HR 28 november 2025, ECLI:NL:2025:1761, zaaknrs. 24/01597 en 24/01603.
HR, 28-11-2025, nr. 24/01598, nr. 24/01599
ECLI:NL:HR:2025:1764
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
28-11-2025
- Zaaknummer
24/01598
24/01599
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Burgerlijk procesrecht (V)
Mededingingsrecht (V)
Vermogensrecht (V)
EU-recht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2025:1764, Uitspraak, Hoge Raad, 28‑11‑2025; (Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHDHA:2024:132
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2025:657
ECLI:NL:PHR:2025:655, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 06‑06‑2025
ECLI:NL:PHR:2025:657, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 06‑06‑2025
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2025:1764
Beroepschrift, Hoge Raad, 23‑04‑2025
Beroepschrift, Hoge Raad, 23‑04‑2024
- Vindplaatsen
JBPr 2026/6 met annotatie van mr. L.A. van Amsterdam
JBPr 2026/6 met annotatie van mr. L.A. van Amsterdam
Uitspraak 28‑11‑2025
Inhoudsindicatie
Europees mededingingsrecht. Lift- en roltrapkartel. Follow-on-vorderingen kartelschade, ingesteld door claimstichting; aanvang verjaringstermijn art. 3:310 BW; HvJEU 18 april 2024, C-605/21, ECLI:EU:C:2024:324 (Heureka/Google); geldt stuitinghandeling door rechtspersoon die onderdeel vormt van 'onderneming' ook voor andere rechtspersonen in die onderneming? Samenhang met 24/01597 en 24/01603.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummers 24/01598 en 24/01599
Datum 28 november 2025
ARREST
In de zaak van
STICHTING ELEVATOR CARTEL CLAIM,
gevestigd te Den Haag,
EISERES tot cassatie,
hierna: SECC,
advocaten: P.A. Fruytier en H. Boom,
tegen
1. KONE B.V.,
gevestigd te Voorburg,
2. KONE OYJ,
gevestigd te Espoo, Finland,
VERWEERSTERS in cassatie,
hierna in enkelvoud: Kone,
advocaten: A. Knigge en A. Stortelder,
en in de zaak van
1. KONE B.V.,
gevestigd te Voorburg,
2. KONE OYJ,
gevestigd te Espoo, Finland,
EISERESSEN tot cassatie,
hierna in enkelvoud: Kone,
advocaten: A. Knigge en A. Stortelder,
tegen
STICHTING ELEVATOR CARTEL CLAIM,
gevestigd te Den Haag,
VERWEERSTER in cassatie,
hierna: SECC,
advocaten: P.A. Fruytier en H. Boom.
1. Procesverloop in beide zaken
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
a. de vonnissen in de zaken C/10/547149 / HA ZA 18-309 en C/10/547255 / HA ZA 18-316 van de rechtbank Rotterdam van 17 juli 2013, 23 oktober 2019, 7 oktober 2020 en 23 juni 2021;
b. het arrest in de zaken 200.304.621 en 200.304.673 van het gerechtshof Den Haag van 23 januari 2024.
SECC en Kone hebben elk afzonderlijk tegen het arrest van het hof beroep in cassatie ingesteld.
Partijen hebben over en weer een verweerschrift tot verwerping ingediend.
De zaken zijn voor partijen toegelicht door hun advocaten, en voor SECC mede door G.J. Standhardt en E.W.T. Kerckhoffs en voor Kone mede door L.A. Burwick en N. Lgarah.
De conclusie van de Advocaat-Generaal B.J. Drijber strekt tot verwerping van beide cassatieberoepen.De advocaten van beide partijen hebben schriftelijk op die conclusie gereageerd.
2. Uitgangspunten en feiten in beide zaken
2.1
Deze zaken gaan over vorderingen tot vergoeding van schade als gevolg van inbreuk op het Europese kartelverbod (zogenoemde follow-on-vorderingen). De Hoge Raad doet vandaag ook uitspraak1.in twee andere zaken over follow-on-vorderingen naar aanleiding van hetzelfde kartel.
2.2
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) Kone is een onderneming die zich bezighoudt met het fabriceren, onderhouden en moderniseren van liften en roltrappen.
(ii) Er zijn vijf grote lift- en roltrapfabrikanten actief in Europa: Otis, Kone, Schindler, ThyssenKrupp en Mitsubishi Elevator Europe.
(iii) Aan deze vijf lift- en roltrapfabrikanten heeft de Europese Commissie bij onherroepelijk geworden beschikking van 21 februari 20072.(hierna: de Beschikking) boetes opgelegd van in totaal € 992 miljoen wegens inbreuk in België, Duitsland, Luxemburg en Nederland op het kartelverbod van art. 101 VWEU, voorheen art. 81 EG-Verdrag.
