweermiddelen van één debiteur niet tevens voor zijn mededebiteuren gelden. Hijma merkt voorts op dat ondanks het zelfstandige karakter van de hoofdelijke rechtsverhouding in Afdeling 2 van Titel 1 Boek 6 BW evenwel een aantal koppelingen tussen schuldeisers en hoofdelijke schuldenaren (externe relatie) en hoofdelijke schuldenaren onderling (interne relatie) is opgenomen. Asser/Hartkamp & Sieburgh benadrukken dat ongeacht de duiding van hoofdelijkheid (één verbintenis met verschillende schuldenaren of evenveel verbintenissen als schuldenaren) het uitgangspunt van hoofdelijkheid altijd blijft dat alle schuldenaren verplicht zijn tot dezelfde prestatie.7