Einde inhoudsopgave
Eigendomsvoorbehoud (Rechtswetenschappelijke publicaties) 2018/8.5.2
8.5.2 Beperkte rechten die rusten op het eigendomsrecht onder ontbindende voorwaarde
E.F. Verheul, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
E.F. Verheul
- JCDI
JCDI:ADS396151:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Molenaar 1985, p. 24.
Zie ook M.v.A. II Inv., Parl. Gesch. Boek 3 BW (Inv. 3, 5 en 6), p. 1238: ‘Dit ligt in de voorwaardelijke aard van het recht van de verkrijger opgesloten.’ Zie ook de vergelijkbare problematiek rond splitsing van rechten T.E. Booms, ‘Gevolgen van kwantitatieve splitsing van goederen voor beperkte rechten’, NTBR 2016, p. 306.
Vgl. Reehuis 2013, nr. 60 die opmerkt dat de koper ‘een voorwaardelijke bescherming door art. 3:86 lid 2 BW geniet, welke bescherming onvoorwaardelijk wordt op het moment dat hij [de verkoper] betaalt en welke bescherming komt te vervallen indien hij met de betaling in gebreke blijft.’
Bakels 1984, p. 481. Zo ook Mezas 1985, p. 43 en Pitlo/Reehuis & Heisterkamp 2012, nr. 172.
Zie V.V. II Inv., Parl. Gesch. Boek 3 BW (Inv. 3, 5 en 6), p. 1213 en M.v.A. II Inv., Parl. Gesch. Boek 3 BW (Inv. 3, 5 en 6), p. 1216.
Om die reden is de kritiek van Stolz 2015, p. 1074-1075 dat de bepaling een te beperkt toepassingsbereik heeft – nl. alleen m.b.t. beperkte rechten – ook onjuist. De bescherming in overige gevallen ligt reeds besloten in de verwijzing naar art. 3:91 BW in art. 3:86 lid 1 BW. Zie overigens ook M.v.A. II Inv., Parl. Gesch. Boek 3 BW (Inv. 3, 5 en 6), p. 1238 waar enerzijds wordt opgemerkt dat Bakels op een dwaalspoor is geraakt maar anderzijds wordt opgemerkt dat een verduidelijking zal worden aangebracht in art. 3:86 lid 2 BW.
Vgl. ook de notitie van W. Snijders d.d. 1 oktober 1984 n.a.v. het artikel van Bakels (te raadplegen in het Nationaal Archief te Den Haag via archiefinventarisnummer 2.09.75 en inventarisnummer 288), waarin nog ten aanzien van de oorspronkelijke versie van art. 3:86 lid 2 BW wordt opgemerkt: ‘Het beperkte recht vervalt, ook naar de letter van art. 3.4.2.3a lid 2 [=art. 3:86 lid 2 BW; toevoeging EFV], alleen voor zover er door de levering overdracht plaats vindt d.w.z. aanvankelijk alleen voor wat betreft het recht onder opschortende voorwaarde van de verkrijger te goeder trouw.’
Zo ook Molenaar 1985, p. 24. Merkwaardig genoeg komt Bakels 1984, p. 481-482 ook tot deze conclusie voor het geval dat de wetgever, zoals door hem als oplossing bepleit, art. 3:91 BW zou schrappen. In een dergelijk geval zou volgens Bakels de levering door bezitsverschaffing kunnen geschieden en zou de koper terstond een voorwaardelijk eigendomsrecht krijgen door de werking van art. 3:84 lid 4 BW. Gedurende periode van onzekerheid zou de pandhouder ten opzichte van de koper geen beroep kunnen doen op diens pandrecht, maar ten opzichte van de verkoper wel. Wanneer de koper nu in gebreke zou blijven met betaling, zou dit volgens Bakels tot gevolg hebben dat zijn eigendomsrecht vervalt, als gevolg waarvan het eigendomsrecht van de verkoper weer onvoorwaardelijk zou worden en waardoor ook het pandrecht weer een onvoorwaardelijk eigendomsrecht tot object heeft. Precies deze systematiek volgt echter, zoals in de hoofdtekst wordt betoogd, reeds, ook zonder de slotzinsnede van art. 3:86 lid 2 BW, uit het samenspel van artikel 3:84 lid 4, 3:86 en 3:91 BW. Waarom het verschil in leveringshandeling (machtsverschaffing versus bezitsverschaffing) hier een verschil zou maken, maakt Bakels niet duidelijk. Art. 3:91 vormt voor deze oplossing in het geheel geen moeilijkheid, dat aanleiding zou kunnen vormen voor schrapping, afgezien van het feit dat de levering, bij gebreke van art. 3:91 BW, niet door bezitsverschaffing zou kunnen geschieden. Zie daarover reeds hoofdstuk 4, paragraaf 4.8.
