Einde inhoudsopgave
De Europese Executoriale Titel (BPP nr. III) 2005/5.12
5.12 EET en rechtsmiddel tegen de beslissing zelf
Mr. M. Zilinsky, datum 02-03-2005
- Datum
02-03-2005
- Auteur
Mr. M. Zilinsky
- JCDI
JCDI:ADS375845:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Indien de schuldeiser reeds in een andere lidstaat op basis van de EET met de executie van de beslissing is begonnen en de schuldenaar niet om een zekerheidstelling heeft verzocht, zal de schuldenaar/geëxecuteerde de schuldeiser executant tot vergoeding van de schade ontstaan door onrechtmatige executie aansprakelijk kunnen stellen.
Zie ook Rauscher (2004), p. 33. Stein wijst erop dat de opstellers van de EET-Verordening hebben willen voorkomen dat indien tegen een met een EET gewaarmerkte verstekbeslissing een rechtsmiddel wordt ingesteld, de schuldenaar reeds hierdoor de beslissing aan het toepassingsgebied van de EET-Verordening zou kunnen onttrekken. A. Stein, IPRax 2004, p. 187 (i.h.b. nt. 46).
Vgl. art. 6 lid 1 jo. art. 4 onder 6 EET-Vo. Zie eveneens paragraaf 5.43.
Art. 11 bepaalt dat de EET alleen gevolg heeft binnen de grenzen van de uitvoerbaarheid van de beslissing. Gezien het feit dat ook rechterlijke beslissingen die nog niet in kracht van gewijsde zijn gegaan, met een EET gewaarmerkt kunnen worden, rijst de vraag of de EET zijn volle werking behoudt ook nadat tegen de EET-gewaarmerkte beslissing een rechtsmiddel is aangewend. Heeft het instellen van een rechtsmiddel tegen de beslissing in de lidstaat van herkomst wel schorsende werking voor de uitvoerbaarheid, dan verliest de EET ingevolge art. 11 ook zijn werking. Indien het instellen van het rechtsmiddel geen schorsende werking heeft, kan de schuldenaar op grond van art. 23, nadat hij een rechtsmiddel in de lidstaat van herkomst heeft ingesteld, de rechter in de lidstaat van tenuitvoerlegging verzoeken om de tenuitvoerlegging van de EET-gewaarmerkte beslissing slechts tot bewarende maatregelen te beperken dan wel de tenuitvoerlegging slechts onder zekerheidstelling toe te staan.
De EET vervalt automatisch in het geval dat de rechter in de lidstaat van herkomst in de procedure op het rechtsmiddel de EET-gewaarmerkte beslissing vernietigt.1 Indien deze rechter de beslissing wijzigt, biedt de EET-verordening in art. 6 lid 3 en art. 12 lid 2 de mogelijkheid om een beslissing gegeven in de procedure op een rechtsmiddel met een EET te waarmerken. Hierbij moeten drie situaties worden onderscheiden.
Ten eerste, de situatie waarbij in de eerste fase een verstekbeslissing is gewezen die met een EET is gewaarmerkt. Wordt de beslissing in de procedure op een door de schuldenaar ingesteld rechtsmiddel gewijzigd of bevestigd, dan kan een nieuwe vervangende EET ingevolge art. 6 lid 3 EET-Vo op verzoek worden verleend. Dit betekent dat de EET-verlening ten aanzien van de oorspronkelijke beslissing geen gelding heeft voor de beslissing die in de procedure op het rechtsmiddel wordt gegeven. De door art. 6 lid 3 EET-Vo geboden mogelijkheid om een EET op een beslissing op een rechtsmiddel te verlenen is opmerkelijk, nu bij de EET-waarmerking de niet-betwisting van de vordering als één van de voorwaarden voor de verlening geldt. Ingeval een rechtsmiddel door de schuldenaar tegen een EET-gewaarmerkte beslissing wordt ingesteld, is mijns inziens geen sprake meer van een niet-betwiste schuldvordering. Een EET zou derhalve niet meer mogen worden verleend.2 De EET kan op de beslissing gegeven in de procedure op het door de schuldenaar ingestelde rechtsmiddel niet worden verleend, wanneer de verstekbeslissing niet met een EET is gewaarmerkt. De beslissing in de procedure op het rechtsmiddel is immers een beslissing uit een contradictoire procedure. Art. 6 lid 3 EET-Vo is niet van toepassing.
