Einde inhoudsopgave
Eigendomsvoorbehoud (Rechtswetenschappelijke publicaties) 2018/8.9.1
8.9.1 Overdraagbaarheid
E.F. Verheul, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
E.F. Verheul
- JCDI
JCDI:ADS400826:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Van Hees 1997, p. 101, Faber 2007, p. 55 (anders nog: Faber 1997, p. 218-219), Rongen 2014, p. 312 en Asser/Van Mierlo 3-VI 2016, nr. 550. Zie reeds Van Dijk 1940, p. 67-68. Anders: Wibier 2012, p. 310.
Mezas 1985, p. 45-46. Vgl. ook Scheltema 2013, p. 163. Zie voor Oostenrijk Klang/Bydlinski 1978, § 1063 ABGB, p. 586.
Vgl. Letzgus 1938, p. 12-13 en Zwitser 1993, p. 528.
Mezas 1985, p. 47, Scheltema 2003, p. 379 en HR 3 juni 2016, NJ 2016, 290 m.nt. F.M.J. Verstijlen (Rabobank/Reuser), rov. 5.2.2. Zie voor Oostenrijk Klang/Bydlinski 1978, § 1063 ABGB, p. 587.
T.M., Parl. Gesch. Boek 3 BW, p. 314.
Vgl. punt 8 van de noot van F.M.J. Verstijlen onder HR 3 juni 2016, NJ 2016, 290 (Rabobank/Reuser).
Mezas 1985, p. 48 lijkt een dergelijke constructie mogelijk te achten, zij het zonder haar te problematiseren in het licht van de strekking van art. 3:83 lid 1 BW. Ook Klang/Bydlinski 1978, § 1063 ABGB, p. 594 aanvaardt de mogelijkheid van ontbinding wegens schending van het contractuele overdraagbaarheidsverbod.
Zie de bedenkingen van Schnorr von Carolsfeld 1939, p. 181-182. Zie voor het spanningsveld tussen voorwaarden en overdraagbaarheid o.m. Scheltema 2003, p. 373-376, Struycken 2007, p. 645, Reehuis 2010, nr. 100 en Stolz 2015, p. 421-445.
Zie Mezas 1985, p. 48.
Flume 1962, p. 399. Vgl. Brox 1984, p. 659.
Anders: Stolz 2015, p. 445, voetnoot 201, die in het geheel geen ruimte lijkt te zien voor een beding dat over de boeg van de wanprestatie- en ontbindingsregels feitelijk goederenrechtelijke werking heeft. In gelijke zin Asser/Beekhuis 3-I 1980, p. 161 en Scheltema 2003, p. 286-287 en p. 379.
In beginsel, omdat goed voorstelbaar is dat, gelet op de door Bakels 2011, nr. 61-69 genoemde gezichtspunten, de tekortkoming in de nakoming de ontbinding alsnog niet rechtvaardigt, bijvoorbeeld wanneer de koper de situatie aldus herstelt dat hij de zaak weer in zijn macht krijgt (zie daarover nog het slot van paragraaf 8.9.5). Vgl. ook punt 8 van de noot van Jac. Hijma onder HR 11 februari 2002, NJ 2003, 255 (Schwarz/Gnjatovic). Zie over de vraag of de verkoper de zaak kan opvorderen van de verkrijger van het voorwaardelijk eigendomsrecht hierna in paragraaf 8.9.5.
Rühl 1930, p. 106, Letzgus 1938, p. 11, Flume 1962, p. 399, Serick 1963, p. 265-266, Wieling 2006, p. 807, Bülow 2012, p. 251 en Staudinger/Beckmann 2014, § 449 BGB, Rn. 83. Anders: Derleder 1975, p. 35-44 en MünchKomm-BGB/Westermann 2016, § 449 BGB, Rn. 45. Zie voor Oostenrijk Klang/Klang 1950, § 425 ABGB, p. 313, Mayrhofer 1969b, p. 286-287, Frotz 1970, p. 70-71 en OGH 3 april 1968, zaaknr. 3Ob37/68 (met een nuance voor overdracht binnen het huishouden van de voorbehoudskoper).
