Einde inhoudsopgave
Het algemene opschortingsrecht (R&P nr. CA27) 2024/6.3.2.1
6.3.2.1 Waardeverhouding en het zekerheidskarakter van het algemene opschortingsrecht
G.J. Boeve, datum 01-02-2024
- Datum
01-02-2024
- Auteur
G.J. Boeve
- JCDI
JCDI:ADS950293:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie ook Wolters, Opschortingsrechten (Mon. BW nr. B32b) 2022/57.
Zie § 3.5.1 en § 4.2.2.
Zie § 2.5.5 en § 6.3.1.
Zie over art. 6:132 BW Asser Sieburgh 6-II 2021/239. Zie voor een geval waarin de rechter dit artikel ambtshalve lijkt toe te passen Rb. Amsterdam 24 februari 2023, ECLI:NL:RBAMS:2023:2203, r.o. 4.3.
Zie bijv. Hof Arnhem-Leeuwarden 13 april 2021, ECLI:NL:GHARL:2021:3558, r.o. 6.6, dat oordeelde dat de opschorting van de betaling van € 5.410,82 in verband met een vordering ter waarde van € 8.857,93 niet disproportioneel was.
In het geval waarin bijv. een verrekeningsbevoegdheid is uitgesloten, heeft de schuldenaar belang bij de uitoefening van zijn opschortingsrecht. Zie ook § 2.6.
Zie bijv. Hof Arnhem-Leeuwarden 27 juni 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:5385, r.o. 3.10-3.11 (totale uitstaande factuurwaarde van € 50.307,66 en totaal nog te betalen bedrag van € 79.465,18 tegenover de totale waarde van de gebreken van € 3.150); Hof Den Haag 24 januari 2023, ECLI:NL:GHDHA:2023:36, r.o. 6.1.20 (verbintenis van ‘€ 14.434,65, waarvan € 11.396,75 daadwerkelijk is verschuldigd’ tegenover een herstelvordering van € 80); Rb. Midden-Nederland 22 februari 2023, ECLI:NL:RBMNE:2023:3196, r.o. 4.6 (totaalbedrag € 8.500 tegenover herstelwerkzaamheden van € 1.750); Rb. Noord-Holland 22 februari 2023, ECLI:NL:RBNHO:2023:1377, r.o. 5.22 (totale factuurwaarde € 4.351,33 tegenover de waarde van het gebrek van € 500); Rb. Noord-Holland 7 december 2022, ECLI:NL:RBNHO:2022:10756, r.o. 2.85 en 2.87 (€ 14.732,26 tegenover het ‘(lage) bedrag’ van € 500 of van € 2.087,25); Rb. Midden-Nederland 19 oktober 2022, ECLI:NL:RBMNE:2022:4351, r.o. 4.54 (een bedrag van tenminste € 2 miljoen tegenover € 100.858,18) en Rb. Rotterdam 16 februari 2022, ECLI:NL:RBROT:2022:1163, r.o. 2.19-2.23 (totale factuurwaarde van € 175.293,75 tegenover schadevergoeding van € 65). Zie ook Rb. Midden-Nederland 19 januari 2022, ECLI:NL:RBMNE:2022:94, r.o. 3.5 (“De opschorting voor een totaalbedrag van € 2.000,06 door [gedaagde] voor het uitblijven van een creditering [van één borgstelling] van € 163,00 door [eiseres] is niet proportioneel, waarbij de kantonrechter meeweegt dat partijen op wekelijkse basis met elkaar samenwerkten en uit de facturen blijkt dat [gedaagde] diverse onderdelen kocht en regelmatig gereedschap leende tegen borgstelling zonder tegenprestatie.”).
Parl. Gesch. BW Boek 6, p. 208. Zie bijv. het hierna behandelde arrest Hof Arnhem-Leeuwarden 27 september 2022, ECLI:NL:GHARL:2022:8351, r.o. 7.23 (€ 19.943,83 tegenover € 17.845,62); Rb. Zeeland-West-Brabant 19 juli 2023, ECLI:NL:RBZWB:2023:5097, r.o. 2.3 (€ 12.196,80 tegenover 11.628,10); Rb. Midden-Nederland 26 april 2023, ECLI:NL:RBMNE:2023:2141, r.o. 3.8 (€ 25.000 tegenover € 23.312); Rb. Noord-Holland 21 december 2022, ECLI:NL:RBNHO:11446, rov 4.52, die oordeelde dat een vordering van € 2.635.000 ‘in redelijkheid niet de gehele opschorting’ van een verbintenis met een waarde van in totaal meer dan € 30 miljoen rechtvaardigt (cursivering GJB); Rb. Overijssel 19 januari 2022, ECLI:NL:RBOVE:2022:165, r.o. 2.8 (€ 13.000 tegenover € 11.375), en Rb. Noord-Holland 7 december 2022, ECLI:NL:RBNHO:2022:10756, r.o. 2.93, die oordeelde dat de betaling van € 16.364,74 mocht worden opgeschort in verband met een vordering van € 15.863,10. Zie anders Hof Arnhem-Leeuwarden 8 februari 2022, ECLI:NL:GHARL:2022:981, r.o. 2.13 en 2.17, dat oordeelde dat de schuldenaar bevoegd was de betaling van € 13.855,70 op te schorten tot het bedrag van zijn schade van € 9.501,46; Rb. Overijssel 6 december 2022, ECLI:NL:RBOVE:2022:3800, r.o. 4.10, die oordeelde dat de aanneemsom voor 10% mocht worden opgeschort nu 90% van de werkzaamheden was verricht, en Rb. Oost-Brabant 24 februari 2022, ECLI:NL:RBOBR:2022:525, r.o. 4.13, waarin de rechter de schade lager begrootte dan het bedrag in verband waarmee aanvankelijk werd opgeschort en dat reeds met de slotfactuur was verrekend. Vgl. Rb. Zeeland-West-Brabant 12 april 2023, ECLI:NL:RBZWB:2023:3243, r.o. 2.6; Rb. Midden-Nederland 16 november 2022, ECLI:NL:RBMNE:2022:4697, r.o. 4.7; Rb. Rotterdam 10 augustus 2022, ECLI:NL:RBROT:2022:7108, r.o. 2.36; Rb. Rotterdam 15 juli 2022, ECLI:NL:RBROT:2022:6576, r.o. 4.6 en Rb. Noord-Holland 29 december 2021, ECLI:NL:RBNHO:2021:12398, r.o. 6.7, die oordeelden dat bij een geschil over een factuur alleen de betaling van het betwiste deel van een factuur mag worden opgeschort.