Ten tweede, de - mijns inziens uitzonderlijke3 - situatie dat in de eerste fase een verstekbeslissing is gewezen, waartegen de schuldeiser zelf een rechtsmiddel heeft ingesteld. Wanneer de schuldenaar ook in de procedure op het rechtsmiddel niet verschijnt, dan kan een EET worden verleend op de beslissing die vervolgens wordt gewezen. Er is immers sprake van een niet-betwiste schuldvordering. Zijn ten tijde van de EET-waarmerking de voorwaarden van art. 3 lid 1 onder b en c EET-Vo vervuld, dan is de verlening van de EET ingevolge art. 12 lid 2 EET-Vo mogelijk. Als voorwaarde geldt dat aan de voorschriften van Hoofdstuk III van de EET-Verordening inzake de minimumvoorwaarden voor de procedures inzake niet-betwiste schuldvorderingen moet zijn voldaan.
Ingeval de schuldenaar in de procedure op het door de schuldeiser ingestelde rechtsmiddel wel is verschenen, zal op de in deze procedure gewezen beslissing geen EET kunnen worden verleend, aangezien niet voldaan is aan het vereiste van niet-betwisting.
Ten derde, de situatie dat de vordering van de schuldeiser in de eerste fase door de schuldenaar betwist is, hetgeen tot een afwijzing van de vordering heeft geleid. Wordt vervolgens door de schuldeiser tegen deze in een contradictoire procedure gegeven beslissing een rechtsmiddel ingesteld en betwist de schuldenaar niet meer de vordering in de zin van art. 3 lid 1 onder b of c EET-Vo, dan zou op basis van art. 12 lid 2 EET-Vo verdedigd kunnen worden dat de in deze procedure gewezen beslissing met een EET kan worden gewaarmerkt, mits aan de voorschriften van Hoofdstuk III van de EET-Verordening is voldaan. Art. 12 lid 2 bepaalt immers dat 'dezelfde voorschriften (lees: voorschriften van Hoofdstuk III van de EET-Verordening, MZ) van toepassing [zijn] voor het verstrekken van een bewijs van waarmerking als Europese executoriale titel ... voor een uitspraak gegeven ingevolge de instelling van rechtsmiddelen tegen een beslissing indien, ten tijde van die uitspraak, aan de voorwaarden van artikel 3, lid 1, onder b) of c), werd voldaan'. Mijns inziens is deze mogelijkheid echter in strijd met het doel van de EET-Verordening, namelijk dat de waarmerking slechts voor niet-betwiste schuldvorderingen geldt. Doordat de procedure in de eerste fase een contradictoir karakter heeft, kan niet meer gesproken worden van een niet-betwiste schuldvordering. Of een dergelijke uitleg van art. 12 lid 2 EET-Vo juist is, zal uiteindelijk door het HvJ EG bepaald moeten worden.
Eveneens in deze situatie geldt dat wanneer de schuldenaar in de procedure op het rechtsmiddel verschijnt, geen EET kan worden verleend. Er is immers zowel in de eerste fase alsook in de fase van het rechtsmiddel sprake geweest van een contradictoire procedure.
Art. 6 lid 3 noch andere bepalingen van de EET-Verordening regelen door welke rechter de verlening van de vervangende EET moet geschieden. Teneinde kosten te besparen en de procedure te versnellen zou de verlening daarvan door de rechter die het rechtsmiddel heeft behandeld, kunnen geschieden. Eveneens is het verdedigbaar dat het verzoek voor een nieuwe EET wordt gericht tot de rechter die de EET heeft verleend.4 Wordt de EET voor het eerst in de fase van het rechtsmiddel gevraagd, dan kan naar mijn mening de EET ingevolge art. 12 lid 2 jo. art. 6 lid 1 jo. art. 4 lid 6 EET-Vo slechts worden gegeven door de rechter die het rechtsmiddel behandelt.