Einde inhoudsopgave
Wijziging van beperkte rechten (O&R nr. 123) 2021/4.3.10
4.3.10 Drie of meer beperkte rechten
mr. K. Everaars, datum 01-12-2020
- Datum
01-12-2020
- Auteur
mr. K. Everaars
- JCDI
JCDI:ADS254061:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Rechtshandelingen
Goederenrecht / Eigendom, bezit en houderschap
Vermogensrecht / Rechtsvorderingen
Goederenrecht / Genotsrechten
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Voetnoten
Voetnoten
Zie Schmidt, in: Erman Handkommentar BGB, §1208 2017, Schmidt, in: Erman Handkommentar BGB, §1208 2017, aant. 7; Habersack, in: Soergel Kommentar BGB, §1208 2002, aant. 7; Wiegand, in: Staudingers Kommentar BGB, §1208 2019, aant. 6 en Damrau, in: Münchener Kommentar BGB, §1208 2020, aant. 4.
Habersack, in: Soergel Kommentar BGB, §1208 2002, aant. 7 en Wiegand, in: Staudingers Kommentar BGB, §1208 2019, aant. 6.
Habersack, in: Soergel Kommentar BGB, §1208 2002, aant. 7 en Wiegand, in: Staudingers Kommentar BGB, §1208 2019, aant. 6.
Habersack, in: Soergel Kommentar BGB, §1208 2002, aant. 7.
Habersack, in: Soergel Kommentar BGB, §1208 2002, aant. 7 en Wiegand, in: Staudingers Kommentar BGB, §1208 2019, aant. 6.
Vgl. Damrau, in: Münchener Kommentar BGB, §1208 2020, aant. 4.
Damrau, in: Münchener Kommentar BGB, §1208 2020, aant. 4.
Habersack, in: Soergel Kommentar BGB, §1208 2002, aant. 7; Wiegand, in: Staudingers Kommentar BGB, §1208 2019, aant. 6 en Damrau, in: Münchener Kommentar BGB, §1208 2020, aant. 4.
Damrau, in: Münchener Kommentar BGB, §1208 2020, aant. 4.
Damrau, in: Münchener Kommentar BGB, §1208 2020, aant. 4.
541. In de voorgaande paragrafen ging het telkens om de situatie dat de rechthebbende van een tweederangs beperkt recht al dan niet te goeder trouw was met betrekking tot het bestaan van het eersterangs beperkte recht. Uiteraard is ook denkbaar dat meerdere beperkte rechten op een art. 3:238 BW-goed rusten. Ik geef twee voorbeelden die in de Duitse literatuur aandacht hebben gekregen.1
542. Stel dat pandgever X eerst ten behoeve van A en B vuistloze pandrechten die gelijk in rang zijn vestigt en vervolgens ten behoeve van C vuistloze pandrechten. Op het moment van omzetting van de vuistloze pandrechten van C in vuistpandrechten, is hij bekend met ofwel het pandrecht van A ofwel het pandrecht van B.2 Als C weet van het bestaan van ofwel het recht van A ofwel het recht van B, maar te goeder trouw is met betrekking tot het bestaan van het andere recht, moet volgens de Duitse literatuur C worden behandeld alsof zijn recht alleen voorgaat bij het recht dat hij niet kent.3 Er ontstaat een relatieve rangorde, omdat de rangorde tussen de rechten van A en B niet wordt aangetast.4 Dat betekent concreet dat als de netto-opbrengst 100 is en alle pandhouders hebben 50 te vorderen, pandhouder C 50 krijgt en pandhouder A en B de overige 50 moeten delen.5 Stel dat C het recht van B niet kent, maar het recht van A wel. C komt door de rangwijziging gelijk in rang met het recht van A. Dat levert zowel C als A 50 op, maar omdat het beperkte recht van A nog steeds gelijk in rang is met het recht van B in die verhouding, zal A zijn 50 moeten delen met B. Naar Nederlands recht moet mijns inziens hetzelfde worden aangenomen.
543. Stel dat pandgever X eerst ten behoeve van A, daarna ten behoeve van B en vervolgens ten behoeve van C een vuistloos pandrecht vestigt. Op het moment van omzetting van het vuistloze pandrecht van C in een vuistpandrecht, is hij bekend met beide pandrechten. Aan C komt geen bescherming toe op grond van art. 3:238 lid 2 BW. Als C op het moment van omzetting niet bekend is met het pandrecht van A en niet met het pandrecht van B (en dat ook niet behoorde te zijn), komt hem bescherming toe op grond van art. 3:238 lid 2 BW. Dat betekent dat C opschuift naar de eerste plek. Als C op het moment van omzetting niet bekend is (en ook niet bekend hoort te zijn) met het pandrecht van B, maar wel bekend is met het pandrecht van A, komt C ten opzichte van B bescherming toe op grond van art. 3:238 lid 2 BW. C schuift op naar de tweede plek.6
544. De situatie wordt ingewikkelder als C weet van het bestaan van het pandrecht van B, maar niet weet (en ook niet behoort te weten) van het bestaan van het pandrecht van A. Als C weet van het bestaan van het pandrecht van B, maar niet van het pandrecht van A, moet volgens de Duitse literatuur C worden behandeld alsof zijn recht alleen voorgaat bij het recht dat hij niet kent. Het mag niet betekenen dat de rangorde als volgt wordt: B op de eerste plek, C op de tweede plek en A op de derde plek.7 Volgens de Duitse literatuur blijft de rangorde tussen de rechten van A en B bestaan.8 Dat betekent dat A een eerste rang heeft ten opzichte van het tweederangs pandrecht van B. Het pandrecht van C wordt ‘zodanig in de keten ingebracht’ dat zijn recht qua omvang voorgaat op het recht dat hij niet kent, maar niet op het recht dat hij wel kent.9 Stel dat zowel A als B een vordering van 300 hebben en C een vordering van 100. Bij de verdeling van de netto-opbrengst moet C 300 van de opbrengst voor laten gaan.10 Als de opbrengst 300 is, krijgt A dit bedrag. Als de opbrengst 500 is, krijgt C 100. Naar Nederlands recht moet mijns inziens hetzelfde worden aangenomen. Onduidelijk is hoe de overige 400 moet worden verdeeld. Ofwel A krijgt 300 en B krijgt 100, omdat in hun relatie de oorspronkelijke rang blijft behouden. Ofwel A krijgt 200 en B krijgt 200, omdat B niet in een slechtere positie mag komen te verkeren. Mijn voorkeur gaat voor het Nederlands recht uit naar de tweede oplossing.