Einde inhoudsopgave
Het algemene opschortingsrecht (R&P nr. CA27) 2024/7.2.2
7.2.2 Opschortingsrecht is een zelfstandig verweer
G.J. Boeve, datum 01-02-2024
- Datum
01-02-2024
- Auteur
G.J. Boeve
- JCDI
JCDI:ADS950313:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie ook § 3.6.5.
Vgl. Van Schaick 2009, p. 133.
Aldus ook Thoe Schwartzenberg, Bevrijdende verweren (BPP nr. XXII) 2023/279 en Valk 2017. Zie ook Bellaart 2017 en Rb. Midden-Nederland 5 april 2023, ECLI:NL:RBMNE:2023:3451, r.o. 4.14.
HR 2 november 2007, ECLI:NL:HR:2007:BB3668, NJ 2007/587, r.o. 3.4.3 en HR 15 december 2006, ECLI:NL:HR:2006:AZ1083, NJ 2007/203, m.nt. M.R. Mok, r.o. 3.3.
Pitlo/Rutgers & Krans 2014/35, met verdere verwijzingen. Zie over het zelfstandig verweer ook Thoe Schwartzenberg, Bevrijdende verweren (BPP nr. XXII) 2023, i.h.b. hoofdstuk 3; Thoe Schwartzenberg/Van der Wiel 2020b, p. 131-132 en concl. A-G T. Hartlief 8 mei 2020, ECLI:NL:PHR:2020:453, par. 3.9-3.15. Met een zelfstandig verweer bestrijdt nóch erkent de gedaagde de door de eiser aan zijn vordering ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden, omdat dit verweer niet respondeert op die grondslag, maar een eigen, zelfstandige feitelijke grondslag heeft, die ook relevant is als de door de eiser aangevoerde feitelijke grondslag juist zou zijn (zie ook Thoe Schwartzenberg/Van der Wiel 2020b, p. 132, voetnoot 35 en zie anders concl. A-G T. Hartlief 8 mei 2020, ECLI:NL:PHR:2020:453, par. 3.10).
Thoe Schwartzenberg/Van der Wiel 2020b, p. 131.
Pitlo/Rutgers & Krans 2014/35.
Thoe Schwartzenberg, Bevrijdende verweren (BPP nr. XXII) 2023/35-36.
Volgens Valk 2017 kan het opschortingsrecht tevens deel uitmaken van de feitelijke grondslag van een door een schuldenaar jegens zijn wederpartij ingestelde vordering uit hoofde van wanprestatie, in welk geval het opschortingsrecht geen zelfstandig of bevrijdend verweer is, maar ook dan zal op die schuldenaar de stelplicht en bewijslast van het opschortingsrecht rusten (zie het door Valk beschreven geval c).
Zie over het tijdelijke karakter van opschortingsbevoegdheid § 2.5.2.
Zie ook Thoe Schwartzenberg/Van der Wiel 2020b, p. 139 en Asser Procesrecht/Asser 3 2023/284.
Snijders, Klaassen, Krans & Meijer, 2022/207, p. 277; Wolters, Opschortingsrechten (Mon. BW nr. B32b) 2022/22; Thoe Schwartzenberg/Van der Wiel 2020b, p. 132; Asser Procesrecht/Asser 3 2023/57 en 282a en Pitlo/Rutgers & Krans 2014/35. Aldus ook concl. A-G T. Hartlief 8 mei 2020, ECLI:NL:PHR:2020:453, par. 3.11.
Zie ook Thoe Schwartzenberg/Van der Wiel 2020b, p. 139; Asser Procesrecht/Asser 3 2023/284 en Valk 2017. Vgl. voor het Zurückbehaltungsrecht BeckOK BGB/Lorenz 2023 BGB § 274 Rn. 6 (“Die Beweislast für das Bestehen des Zurückbehaltungsrechts richtet sich nach der Beweislast für den erhobenen Gegenanspruch (BeckOGK/Krafka Rn. 12).”) en MüKoBGB/Krüger2022 BGB § 274 Rn. 6(“Die Beweislast für das Bestehen des Gegenanspruchs trägt der Beklagte.”). Naar ik begrijp dienen onder ‘den erhobenen Gegenanspruch’ en ‘das Bestehen des Gegenanspruchs’ niet alleen de vordering zelf, maar ook de naar Duits recht eveneens vereiste samenhang tussen de verbintenissen over en weer te worden begrepen.
Asser Procesrecht/Asser 3 2023/288. Aldus ook concl. A-G T. Hartlief 8 mei 2020, ECLI:NL:PHR:2020:453, par. 3.11.
