Einde inhoudsopgave
Raad zonder raadgevers? (SteR nr. 42) 2018/4.3.2.1.2.2
4.3.2.1.2.2 Subsidieverlening
drs. J.W.M.M.J. Hessels, datum 01-03-2018
- Datum
01-03-2018
- Auteur
drs. J.W.M.M.J. Hessels
- JCDI
JCDI:ADS581544:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen / Algemeen
Bestuursprocesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Artikel 3 van de Model-algemene subsidieverordening 2013 van de VNG luidt: ‘Burgemeester en wethouders stellen bij nadere regeling (hierna te noemen: subsidieregeling) vast welke activiteiten in aanmerking kunnen komen voor subsidie. Voor zover van toepassing, wordt hierin tevens bepaald welke doelgroepen voor subsidie in aanmerking komen, hoe de subsidie wordt berekend en hoe de subsidiebedragen worden uitbetaald.’
‘Artikel 11. Reserve 1. De raad reserveert het in enig jaar niet gebruikte gedeelte van de bijdrage toekomend aan een fractie ter besteding door die fractie in volgende jaren. 2. De reserve is niet groter dan 30% van de bijdrage die de fractie in het voorgaande kalenderjaar toekwam op grond van artikel 8. 3. Het beroep in enig jaar op de opgebouwde reserve, komt tot uitdrukking in de verrekening over dat jaar. Bevoorschotting vindt desgevraagd plaats. 4. De reserve blijft na verkiezingen beschikbaar voor de fractie die onder dezelfde naam terugkeert, dan wel voor de fractie die naar het oordeel van de raad als rechtsopvolger daarvan kan worden beschouwd.’
Den Ouden, Jacobs & Verheij, 2011, p. 61.
Artikel 4:44 lid 1 onder b: de vaststellingsbeschikking dient na afloop van de activiteiten of het tijdvak waarvoor de subsidie is verleend te worden aangevraagd, tenzij ‘bij wettelijk voorschrift of bij de subsidieverlening is bepaald dat de aanvraag wordt ingediend telkens na afloop van een gedeelte van het tijdvak waarvoor de subsidie is verleend’
Artikel 4:57 lid 3 Awb: ‘Het bestuursorgaan kan het terug te vorderen bedrag verrekenen met een aan dezelfde subsidie-ontvanger voor dezelfde activiteiten verstrekte subsidie voor een ander tijdvak.’
Omdat de voorwaarden voor het verkrijgen van fractieondersteuning in de VNG-modelverordening ambtelijke bijstand en fractieondersteuning zeer summier zijn (het als fractie – zoals bepaald in het desbetreffende reglement van orde – deel uitmaken van de gemeenteraad), is de subsidieverlening ook relatief eenvoudig. Van belang is wel dat de beslissing over de beschikking tot subsidieverlening door het betreffende bestuursorgaan genomen moet worden.
In de gebruikelijke subsidieverordening1 van gemeenten, stelt de gemeenteraad de algemene subsidiekaders vast en wordt de uitvoering van de subsidieverordening – inclusief de subsidieverlening en -vaststelling aan individuele aanvragers – gedelegeerd aan het college van B&W. In het geval van de fractieondersteuning zou deze werkwijze geheel voorbijgaan aan de uitgangspunten van het dualisme. Het kan immers niet zo zijn dat het college beslist over subsidieaanvragen van raadsfracties, juist bedoeld om deze fracties inhoudelijk te versterken in het bieden van weerwoord aan het college. Het ligt dus voor de hand de subsidieverlening en -vaststelling voor deze specifieke subsidie uit te zonderen van de vaste delegatie conform de subsidieverordening. Dit kan door een specifieke uitzondering voor subsidieverlening op grond van het tweede lid van artikel 33 van de Gemeentewet juncto artikel 6 van de modelverordening ambtelijke bijstand en fractieondersteuning in de algemene subsidieverordening van de gemeente op te nemen.
Een complicerende factor bij het vaststellen van een subsidieverleningsbeschikking, die in overeenstemming is met de modelverordening ambtelijke bijstand en fractieondersteuning, is de bepaling in artikel 11 van de modelverordening,2 die spreekt over de vorming van een reserve indien een fractie in een bepaald jaar het haar toegekende budget niet verbruikt. Artikel 4:72 van de Algemene wet bestuursrecht kent weliswaar de mogelijkheid van het instellen van een ‘egalisatiereserve’, maar de vraag is of de voorwaarden, die daarbij gesteld worden, passend zijn voor het opvangen van de bepalingen in artikel 11 van de modelverordening.
Een andere mogelijkheid, die de Algemene wet bestuursrecht biedt om subsidiebedragen te laten variëren gedurende de periode van de verleende subsidie, is het toekennen van de subsidie voor een bepaald tijdvak in plaats van voor een bepaalde activiteit. Artikel 4:29 van de Algemene wet bestuursrecht staat dit impliciet toe3. Bovendien zou de subsidie voor de zittingsduur van de gemeenteraad kunnen worden verleend, maar ieder tussenliggend jaar – op basis van de dan ingediende bescheiden door de fracties – worden vastgesteld (conform artikel 4:44, eerste lid, onder b4). Uiteindelijk kan verrekening plaatsvinden op basis van het derde lid van artikel 4:57 van de Algemene wet bestuursrecht.5
Problematischer is de vertaling van het tweede en vierde lid van artikel 11 van de modelverordening naar de bepalingen van titel 4.2 van de Algemene wet bestuursrecht. Het tweede lid spreekt immers van een maximale omvang (30% van de bijdrage die de fractie in het voorgaande kalenderjaar toekwam) van de reserve en het vierde lid zegt:
‘De reserve blijft na verkiezingen beschikbaar voor de fractie die onder dezelfde naam terugkeert, dan wel voor de fractie die naar het oordeel van de raad als rechtsopvolger daarvan kan worden beschouwd.’
Het lijkt beter werkbaar om de 30%-beperking te schrappen en de subsidieverlening per raadsperiode af te ronden en te verrekenen.
Overigens is de in artikel 8, eerste lid, van de modelverordening genoemde voorschotrekening prima in overeenstemming te brengen met artikel 4:95 Awb. De verrekening van de bevoorschotting met eventuele tekorten uit voorafgaande jaren – zoals vermeld in artikel 8, tweede lid, zou beter kunnen worden opgevangen door de hierboven geschetste subsidieverlening over de gehele zittingsperiode met jaarlijkse subsidievaststelling.