Einde inhoudsopgave
De Europese Executoriale Titel (BPP nr. III) 2005/5.1
5.1 Voorgeschiedenis en doelstelling van de EET-regeling
Mr. M. Zilinsky, datum 02-03-2005
- Datum
02-03-2005
- Auteur
Mr. M. Zilinsky
- JCDI
JCDI:ADS373466:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Verordening (EG) nr. 805/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 21 april 2004 tot invoering van een Europese executoriale titel voor niet-betwiste schuldvorderingen, Pb EU L 143 van 30 april 2004, p. 15 (hierna: EET-Vo). Zie over deze verordening: Th. Rauscher, 'Die erste Seite', RIW11/2004 (Europäischer Vollstreckungstitel für unbestrittene Forderungen); Th. Rauscher, Der Europäische Vollstreckungstitel für unbestrittene Forderungen, GPR Praxis Schriften zum Gemeinschaftsprivatrecht, München: Sellier European Law Publishers 2004; A. Stadler, 'Kritische Anmerkungen zum Europäischen Vollstreckungstitel', RIW 2004, p. 801-808.
Nu de EET-regeling gebaseerd is op Titel IV EG, is de regeling niet van toepassing op beslissingen, gerechtelijke schikkingen en authentieke akten uit Denemarken (art. 2 lid 3 EET-Vo).
Zie art. 5 EET-Vo. Vgl. ook A. Stein, IPRax 2004, p. 183.
Vgl. art. 1 EET-Vo. Zie ook nr. 10 tot en met 12 van de Considerans bij de EET-Verordening.
Voorstel voor een verordening van de Raad tot invoering van een Europese executoriale titel voor nietbetwiste schuldvorderingen, COM (2002) 159 def. Zie ook Pb EG C 203 E van 27 augustus 2002, p. 86. Zie over dit voorstel: M. Zilinsky, 'Grensoverschrijdende tenuitvoerlegging van vonnissen zonder hindernissen', WPNR 6497 (2002), p. 505-506; GJ.W. Steenhoff, 'De notaris en de 'Europese executoriale titel'', JBN 2003, 55; C. Baker, 'Le titre exécutoire européen, Une avancée pour la libre circulation des décisions?', La Semaine Juridique Édition Generale 2003, p. 985-991; A. Stadler, 'Das Europäische Zivilprozessrecht — Wie viel Beschleunigung verträgt Europa?', IPRax 2004, p. 2-11; R. Hüßtege, 'Der europäische Vollstreckungstitel', in: P. Gottwald (Hrsg.), Perspektiven der justiziellen Zusamenarbeit in Zivilsachen in de Europäischen Union, Veröffentlichungen der Wissenschaftlichen Vereinigung für Internationales Verfahrensrecht e.V., Band 15, Bielefeld: GiesekingVerlag 2004, p. 113-138.
Advies van het ECOSOC over het voorstel voor een EET-Verordening, Pb EU C 85 van 8 april 2003, p. 1-7; Europees Parlement, Verslag over het voorstel voor een EET-Verordening, A5-010812003, 26 maart 2003.
Gewijzigd voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot invoering van een Europese executoriale titel voor niet-betwiste schuldvorderingen, COM (2003) 341 def. Zie kritisch over dit voorstel: Chr. Kohler, 'Die erste Seite', RIW1012003 (Quantensprung im europäischen Justizraum). Zie ook K. Hüßtege, 'Braucht die Verordnung über dem europäischen Vollstreckungstitel eine ordre-public-Klausel?', in: H.-P. Mansel, Th. Pfeiffer, H. Kronke, Chr. Kohler, R. Hausmann, Festschrift für Erik Jayme, Band 1, München: Sellier European Law Publishers 2002, p. 371-385.
Trb. 2001, 47. Het verdrag is op 1 februari 2003 in werking getreden (Trb. 2003, 27).
Vgl. Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad, Gevolgen van de inwerkingtreding van het Verdrag van Nice voor de bestaande wetgevingsprocedures, COM (2003) 61 def. Zie ook paragraaf 23.
