Einde inhoudsopgave
Het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel (FM nr. 170) 2021/8.4.4.a
8.4.4.a Het recht een standpunt kenbaar te mogen maken in de voorfase
Anneke Els Keulemans, datum 01-08-2021
- Datum
01-08-2021
- Auteur
Anneke Els Keulemans
- JCDI
JCDI:ADS362958:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal procesrecht / Beroepsfase
Fiscaal procesrecht / Procesorde
Fiscaal bestuursrecht / Algemene rechtsbeginselen en abbb
Fiscaal bestuursrecht / Bezwaarfase
Europees belastingrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Artikel 4:9 van de Awb.
Hof ’s-Hertogenbosch 17 augustus 2017, nr. 16/03452, NTFR 2017/2624, r.o. 4.1, door HR afgedaan met 81 RO, HR 13 april 2018, nr. 17/04502, NTFR 2018/942; zie ook: Conclusie A-G Wattel van 28 februari 2020, nr. 19/02693, ECLI:NL:PHR:2020:184, onder 1.7 en 5.5.
HR 22 maart 2019, nr. 18/01157, V-N 2019/16.26, r.o. 2.1.
Conclusie A-G Wattel van 28 februari 2020, nr. 19/02693, ECLI:NL:PHR:2020:184, onder 1.8.
In paragraaf 7 van het Besluit fiscaal Bestuursrecht is neergelegd dat de inspecteur bij correcties van aangiften zo veel mogelijk vooraf contact opneemt met de belanghebbende.
In het Nederlandse (fiscale) bestuursrecht bestaat de mogelijkheid een standpunt kenbaar te mogen maken in de voorfase. Daarbij wordt in de artikelen 4:7 en 4:8 van de Awb een onderscheid gemaakt tussen besluiten op aanvraag en besluiten waaraan geen aanvraag ten grondslag ligt. De objectieve reikwijdte van dit hoorrecht is beperkter dan de objectieve reikwijdte van het kenbaarmakingsbeginsel. Bij de toepassing van de artikelen 4:7 en 4:8 van de Awb heeft de belanghebbende wel de keuze zijn zienswijze schriftelijk of mondeling naar voren te brengen.1 Deze keuze is ruimer dan de vereisten die het kenbaarmakingsbeginsel stelt. Hof ’s-Hertogenbosch heeft mijns inziens terecht geoordeeld dat als een belanghebbende in de voorfase schriftelijk heeft kunnen reageren, er geen sprake was van schending van het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel, omdat dit beginsel geen recht op een mondeling onderhoud inhoudt.2 De Hoge Raad heeft dit oordeel bevestigd.3 Het kenbaarmakingsbeginsel wordt ook niet geschonden indien een bestuursorgaan de belanghebbende alleen de gelegenheid geeft zijn zienswijze te geven over de elementen waarop het voorgenomen besluit zal worden gebaseerd en niet de gelegenheid geeft andere zaken met de belastingdienst te bespreken.4 In de praktijk krijgt een belanghebbende in Nederlandse fiscale procedures veelvuldig de gelegenheid een standpunt kenbaar te maken in de voorfase.5 De belastingdienst verstuurt bij naheffingsaanslagen en navorderingsaanslagen vaak een voornemen en geeft daarbij de belanghebbende de gelegenheid daarop te reageren voordat de inspecteur de naheffings- of navorderingsaanslag vaststelt. Ook in het kader van een controle door de belastingdienst krijgt de belanghebbende in beginsel de gelegenheid te reageren op een voornemen, vaak neergelegd in een (concept-)controlerapport.
Gelet op het vorenstaande kan worden geconcludeerd dat het hoorrecht in de voorfase een beperktere reikwijdte kent dan het kenbaarmakingsbeginsel. De vorm van het horen kent echter een grotere reikwijdte dan het kenbaarmakingsbeginsel. In de praktijk wordt ten aanzien van voorgenomen bezwarende fiscale besluiten ook veelvuldig aan de belanghebbende de gelegenheid gegeven een standpunt kenbaar te maken als dit op grond van de artikelen 4:7 en 4:8 van de Awb niet hoeft.