De grondwetsherzieningsprocedure
Einde inhoudsopgave
De grondwetsherzieningsprocedure (SteR nr. 52) 2021/I.3.6:I.3.6 De ontbindingspraktijk op grond van artikel 137 lid 3 Gw
De grondwetsherzieningsprocedure (SteR nr. 52) 2021/I.3.6
I.3.6 De ontbindingspraktijk op grond van artikel 137 lid 3 Gw
Documentgegevens:
T. van Gennip, datum 01-08-2021
- Datum
01-08-2021
- Auteur
T. van Gennip
- JCDI
JCDI:ADS284976:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Nadat de verklaringswet is bekrachtigd en gepubliceerd, is de volgende stap dat de Tweede Kamer moet worden ontbonden (zie 137 lid 3 Gw). De verplichting tot de ontbinding is dus gekoppeld aan de publicatie van de verklaringswet (en niet aan de bekrachtiging). De bevoegdheid om de kamers te ontbinden ligt bij de regering op grond van artikel 64 lid 1 Gw. Na publicatie van een verklaringswet heeft de regering sinds 1848 altijd een ontbindingsbesluit genomen. Tot de grondwetsherziening van 1995 diende ook de Eerste Kamer ontbonden te worden.
Op basis van de Grondwet bestaan sinds 1848 twee varianten: de politieke ontbinding en de ontbinding in het kader van de grondwetsherzieningsprocedure. Overigens expliciteert de Grondwet deze varianten niet. In de loop der tijd is de ontbinding in een andere context komen te staan.
I.3.6.1 Een nieuw kiesstelsel na 1887I.3.6.2 Een nieuw kiesstelsel na 1917I.3.6.3 De ontbindingspraktijk voorafgaand aan 1917I.3.6.4 OntbindingsverkiezingenI.3.6.5 Het moment van kandidaatstellingI.3.6.6 Schrapping ontbinding Eerste Kamer