Het Gemeenschappelijk Standpunt (EG) nr. 19/2004 vastgesteld door de Raad op 6 februari 2004 met het oog op de aanneming van een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot invoering van een Europese executoriale titel voor niet-betwiste schuldvorderingen, Pb EU C 79 E van 30 maart 2004, p. 59. Zie voor de motivering bij het gemeenschappelijk standpunt COM (2004) 90 def. Zie ook A. Stein, 'Der Europäische Vollstreckungstitel für unbestrittene Forderungen tritt in Kraft — Aufruf zu einer nüchternen Betrachtung', IPRax 2004, p. 181-191.
Europees Parlement, Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement betreffende het gemeenschappelijk standpunt, door de Raad vastgesteld met het oog op de aanneming van de verordening van het Europees Parlement en de Raad tot invoering van een Europese executoriale titel voor niet-betwiste schuldvorderingen, A5-01872004,30 maart 2004.
Vgl. art. 68 lid 1 jo. art. 234 EG. Zie ook paragraaf 2.3.
In dit hoofdstuk staat de EET-Verordening1 centraal. Na een beschrijving van de verordening zal aandacht worden besteed aan de praktische consequenties van de verordening.
Het doel van de EET-Verordening is een regeling in het leven te roepen die op een bepaald terrein het vrije verkeer van rechterlijke beslissingen, gerechtelijke schikkingen en authentieke akten in alle lidstaten mogelijk maakt.2 Dit vrije verkeer dient door het afschaffen van de exequaturprocedure in de lidstaat van tenuitvoerlegging te worden bewerkstelligd.3 De afschaffing van deze procedure wordt mogelijk gemaakt door het vaststellen van bepaalde minimumnormen teneinde het recht van de schuldenaar op een 'fair trial' te garanderen.4 De waarmerking van een rechterlijke beslissing, gerechtelijke schikking of een authentieke akte als een EET leidt tot een gelijkstelling daarvan met een beslissing, gerechtelijke schikking of een authentieke akte in de lidstaat van tenuitvoerlegging. Als uitgangspunt geldt dat de regeling onder bepaalde voorwaarden een vereenvoudiging en versoepeling ten opzichte van de EEX-Verordening tot stand moet brengen. Er is geen verplichting om dwingend gebruik te maken van deze regeling. De EET-regeling is een alternatief naast de regeling voor de erkenning en tenuitvoerlegging in de EEX-Verordening.
Het eerste officiële voorstel voor de EET-Verordening is door de Europese Commissie op 18 april 2002 bekendgemaakt.5 Dit voorstel is overeenkomstig de op dat moment geldende procedure aan het Europees Parlement en aan het Economisch-Sociaal Comité (ECOSOC) ter advisering aangeboden. Nadat het Parlement en het ECOSOC een advies hebben uitgebracht6, is door de Europese Commissie op 11 juni 2003 een herzien voorstel bekendgemaakt, waarin gedeeltelijk de opmerkingen van het Parlement en het ECOSOC zijn verwerkt7 De belangrijkste wijziging is de wijziging van de procedurele grondslag die haar oorsprong in de inwerkingtreding van het Verdrag van Nice vindt.8 Gezien het feit dat het voorstel gebaseerd is op art. 65 EG, moet bij de totstandbrenging niet de raadplegingsprocedure worden gevolgd, maar de medebeslissingsprocedure.9 In verband met de toepasselijkheid van deze procedure heeft de Raad een gemeenschappelijk standpunt met het oog op de aanneming van een verordening uitgebracht dat aan het Parlement is aangeboden.10 Het Parlement heeft het gemeenschappelijk standpunt zonder amendement aangenomen.11
Nu de EET-Verordening op Titel IV EG gebaseerd is, is het HvJ EG bevoegd om kennis te nemen van prejudiciële vragen over deze verordening. De rechtsgrondslag van deze verordening (art. 61 onder c EG) brengt met zich mee dat de vragen van uitleg slechts gesteld kunnen worden door de rechterlijke instanties waarvan de beslissingen volgens het nationale recht niet vatbaar zijn voor hoger beroep.12