Zie bijv. Rb. Midden-Nederland 30 november 2022, ECLI:NL:RBMNE:2022:4966, r.o. 3.34 en Rb. Amsterdam 28 september 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:5627, r.o. 4.19
Zie bijv. Rb. Zeeland-West-Brabant 20 juli 2022, ECLI:NL:RBZWB:2022:5788, r.o. 3.7.
Zie bijv. Rb. Rotterdam 15 december 2021, ECLI:NL:RBROT:2021:12447, r.o. 4.13. Zie ook bijv. Rb. Middelburg 30 augustus 2006, ECLI:NL:RBMID:2006:AY8598, r.o. 4.3. Zie ook § 4.6.1.
Aldus ook Thoe Schwartzenberg, Bevrijdende verweren (BPP nr. XXII) 2023/280 en Valk 2017, alsook bijv. Hof ’s-Hertogenbosch 12 mei 2020, ECLI:NL:GHSHE:2020:1549, r.o. 6.11 (“Voorts draagt volgens de hoofdregel van artikel 150 Rv de stichting de stelplicht en bewijslast van de feiten en omstandigheden waaruit het bestaan van haar bevoegdheid tot opschorting volgt, anders gezegd van de feiten en omstandigheden waaruit volgt dat voldaan is aan de vereisten die artikel 6:52 BW voor het bestaan van die bevoegdheid stelt. Het beroep op opschorting van de stichting is hier dus een bevrijdend of zelfstandig verweer tegen de vorderingen van de gemeente.”). Zie voorts bijv. Hof Arnhem-Leeuwarden 8 november 2022, ECLI:NL:GHARL:2022:9631, r.o. 4.8; Hof Amsterdam 6 september 2022, ECLI:NL:GHAMS:2022:2625, r.o. 4.4; Hof ’s-Hertogenbosch 10 mei 2022, ECLI:NL:GHSHE:2022:1464, r.o. 6.6.3; Hof ’s-Hertogenbosch 27 juli 2021, ECLI:NL:GHSHE:2021:2354, r.o. 6.6; Rb. Gelderland 8 februari 2023, ECLI:NL:RBGEL:2023:822, r.o. 4.12; Rb. Gelderland 1 juni 2022, ECLI:NL:RBGEL:2022:2784, r.o. 4.7.1; Rb. Gelderland 25 mei 2022, ECLI:NL:RBGEL:2022:2574, r.o. 5.24; Rb. Oost-Brabant 8 april 2020, ECLI:NL:RBOBR:2020:2034, r.o. 4.11 (“De rechtbank merkt daarbij op dat een beroep op opschorting kwalificeert als een bevrijdend verweer, waarvoor [gedaagde] op grond van artikel 149 en 150 Rv de stelplicht en de bewijslast draagt.”); Rb. Gelderland 6 juni 2018, ECLI:NL:RBGEL:2018:3123, r.o. 2.9 en concl. A-G B.J. Drijber 9 oktober 2020, ECLI:NL:PHR:2020:1056, par. 3.9. Zie ook Bellaart 2017 en vgl. voor art. 6:262 BW Rb. Den Haag 29 april 2021, ECLI:NL:RBDHA:2021:6750, r.o. 4.12.
HR 21 september 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA9610, NJ 2009, 50, m.nt. Jac. Hijma (Ammerlaan/Enthoven), r.o. 4.6. Zie ook HR 3 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU4907, NJ 2012/91 (Euretco/Naeije), r.o. 3.5.4. Zie voorts bijv. Hof Arnhem-Leeuwarden 14 juli 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:5456, r.o. 3.8; Rb. Rotterdam 15 juli 2022, ECLI:NL:RBROT:2022:5818, r.o. 4.4 en Rb. Rotterdam 10 april 2020, ECLI:NL:RBROT:2020:6116, r.o. 5.2. Zie over de omvang van de vordering ook § 3.4.4.
Valk 2017.
Zie ook Valk 2017. Om vergelijkbare redenen rusten de stelplicht en bewijslast van de verbintenis van de schuldenaar op de wederpartij.
HR 17 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:459, RvdW 2017/372 (woning in de Loosdrechtse Plassen), r.o. 5.2.2. Zie ook bijv. Hof Arnhem-Leeuwarden 19 oktober 2021, ECLI:NL:GHARL:2021:9869, r.o. 4.10; Hof Amsterdam 15 oktober 2019, ECLI:NL:GHAMS:2019:3742, r.o. 3.3.2 en GEA van Curaçao 7 april 2022, ECLI:NL:OGEAC:2022:101, r.o. 4.5.
Zie § 3.7.4.3 over het samenhangcriterium.
Zie respectievelijk § 4.2-4.3 en § 4.4.
Zie § 4.6.1. Zie voorts voor andere feiten en omstandigheden § 4.6.2.