Dat de uitoefening van het algemene opschortingsrecht naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar kan zijn door een onevenredige verhouding tussen de waarde van de verbintenissen over en weer, houdt tot op zekere hoogte verband met het zekerheidskarakter van het opschortingsrecht.1 De schuldenaar vertrouwt op zijn opschortingsrecht als op een zekerheidsrecht, in die zin dat hij in het vertrouwen verkeert dat de uitoefening van zijn opschortingsrecht zal leiden tot voldoening van de vordering. Wat dit betreft vertoont het opschortingsverweer gelijkenissen met het verrekeningsverweer. De tot verrekening bevoegde schuldenaar zal op deze bevoegdheid vertrouwen als op een zekerheidsrecht, in die zin dat zijn vordering op zijn wederpartij door verrekening zal worden voldaan.2 Niettemin tekent zich op dit punt een relevant verschil af tussen deze verweren wanneer de waarde van de verbintenissen over en weer niet gelijk is. Dat werk ik uit aan de hand van het geval waarin de vordering een hogere waarde heeft dan de verbintenis en vice versa.
Een bevoegd uitgebrachte verrekeningsverklaring leidt tot het tenietgaan van de wederzijdse verbintenissen tot hun gemeenschappelijk beloop (art. 6:127 lid 1 BW). Als de waarde van de verbintenissen over en weer gelijk is, gaan zij beide teniet, maar bij een ongelijke waarde gaan zij teniet tot het beloop van de minste waarde.3 Een verrekeningsverweer van de schuldenaar leidt niet tot voldoening van het deel van de vordering dat de waarde van de verbintenis overstijgt. Het vertrouwen van de tot verrekening bevoegde schuldenaar op de voldoening van zijn vordering door verrekening is in zoverre beperkt tot of hooguit gelijk aan de waarde van zijn verbintenis. Het vertrouwen van de tot opschorting bevoegde schuldenaar op de voldoening van zijn vordering kan zich daarentegen ook uitstrekken over het deel van de vordering dat de waarde van zijn verbintenis overstijgt. Artikel 6:132 BW beschermt in dat opzicht de schuldenaar. Dit licht ik toe aan de hand van een voorbeeld:
A vordert van B betaling van € 100. B heeft € 1.000 te vorderen van A en schort in verband daarmee de gevorderde betaling van € 100 op. A, die naast schuldeiser van de vordering van € 100 tevens schuldenaar is van de verbintenis tot betaling van € 1.000, beroept zich vervolgens op verrekening.
Als het verrekeningsverweer zou slagen, zou voor B een vordering resteren van € 900 op A. Dat resultaat zou B ook hebben kunnen bereiken door zelf een verrekeningsverweer te voeren. Een reden dat B dat in dit voorbeeld niet doet, kan juist zijn dat de waarde van zijn vordering de waarde van zijn verbintenis overstijgt en hij A door opschorting kan dwingen tot nakoming van het meerdere (afgezien van de vraag in hoeverre A bij deze waardeverhouding een daadwerkelijke prikkel tot nakoming zal voelen4). Op grond van artikel 6:132 BW kan B aan de verrekeningsverklaring van A haar werking ontnemen door onverwijld nadat die verklaring is uitgebracht een beroep op zijn opschortingsrecht te doen.5 In een geval, zoals in dit voorbeeld, waarin de verbintenis een lagere waarde heeft dan de vordering (€ 100 tegenover € 1.000), biedt het opschortingsrecht in zekere zin meer zekerheid aan de schuldenaar dat zijn vordering zal worden nagekomen dan dat het verrekeningsverweer kan bieden. In een dergelijk geval zal de uitoefening van een opschortingsbevoegdheid niet spoedig onevenredig zijn.6
Wanneer ik de waarde van de wederzijdse verbintenissen in het voorbeeld omdraai, is de situatie een geheel andere. B schort dan een betaling van € 1.000 op in verband met zijn vordering tot betaling van € 100. Het vertrouwen dat B ontleent aan zijn opschortingsrecht is nagenoeg gelijk aan het vertrouwen dat hij aan een eventueel verrekeningsverweer kan ontlenen. In beide gevallen wordt zijn vordering tot of van € 100 voldaan. Hij zal per saldo € 900 aan zijn wederpartij moeten betalen.7 In dat licht kan de opschorting van de gehele betaling van € 1.000 niet doelmatig of onevenredig zijn en daarom in strijd met de redelijkheid en billijkheid.8 Evenwel betekent het niet dat de schuldenaar de betaling van het verschil van € 900 niet geheel of gedeeltelijk ook zou mogen opschorten.9 Dat houdt verband met de functie van pressiemiddel die het algemene opschortingsrecht mede heeft.