(iv) De duur van het kartel in Nederland was van 15 april 1998 tot 5 maart 2004. Kone heeft daaraan deelgenomen van 1 juni 1999 tot 5 maart 2004. Voor de inbreuk in Nederland heeft de Europese Commissie aan Kone een boete opgelegd van € 79.750.000,--.
(v) SECC is op 15 december 2010 opgericht. Haar doelstelling is het verwerven en incasseren van vorderingen tot schadevergoeding van afnemers van de deelnemers aan het kartel. SECC heeft daartoe met 122 bedrijven en andere organisaties (hierna: de claimhouders) een overeenkomst van cessie gesloten.
(vi) Bij brief van 13 februari 2017 heeft SECC aan Kone onder meer meegedeeld dat zij inmiddels drie procedures bij de rechtbank Rotterdam is begonnen ter verkrijging van vergoeding van door afnemers van de liftfabrikanten geleden schade als gevolg van de in de Beschikking vastgestelde inbreuk op het kartelrecht. Ook heeft SECC meegedeeld dat de brief moet worden gezien als een schriftelijke mededeling tot stuiting van de verjaring.
2.3
In deze procedure vordert SECC, samengevat, verklaringen voor recht dat Kone in strijd heeft gehandeld met art. 81 EG Verdrag (thans art. 101 VWEU), en onrechtmatig heeft gehandeld jegens de claimhouders en dat Kone uit hoofde van art. 101 VWEU, art. 6:162 BW en art. 6:166 BW hoofdelijk aansprakelijk is voor de geleden schade.
2.4
De rechtbank heeft de vorderingen gedeeltelijk toegewezen en ten aanzien van 14 claimhouders geoordeeld dat hun vorderingen zijn verjaard.3.
2.5
Het hof heeft het vonnis van de rechtbank, voor zover in cassatie van belang, bekrachtigd.4.
Het hof heeft daartoe, samengevat en voor zover in cassatie van belang, als volgt overwogen.
Voor de beoordeling van de verjaring zijn art. 3:310 BW en art. 3:316 BW uitgangspunt. De Kartelschaderichtlijn5.en de implementatie daarvan in art. 6:193s BW e.v. zijn temporeel niet van toepassing zodat richtlijnconforme interpretatie van eerstgenoemde bepalingen niet aan de orde is. (rov. 6.25-6.28)
Op het moment van de plaatsing van de openbare versie van de Beschikking op de website van de Europese Commissie (4 maart 2008), dan wel op het moment van de bekendmaking van de samenvatting van de Beschikking in het Publicatieblad (26 maart 2008), beschikten mogelijke benadeelden over voldoende informatie om daadwerkelijk een vordering tot vergoeding van de door hen geleden schade in te stellen. Het kan in het midden blijven op welk van deze twee momenten de verjaring een aanvang heeft genomen omdat dat voor de beoordeling geen verschil maakt. (rov. 6.29)
De op grond van art. 3:310 BW vereiste bekendheid met de schade en met de daarvoor aansprakelijke persoon kan worden afgeleid uit de relevante feiten en omstandigheden, behoudens door de benadeelde te leveren tegenbewijs. De vereiste bekendheid kan dus worden aangenomen op grond van de beschikbaarheid van de informatie in de (samenvatting van de) Beschikking, tenzij SECC aantoont dat een claimhouder ondanks de beschikbaarheid van die informatie niet bekend was met de schade en de daarvoor aansprakelijke persoon. SECC heeft geen feiten of omstandigheden aangevoerd waaruit kan worden afgeleid dat individuele claimhouders ondanks de publicatie van de (samenvatting van de) Beschikking over onvoldoende informatie beschikten om een vordering in te stellen. Er kan dus van worden uitgegaan dat de verjaringstermijn in maart 2008 is aangevangen. De vorderingen van de 14 claimhouders opgesomd in rov. 4.14 van het eindvonnis zijn daarom verjaard, nu deze claimhouders niet zijn genoemd in de bijlagen bij de stuitingsbrieven. (6.30-6.32)
Een stuitingshandeling van een entiteit die deel uitmaakt van een groep, stuit niet de verjaring ten aanzien van andere entiteiten van dezelfde groep. Een recht op schadevergoeding wegens een inbreuk op het mededingingsrecht van de Europese Unie moet worden uitgeoefend volgens nationaal recht. Naar Nederlands recht komt een recht op schadevergoeding toe aan een (rechts)persoon, niet aan een economische eenheid als een ‘onderneming’ in de zin van het mededingingsrecht. Die (rechts)persoon zal, als hij verjaring van de vordering tot schadevergoeding wil voorkomen, de verjaring moeten stuiten. Een andere (rechts)persoon kan dat namens hem doen. Maar een (rechts)persoon kan niet, zonder uitdrukkelijk te vermelden namens welke (rechts)personen hij nog meer optreedt, de verjaring van vorderingen behorende aan andere (rechts)personen stuiten op grond van het feit dat beide (rechts)personen tot dezelfde economische eenheid behoren. De