Op de schuldenaar rusten mijns inziens niet de stelplicht en bewijslast ten aanzien van de vraag wat hij met zijn beroep op een opschortingsrecht wil bewerkstelligen, omdat onduidelijkheid daarover mee kan brengen dat de uitoefening van het opschortingsrecht naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is en de stelplicht en bewijslast daarvan bij de schuldeiser ligt. Zie § 6.3.6 en § 7.5.
Zie § 5.2.
HR 14 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ4104, NJ 2013/391, m.nt. T.F.E. Tjong Tjin Tai (Centavos/Stichting Nieuwenhuis), r.o. 3.3.2. Zie ook Asser/Sieburgh 6-III 2022/99 en Van Cassel-van Zeeland 2021, aant. 4.9.1.
Zie bijv. Hof ’s-Hertogenbosch 4 oktober 2022, ECLI:NL:GHSHE:2022:3334, r.o. 3.8.1. Zie anders Valk 2017, die erkent dat uit het oogpunt van consistentie in relatie tot de mededelingsplicht bij klachtplicht veel is te zeggen voor de opvatting dat de schuldenaar dient te stellen en zo nodig bewijzen dat en op welk moment hij de opschorting aan de wederpartij heeft medegedeeld, maar de voorkeur geeft aan de opvatting dat het beroep op het niet gedaan zijn van de vereiste mededeling een bevrijdend verweer is van de wederpartij.
Zie § 5.2 en § 5.3.
Het inroepen van een opschortingsrecht is een zelfstandig of bevrijdend verweer. De schuldenaar heeft daarvan de stelplicht en draagt daarvan de bewijslast. De schuldenaar dient de feiten en omstandigheden te stellen en zo nodig te bewijzen die het oordeel kunnen dragen dat zijn wederpartij nakoming van hem verlangt, zonder nakoming aan te bieden van een verbintenis die zij naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid gelijktijdig met haar nakomingsvordering dient na te komen. Tevens zal de schuldenaar moeten stellen en zo nodig bewijzen dat zijn opschortingsverklaring door zijn wederpartij is ontvangen.
De schuldenaar die een opeisbare verbintenis jegens zijn wederpartij heeft en tot nakoming daarvan in staat is, maar ook een opeisbare vordering op die wederpartij heeft die voldoende samenhangt met die verbintenis om opschorting van de nakoming daarvan te rechtvaardigen, kan in verband met die vordering het algemene opschortingsrecht als verweermiddel inroepen.1 Met dat opschortingsverweer stelt de schuldenaar dat hij bevoegd is zijn verbintenis vooralsnog niet na te komen.2 Dit verweer is een zelfstandig of bevrijdend verweer en daarvan heeft hij de stelplicht en draagt hij de bewijslast.3
Bij een zelfstandig verweer bestrijdt de verweerder – in het geval van een opschortingsverweer de schuldenaar – niet de door de eiser aan zijn vordering ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden, maar beroept zich op een bevrijdende omstandigheid.4 Omdat dit verweer is gebaseerd op een andere norm dan die door de eiser is aangevoerd, waar nieuwe feiten aan ten grondslag liggen, wordt het zelfstandig genoemd.5 De zelfstandige rechtsgevolgen van deze door de verweerder gestelde feiten waarop hij zich beroept belemmeren de toewijzing van de vordering, doordat de rechtsgrond waarop eiser zijn vordering baseert niet meer bestaat of doordat onder die omstandigheden niet van de verweerder kan worden gevergd aan zijn verplichtingen te voldoen.6 Daarom wordt ook wel de term ‘rechtsverhinderend verweer’ gebruikt.7 Aldus beoogt de verweerder zich te bevrijden van het door de eiser ingeroepen rechtsgevolg.8 Daarom wordt het ook wel een ‘bevrijdend verweer’ genoemd.9 In geval van een opschortingsverweer is de bevrijdende omstandigheid de vordering die de schuldenaar op zijn wederpartij heeft en die voldoende met zijn verbintenis samenhangt om opschorting van de nakoming van deze verbintenis te rechtvaardigen.10 Het tijdelijke karakter van de opschortingsbevoegdheid brengt evenwel mee dat de schuldenaar die een opschortingsverweer voert slechts van zijn nakomingsverplichting is bevrijd totdat zijn opschortingsbevoegdheid is geëindigd.11 Daarom bestaat de met een opschortingsverweer niet bestreden rechtsgrond waarop eiser zijn vordering baseert vooralsnog niet meer: voor de duur van de opschortingsbevoegdheid.12