Anders: Klang/Bydlinski 1978, § 1063 ABGB, p. 586 voor het Oostenrijkse recht, die daarin – behoudens een uitdrukkelijke afspraak – een te verstrekkende beperking voor de koper ziet. Volgens hem mag de koper de zaak in het kader van de overdracht van het voorwaardelijk eigendomsrecht uit handen geven, mits de verkrijger te kennen geeft het recht van de verkoper te respecteren en voor de verkoper net zo gemakkelijk te traceren is. Zo ook Rummel/Aicher 2000, § 1063 ABGB, Rn. 49 en Schwimann & Kodek/Spitzer 2014,§ 1063 ABGB, Rn. 38.
Aangezien het eigendomsrecht onder opschortende voorwaarde een eigendomsrecht is als elk ander eigendomsrecht, volgt de overdraagbaarheid van het recht uit artikel 3:83 lid 1 BW.1 Dat dit eigendomsrecht als bijzonderheid heeft dat het (voort)bestaan afhankelijk is gesteld van de opschortende voorwaarde, doet voor de overdraagbaarheid daarvan niet ter zake.2 Dat blijkt ook uit een vergelijking met het eigendomsrecht onder ontbindende voorwaarde. Voor dit eigendomsrecht wordt algemeen aangenomen in literatuur, rechtspraak en de parlementaire geschiedenis dat dit recht overdraagbaar is, in die zin dat het recht kan worden overgedragen met de beperking van de voorwaarde. Als de voorwaardelijkheid van het eigendomsrecht onder ontbindende voorwaarde niet in de weg staat aan de overdraagbaarheid, valt niet goed in te zien waarom de voorwaardelijkheid van het eigendomsrecht onder opschortende voorwaarde een obstakel zou zijn voor de overdraagbaarheid.3
Uit het feit dat het eigendomsrecht onder opschortende voorwaarde zich niet onderscheidt van een onvoorwaardelijk eigendomsrecht, volgt ook dat de overdraagbaarheid van het eigendomsrecht niet door een beding kan worden uitgesloten.4 Een dergelijk onoverdraagbaarheidsbeding komt in strijd met de principiële keuze voor de verhandelbaarheid van eigendomsrechten en beperkte rechten (art. 3:83 lid 1 BW).5 In het Duitse recht wordt de onmogelijkheid van uitsluiting van de overdraagbaarheid van het Anwartschaftsrecht gebaseerd op een analogieredenering. Omdat het Anwartschaftsrecht geen andersoortig recht zou zijn dan een eigendomsrecht, worden de voor eigendomsrechten geldende regels ook toegepast op het Anwartschaftsrecht. § 137 BGB, dat bepaalt dat overdraagbare rechten niet door een rechtshandeling onoverdraagbaar kunnen worden gemaakt, wordt dan ook toegepast op het Anwartschaftsrecht.6 Voor het Nederlandse recht is een dergelijke analogieredenering overbodig: het eigendomsrecht onder opschortende voorwaarde is immers niets anders dan een eigendomsrecht.7
Het is de vraag of het eigendomsrecht onder opschortende voorwaarde bij een eigendomsvoorbehoud vanwege het causale karakter indirect wÉl onoverdraagbaar kan worden gemaakt. Artikel 3:83 lid 1 BW treft namelijk geen obligatoire beperkingen van de overdraagbaarheid. De verkoper en de koper kunnen dus afspreken dat de koper niet zal beschikken over het eigendomsrecht onder opschortende voorwaarde. Wanneer men aanneemt dat een beschikking door de koper in strijd met dat contractuele verbod een tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst oplevert, kan de verkoper vervolgens de koopovereenkomst ontbinden, waardoor het eigendomsrecht onder opschortende voorwaarde vervalt. Per saldo heeft het contractuele onoverdraagbaarheidsverbod daarmee alsnog goederenrechtelijke werking, zij het niet – zoals een overdracht onder ontbindende voorwaarde van verdere vervreemding – van rechtswege, maar pas nadat de verkoper overgaat tot uitoefening van het eigendomsvoorbehoud.8
Ogenschijnlijk druist een zodanig contractueel vervreemdingsverbod daarmee in tegen de strekking van artikel 3:83 lid 1 BW.9 Daarbij dient evenwel bedacht te worden dat de verkoper goede gronden kan hebben om een zodanig verbod overeen te komen.10 Weliswaar zal het de verkoper in het algemeen onverschillig zijn wie na vervulling van de voorwaarde eigenaar wordt van de zaak en wie een beperkt recht heeft op het voorwaardelijk eigendomsrecht, maar dat betekent niet dat het belang van de verkoper niet in het gedrang kan komen bij een beschikking over het eigendomsrecht onder opschortende voorwaarde. De verkoper heeft er namelijk belang bij dat de zaak zich gedurende de periode van onzekerheid bij de koper bevindt, zodat hij op eenvoudige wijze kan overgaan tot uitoefening van het eigendomsvoorbehoud. Wanneer de koper in het kader van een beschikking over het eigendomsrecht onder opschortende voorwaarde de macht over de zaak prijsgeeft, heeft dit tot gevolg dat de verkoper bij uitoefening van het eigendomsvoorbehoud ‘hinter der Vorbehaltsware herlaufen muû.’11 De verkoper zal dan moeten uitzoeken bij wie de zaak zich op dat moment bevindt. De verkoper kan dat willen voorkomen door middel van een contractueel verbod tot overhandiging van de zaak aan een derde.