Een bijzonder geval van de in de vorige subparagraaf besproken problematiek doet zich voor indien op de verkochte zaak een beperkt recht rust, dat de koper kent noch behoort te kennen. De bijzonderheid van dit geval is gelegen in het feit dat artikel 3:86 lid 2 BW uitdrukkelijk bepaalt dat een op de zaak rustend beperkt recht in het geval van overdracht overeenkomstig artikel 3:91 BW vervalt onder dezelfde opschortende voorwaarde als waaronder geleverd is. De problematiek zal hier worden behandeld toegespitst op de situatie dat op de verkochte zaak een pandrecht rust. Uit lid 2 van artikel 3:86 BW lijkt te moeten worden afgeleid dat het pandrecht pas vervalt op het moment van vervulling van de voorwaarde. De pandhouder kan dientengevolge gedurende de periode van onzekerheid nog altijd overgaan tot executie, indien hij daartoe in de verhouding tot de pandgever bevoegd is. Ook dan rijst de vraag of de pandhouder de zaak van de koper kan opvorderen.
Het antwoord op die vraag moet mijns inziens ontkennend worden beantwoord gelet op hetgeen in de vorige subparagraaf met betrekking tot de werking van artikel 3:86 BW bij een voorwaardelijke overdracht is opgemerkt. Uit het feit dat de koper onder eigendomsvoorbehoud in die zin wordt beschermd dat hem de rechtspositie wordt verleend die hij zou hebben als hij van een beschikkingsbevoegde zou hebben verkregen, volgt dat hij zijn voorwaardelijk eigendomsrecht reeds voor vervulling van de voorwaarde kan tegenwerpen aan degene wiens recht tenietgaat door derdenbescherming op het moment dat de voorwaarde in vervulling gaat.1 Dat geldt ook voor op de verkochte zaak rustende beperkte rechten. Als de koper zijn voorwaardelijk eigendomsrecht in geval van volledige beschikkingsonbevoegdheid van de verkoper kan tegenwerpen aan de werkelijke eigenaar, moet hetzelfde gelden voor het geval dat de beschikkingsonbevoegdheid van de verkoper voortvloeit uit het feit dat op de verkochte zaak een beperkt recht rust.
Dit volgt bovendien uit de splitsing van het eigendomsrecht als gevolg van de voorwaardelijke beschikking.2 Indien ter uitvoering van de koopovereenkomst een levering op de voet van artikel 3:91 BW plaatsvindt, komt terstond de voorwaardelijke overdracht tot stand, op grond waarvan de koper ingevolge artikel 3:84 lid 4 BW een eigendomsrecht onder opschortende voorwaarde verkrijgt. Indien de koper ten aanzien van het bestaan van het pandrecht te goeder trouw is, verkrijgt hij een onbezwaard eigendomsrecht onder opschortende voor waarde. Het pandrecht rust na de voorwaardelijke overdracht derhalve nog enkel op het eigendomsrecht onder ontbindende voorwaarde van de verkoper. Na de overdracht onder opschortende voorwaarde kan de pandhouder dus nog slechts het eigendomsrecht onder ontbindende voorwaarde executeren. Aangezien de koper op grond van artikel 3:86 BW terstond een onbezwaard eigendomsrecht onder opschortende voorwaarde verkrijgt, dat hem de positie verschaft alsof hij van een (volledig) beschikkingsbevoegde zou hebben verkregen, kan de koper dit eigendomsrecht onder opschortende voorwaarde tegenwerpen aan de rechthebbende van een pandrecht op het eigendomsrecht onder ontbindende voorwaarde. De pandhouder kan de zaak derhalve niet opvorderen van de koper en kan slechts het eigendomsrecht onder ontbindende voorwaarde executeren, terwijl de zaak zich nog bij de koper bevindt.3
De slotzinsnede van artikel 3:86 lid 2 BW wekt daarentegen de indruk dat dit pandrecht vooralsnog óók op het eigendomsrecht onder opschortende voorwaarde rust, en pas vervalt op het moment dat de voorwaarde in vervulling gaat. Uit het voorgaande volgt echter dat dit niet het geval is, terwijl de wetgever een dergelijk rechtsgevolg evenmin heeft beoogd met het opnemen van de slotzinsnede. Zij werd opgenomen naar aanleiding van een betoog van Bakels waarin hij het in deze subparagraaf aan de orde zijnde geval behandelde. Volgens hem zou het ongerijmd zijn wanneer het pandrecht door machtsverschaffing zou vervallen, omdat dit tot gevolg zou kunnen hebben dat, wanneer de koper in gebreke blijft met betaling van de verschuldigde prestatie, de verkoper onder eigendomsvoorbehoud de zaak zou kunnen revindiceren in onbezwaarde staat.4 Naar aanleiding daarvan heeft de wetgever bepaald dat het pandrecht pas vervalt op het moment dat de voorwaarde in vervulling gaat.5 Daarmee is de bepaling zowel overbodig als misleidend, omdat het door Bakels gesignaleerde probleem niet bestaat.6 Het pandrecht blijft vooralsnog immers rusten op het eigendomsrecht onder ontbindende voorwaarde.7 Indien de koper de koopprijs niet betaalt, vervalt diens (onbezwaarde) eigendomsrecht onder opschortende voorwaarde en groeit het eigendomsrecht onder ontbindende voorwaarde van de verkoper weer uit tot een onvoorwaardelijk eigendomsrecht en heeft ook het pandrecht weer het onvoorwaardelijke eigendomsrecht tot voorwerp.8