redelijkheid en billijkheid leiden niet tot een ander oordeel. Van een karteldeelnemer kan niet worden gevraagd dat hij na het verstrijken van de verjaringstermijn rekening blijft houden met schadevergoedingsvorderingen van alle rechtspersonen behorende tot eenzelfde economische eenheid vanwege een stuitingshandeling van één van hen. Vaak zal hij niet eens weten welke entiteiten deel uitmaken van een economische eenheid. De rechtspraak van het Hof van Justitie van de EU of de Kartelschaderichtlijn leiden niet tot een ander oordeel. Uit het Skanska-arrest volgt dat in de context van vorderingen tot vergoeding van schade voor schending van de mededingingsregels van de Europese Unie uitgegaan moet worden van het begrip ‘onderneming’ in de zin van artikel 101 VWEU. In het Skanska-arrest gaat het echter om de aansprakelijkheid van de onderneming die inbreuk heeft gemaakt op het mededingingsrecht, niet om het recht op schadevergoeding van benadeelden. (rov. 6.33 en 6.53)
3. Beoordeling van het middel in de zaak 24/01598
3.1.1
Onderdeel I van het middel komt op tegen het oordeel van het hof dat de vorderingen van een aantal claimhouders zijn verjaard. Onderdeel I.1.1 klaagt dat het hof heeft miskend dat een nationale verjaringsregel zo moet worden uitgelegd dat deze qua uitkomst verenigbaar is met de Kartelschaderichtlijn6.en de Nederlandse wetgeving ter implementatie daarvan, ook indien de Kartelschaderichtlijn en art. 6:193s BW e.v. temporeel niet van toepassing zijn. Onderdeel I.1.2 betoogt dat het hof heeft miskend dat richtlijnconforme interpretatie van art. 3:310 lid 1 BW ook kan worden bereikt door die bepaling zo uit te leggen dat een benadeelde van een kartel pas daadwerkelijk in staat kan worden geacht om een rechtsvordering in te stellen tegen een inbreukpleger, en dus voldaan is aan het criterium van bekendheid met de schade en de daarvoor aansprakelijke persoon, nadat de beschikking van de Europese Commissie definitief is geworden.
3.1.2
Art. 3:310 lid 1 BW bepaalt, voor zover hier van belang, dat een rechtsvordering tot vergoeding van schade verjaart door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag, volgende op die waarop de benadeelde zowel met de schade als met de daarvoor aansprakelijke persoon bekend is geworden. Naar vaste rechtspraak van de Hoge Raad moet de eis dat de benadeelde bekend is geworden met zowel de schade als de daarvoor aansprakelijke persoon aldus worden opgevat dat het hier gaat om een daadwerkelijke bekendheid, zodat het enkele vermoeden van het bestaan van schade dan wel het enkele vermoeden welke persoon voor de schade aansprakelijk is, niet volstaat. De verjaringstermijn van art. 3:310 lid 1 BW begint pas te lopen op de dag na die waarop de benadeelde daadwerkelijk in staat is een rechtsvordering tot vergoeding van de door hem geleden schade in te stellen. Daarvan zal sprake zijn als de benadeelde voldoende zekerheid – die niet een absolute zekerheid behoeft te zijn – heeft verkregen dat schade is veroorzaakt door tekortschietend of foutief handelen van de betrokken persoon. Het antwoord op de vraag op welk tijdstip de verjaringstermijn is gaan lopen, is afhankelijk van de relevante omstandigheden van het geval.7.
3.1.3
Het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJEU) heeft in het arrest Heureka/Google8., samengevat en voor zover hier van belang, het volgende geoordeeld over de aanvang van de verjaringstermijn onder de Kartelschaderichtlijn. Het is aan de nationale rechter bij wie een kartelschadevordering aanhangig is, om te bepalen vanaf welk tijdstip redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de benadeelde persoon kennis heeft genomen van de informatie die noodzakelijk is om zijn schadevordering wegens schending van de mededingingsregels te kunnen instellen. De nationale rechter is immers bij uitsluiting bevoegd om de feiten van het hoofdgeding vast te stellen en te beoordelen. Het staat het HvJEU evenwel vrij om die rechter daarvoor richtsnoeren te geven. Zo blijkt uit eerdere rechtspraak9.dat dit tijdstip in beginsel samenvalt met de datum van bekendmaking van de samenvatting van het desbetreffende besluit van de Europese Commissie in het Publicatieblad van de Europese Unie, mits de inbreuk op dat moment is geëindigd. Dit geldt ongeacht of het besluit van de Europese Commissie reeds definitief is. De aanknoping bij een dergelijke objectieve factor is in het belang van de rechtszekerheid. Het is niet uitgesloten dat de benadeelde persoon eerder kennisneemt van de gegevens die noodzakelijk zijn om de schadevordering te kunnen instellen. Het is aan degene tegen wie de vordering tot schadevergoeding wordt ingesteld om aan te tonen dat dit het geval is.10.
