Einde inhoudsopgave
Beginsel en begrip van verdeling (AN nr. 168) 2018/6.8
6.8 Financiële consequenties
mr. T.H. Sikkema, datum 01-06-2018
- Datum
01-06-2018
- Auteur
mr. T.H. Sikkema
- JCDI
JCDI:ADS346792:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
HR 8 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY4279, NJ 2013, 201, m.nt. L.C.A. Verstappen.
HR 8 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY4279, r.o. 4.2.2.
HR 8 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY4279, r.o. 4.2.2.
Verstappen in zijn noot onder HR 8 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY4279, NJ 2013, 201, onder 9.
Verstappen in zijn noot onder HR 8 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY4279, NJ 2013, 201, onder 9.
Verstappen in zijn noot onder HR 8 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY4279, NJ 2013, 201, onder 9.
HR 8 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY4279, r.o. 4.2.3.
HR 8 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY4279, r.o. 4.2.3.
In zijn arrest van 8 februari 2013 gaat de Hoge Raad in op de mogelijkheid van over- en onderbedeling in het kader van verdeling en de (eventueel) daarmee samenhangende financiële gevolgen.1 Hij maakt in dat verband onderscheid tussen de verdeling in feitelijke en in juridische zin:
‘Het hof heeft echter ten onrechte overwogen dat in de enkele omstandigheid dat partijen (…) met wederzijdse instemming feitelijk hebben verdeeld, ligt besloten dat zij een verdeling als bedoeld in art. 3:182 BW zijn overeengekomen. Deze feitelijke verdeling met wederzijdse instemming impliceert immers niet zonder meer dat partijen het ook eens zijn geworden over de financiële consequenties die de verdeling van de goederen voor ieder van hen heeft (het ontstaan van vorderingen uit over- en onderbedeling).’2
De Hoge Raad lijkt voor de verdeling van art. 3:182 BW het criterium aan te leggen dat naast overeenstemming over de feitelijke verdeling van de gemeenschapsgoederen ook overeenstemming dient te bestaan over de financiële gevolgen van een dergelijke verdeling alvorens tot een juridische verdeling – een verdeling als bedoeld in art. 3:182 BW – kan worden geconcludeerd. Een dergelijke benadering vertoont verwantschap met de strekking van art. 1125 lid 2 OBW voor het scheidingsbegrip en art. 3:185 lid 2 sub b BW voor de verdeling via de rechter. De door de Hoge Raad bedoelde financiële consequenties wegens over- en onderbedeling kunnen aldus beschouwd op een lijn worden gesteld met het in laatstbedoelde artikelen bepaalde omtrent respectievelijk de ‘geldsom ter gelijkmaking’ en de ‘vergoeding van de overwaarde’. Ter verduidelijking van dit criterium vult de Hoge Raad nog aan:
‘Ter voorkoming van misverstand wordt in dit verband opgemerkt dat uit HR 23 november 2007, LJN BB6176, NJ 2007/624 niet anders kan worden afgeleid, omdat in die zaak in hoger beroep niet langer de verdeling van de voormalige echtelijke woning aan de orde was, maar nog slechts de waardebepaling daarvan.’3
Met de opmerking ‘ter voorkoming van misverstand’ lijkt de Raad echter een deel van de gegeven duidelijkheid terug te nemen als hij overweegt dat niet langer de – naar ik aanneem juridische – verdeling van een goed aan de orde is, maar nog slechts de waardebepaling van het in de verdeling betrokken goed. Annotator Verstappen merkt hierover op:
‘Het arrest uit 2007 en het onderhavige arrest zijn, mede gelet op overweging 4.2.2 van het onderhavige arrest, naar mijn mening moeilijk met elkaar in overeenstemming te brengen. De enige lezing waarmee beide arresten wel met elkaar in overeenstemming te brengen zouden zijn, is dat met ‘financiële consequenties’ van de verdeling enkel wordt bedoeld dat de deelgenoten het erover eens zijn dat nog een overbedelingsschuld/onderbedelingsvordering moet worden vastgesteld. In die lezing zou voor de verdeling in de zin van art. 3:182 BW zelfs geen waardering nodig zijn. Maar die lezing lijkt me niet in overeenstemming met het systeem van de wet.’4
Verstappen doelt met zijn laatste opmerking op de vernietigingsactie van art. 3:196 BW betreffende dwaling in de waarde van het gemeenschappelijke goed en de vervaltermijn van art. 3:200 BW.5 Aan deze wetsartikelen komt alleen goede zin toe indien bij de toepassing daarvan wordt uitgegaan van een (juridisch) verdelingsbegrip dat tevens overeenstemming over de waardering van de gemeenschapsgoederen en de hoogte van eventuele vorderingen uit over- en onderbedeling omvat.6
Waar de Hoge Raad tot uitgangspunt neemt dat, alvorens tot een juridische verdeling kan worden geconcludeerd, tussen deelgenoten ook overeenstemming moet bestaan over de financiële consequenties van de verdeling, vermeldt de Raad eveneens dat dit uitgangspunt uitzondering lijdt indien:
‘(…) aanvankelijk uitsluitend een feitelijke verdeling met wederzijdse instemming heeft plaatsgevonden, en protest in verband met de financiële consequenties daarvan uitblijft.’7
Onder dergelijke omstandigheden mogen deelgenoten op grond van art. 3:35 BW er over en weer op vertrouwen dat ook in juridische zin met de verdeling is ingestemd.8
Gesteld kan worden dat de Hoge Raad met de bepaling, dat het voor een juridische verdeling van belang is dat partijen het eens zijn geworden over de financiële consequenties daarvan, een buitenwettelijke norm voor de totstandkoming van verdeling heeft geformuleerd. In geval van opheffing van de onverdeeldheid in ieder goed van de gemeenschap betreft deze norm een financiële compensatie met middelen die niet tot de gemeenschap behoren. Zou dat anders zijn dan zou er geen grond voor compensatie bestaan omdat toedeling van goederen uit de gemeenschap in het hier bedoelde geval niet tot over- en onderbedeling zou leiden.
Voor de totstandkoming van een juridische verdeling dient derhalve rekening te worden gehouden met twee mogelijke soorten verkrijgingen. De eerste soort verkrijging heeft een wettelijke grondslag in de eerste volzin van art. 3:182 BW en heeft betrekking op de verkrijging van gemeenschapsgoederen. De tweede soort verkrijging betreft een in de jurisprudentie ontwikkelde aanvulling op de wettelijke totstandkomingseisen voor juridische verdeling. Deze tweede vorm houdt in dat overeenstemming moet bestaan over de financiële consequenties verbonden aan een niet-evenredige (feitelijke) verdeling en heeft in beginsel betrekking op het (al dan niet) verkrijgen van (een aanspraak op) niet tot de gemeenschap behorende goederen (contanten).