Op grond van de hoofdregel uit artikel 150 Rv dat de partij die zich beroept op de rechtsgevolgen van door haar gestelde feiten of rechten de bewijslast van die feiten of rechten draagt, rusten de stelplicht en bewijslast van de feitelijke grondslag van het zelfstandig verweer in beginsel op de verweerder.13 De schuldenaar heeft de stelplicht en draagt de bewijslast van de feitelijke grondslag van zijn opschortingsverweer, omdat hij stelt een met zijn verbintenis samenhangende vordering te hebben op zijn wederpartij, als gevolg waarvan die verbintenis vooralsnog niet opeisbaar is.14 Aan een eventuele bewijslevering door de schuldenaar wordt pas toegekomen als hij voor zijn opschortingsverweer voldoende heeft gesteld en zijn wederpartij de stellingen van de schuldenaar voldoende heeft betwist.15 Als de schuldenaar onvoldoende gemotiveerd heeft gesteld dat en waarom de nakoming van zijn verbintenis bevoegd uitblijft, kan het beroep op een opschortingsrecht om die reden worden gepasseerd.16 Het opschortingsverweer kan ook in het licht van een gemotiveerde betwisting door de wederpartij onvoldoende onderbouwd zijn.17 Als de wederpartij het beroep op een opschortingsrecht niet voldoende gemotiveerd weerspreekt, kan de gegrondheid daarvan zonder nadere bewijslevering komen vast te staan.18 Aldus zal de schuldenaar de in artikel 6:52 BW genoemde vereisten gemotiveerd moeten stellen en zo nodig bewijzen.19
Artikel 6:52 lid 1 BW vangt aan met het vereiste van een opeisbare vordering van de schuldenaar op zijn wederpartij. Het is aan de schuldenaar om die vordering en de omvang daarvan voldoende te onderbouwen, mede in het licht van hetgeen zijn wederpartij met betrekking tot die vordering aanvoert.20 Daarom zal de schuldenaar voor een gegrond opschortingsverweer eerst een bron van een verbintenis moeten stellen en zo nodig bewijzen waaruit die opeisbare vordering op zijn wederpartij voortvloeit.21 Die stelplicht en bewijslast verschilt niet of nauwelijks van een partij die nakoming van een vordering verlangt en kent geen voor het opschortingsverweer specifieke vereisten.22
Voorts rusten op de schuldenaar de stelplicht en bewijslast van het vereiste dat tussen de verbintenissen over en weer voldoende samenhang bestaat om opschorting te rechtvaardigen.23 Dat betekent dat de schuldenaar de feiten en omstandigheden dient te stellen en zo nodig te bewijzen die het oordeel kunnen dragen dat zijn wederpartij nakoming van hem verlangt, zonder nakoming aan te bieden van een verbintenis of meerdere verbintenissen die zij, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid, gelijktijdig met haar nakomingsvordering dient te na te komen.24 Wanneer de schuldenaar daarin slaagt, bestaat tussen de wederzijdse verbintenissen voldoende samenhang om opschorting te rechtvaardigen. Een feit of omstandigheid die voldoende kan zijn voor dat oordeel is dat de verbintenissen over en weer voortvloeien uit dezelfde rechtsverhouding of uit zaken die partijen regelmatig met elkaar hebben gedaan (vgl. art. 6:52 lid 2 BW).25 Voorts kan voor dat oordeel voldoende zijn dat de schuldenaar feiten en omstandigheden aantoont waaruit blijkt dat tussen partijen overeenstemming bestaat over de vereiste samenhang tussen de verbintenissen over en weer.26
Tot slot rusten op de schuldenaar tevens de stelplicht en bewijslast van de feiten en omstandigheden waaruit blijkt dat zijn schuldenaar zijn opschortingsverklaring heeft ontvangen. De schuldenaar is mijns inziens verplicht zijn wederpartij mede te delen dat en waarom hij de nakoming van zijn verbintenis opschort.27 Die mededeling zal de schuldeiser op grond van artikel 3:37 lid 3 BW moeten hebben bereikt.28 In beginsel dient de afzender van een verklaring als bedoeld in dat artikel feiten of omstandigheden te stellen en zo nodig te bewijzen waaruit volgt dat die verklaring de geadresseerde heeft bereikt.29 Daarom zal de schuldenaar feiten en omstandigheden moeten stellen waaruit blijkt dat zijn wederpartij bekend is met de uitoefening van zijn opschortingsbevoegdheid.30 Een dergelijke omstandigheid kan een uitdrukkelijke opschortingsverklaring zijn, maar behoeft dat niet te zijn. Voldoende kan zijn dat de schuldenaar stelt en zo nodig bewijst dat zijn wederpartij bekend is met zowel haar eigen niet-nakoming, waarvan zij geacht wordt te weten dat die tot een opschortingsbevoegdheid van haar schuldenaar kan leiden, als het uitblijven van de nakoming door de schuldenaar. De wederpartij behoort dan te begrijpen dat haar schuldenaar de nakoming van zijn verbintenis heeft opgeschort en waarom.31