Beslissend voor de vraag of een dergelijk contractueel verbod indruisttegen de strekking van artikel 3:83 lid 1 BW acht ik dan ook in hoeverre de verkoper een te respecteren belang heeft bij het overeenkomen van het verbod, omdat dan niet zozeer het motief voorzit het recht onoverdraagbaar te maken, maar vooral beoogd wordt de verkochte zaak binnen handbereik te houden.12 Wanneer van een redelijk belang van de verkoper bij het verbod geen sprake is, kan worden aangenomen dat de niet-naleving van het verbod geen tekortkoming oplevert die de ontbinding rechtvaardigt (art. 6:265 BW). Tegen de achtergrond van het voorgaande heeft de verkoper er geen belang bij dat over het voorwaardelijk eigendomsrecht in het geheel niet kan worden beschikt; de verkoper heeft er slechts belang bij dat de beschikking over het eigendomsrecht onder opschortende voorwaarde niet gepaard gaat met het uit handen geven van de zaak door de koper aan een derde. Om die reden moet worden aangenomen dat alleen een contractuele beperking tot een overdracht door middel van een levering c.p. of tot vestiging van een beperkt recht waarbij de zaak in de macht van de koper blijft, gerechtvaardigd is. Beschikt de koper in weerwil van een zodanige beperking over zijn voorwaardelijk eigendomsrecht, kan de verkoper in beginsel overgaan tot uitoefening van het eigendomsvoorbehoud, als gevolg waar-van het eigendomsrecht onder opschortende voorwaarde komt te vervallen.13
Het is een andere vraag in hoeverre een dergelijke contractuele beperking van de bevoegdheid om over het eigendomsrecht onder opschortende voorwaarde te beschikken stilzwijgend besloten ligt in het overeenkomen van een eigendomsvoorbehoud. Als uitgangspunt moet naar mijn mening worden aangenomen dat uit het overeenkomen van het eigendomsvoorbehoud als zodanig inderdaad volgt dat de koper niet enkel gerechtigd is tot het gebruik van de zaak, maar ook verplicht is de zaak onder zich te houden. Voor huurkoop volgt een dergelijke verplichting in ieder geval uit artikel 7:87 lid 3 BW, dat bepaalt dat de huurkoper het genot van de zaak niet aan anderen mag afstaan. Ook in de Duitse literatuur wordt door een meerderheid aangenomen dat uit de strekking van het eigendomsvoorbehoud een Besitzpflicht van de koper voortvloeit.14 Dat deze verplichting in het overeenkomen van een eigendomsvoorbehoud besloten ligt, volgt uit het belang van de verkoper om op eenvoudige wijze zijn zaak te kunnen terugvorderen in geval van niet-betaling door de koper. Het strookt niet met dit belang dat de verkoper allereerst zou moeten uitzoeken waar diens zaak zich bevindt, om zich vervolgens in te moeten laten met een derde met wie hij in geen enkele relatie staat.15