3.1.4
Hoewel de Kartelschaderichtlijn temporeel niet het onderhavige geval bestrijkt en het beoordelingskader dus wordt gevormd door het Nederlandse recht – met inachtneming van het gelijkwaardigheidsbeginsel en het doeltreffendheidsbeginsel – is het hof in dit geval tot dezelfde uitkomst gekomen als waartoe toepasselijkheid van de Kartelschaderichtlijn en de Implementatiewet zou hebben geleid. Het hof heeft voor het aanvangstijdstip van de verjaringstermijn immers aangeknoopt bij het moment van de plaatsing van de openbare versie van de Beschikking op de website van de Europese Commissie (4 maart 2008), dan wel het moment van de bekendmaking van de samenvatting van de Beschikking in het Publicatieblad (26 maart 2008), en heeft daarvoor geen beletsel gezien in de omstandigheid dat de Beschikking op dat moment nog niet definitief was; een en ander is in overeenstemming met hetgeen hiervoor in 3.1.3 is vermeld.
De hiervoor in 3.1.1 vermelde klachten stuiten reeds hierop af.
3.1.5
Onderdeel I.2.1 klaagt onder meer dat het hof het subjectieve karakter van de bekendheid als bedoeld in art. 3:310 lid 1 BW heeft miskend door aan te nemen dat de enkele plaatsing van de openbare versie van de Beschikking op de website van de Commissie, dan wel de bekendmaking van de samenvatting van de Beschikking in het Publicatieblad van de EU, daadwerkelijke bekendheid van de benadeelden met de Beschikking oplevert. Onderdeel I.2.2 bevat onder meer de rechtsklacht dat het hof niet daadwerkelijke bekendheid met de schade en de aansprakelijke persoon mocht aannemen op basis van de enkele beschikbaarheid van de Beschikking of de samenvatting daarvan. De onderdelen I.2.5 en I.2.6 klagen dat het hof een onjuiste stelplicht- en bewijslastverdeling heeft toegepast door van SECC te verlangen dat zij feiten of omstandigheden aanvoerde waaruit kan worden afgeleid dat de claimhouders pas op een later moment daadwerkelijk bekend werden met de aansprakelijke personen en hun schade, respectievelijk door ervan uit te gaan dat SECC zou moeten ‘aantonen’ dat een claimhouder ondanks de beschikbaarheid van de informatie daarmee niet bekend was.
Deze klachten lenen zich voor gezamenlijke behandeling.
3.1.6
Het oordeel van het hof komt erop neer dat het aan de beschikbaarheid van de openbare informatie in (de samenvatting van) de Beschikking het vermoeden heeft ontleend dat de claimhouders daadwerkelijk bekend waren met zowel de schade als de daarvoor aansprakelijke persoon als bedoeld in art. 3:310 lid 1 BW. Het hof heeft dus niet het subjectieve karakter miskend van de door art. 3:310 lid 1 BW bedoelde bekendheid en zijn oordeel geeft ook voor het overige geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Met zijn overweging dat SECC geen feiten of omstandigheden heeft aangevoerd waaruit kan worden afgeleid dat individuele claimhouders ondanks de publicatie van de (samenvatting van de) Beschikking over onvoldoende informatie beschikten om een vordering in te stellen, heeft het hof tot uitdrukking gebracht dat SECC dat vermoeden niet heeft ontzenuwd. Dat het hof spreekt van ‘aantonen’ betekent niet dat het hof het oog heeft gehad op zogeheten tegendeelbewijs in plaats van tegenbewijs, nog daargelaten dat SECC naar het oordeel van het hof het door Kone gestelde aanvangstijdstip onvoldoende heeft betwist om tot tegenbewijs te worden toegelaten. De overwegingen van het hof geven dan ook geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting over de stelplicht en bewijslast ten aanzien van het aanvangstijdstip van de verjaringstermijn.11.
De hiervoor in 3.1.5 vermelde klachten falen dus.
3.1.7
Onderdeel I.3 en onderdeel II zijn gericht tegen het oordeel van het hof (in rov. 6.33 en 6.53) dat een stuitingshandeling van een entiteit die deel uitmaakt van een groep of onderneming, niet ook de verjaring stuit ten aanzien van andere entiteiten van die groep of onderneming. Volgens de onderdelen is dat oordeel onjuist, omdat een schadevergoedingsvordering wegens een inbreuk op het mededingingsrecht toekomt aan een onderneming als economische eenheid in de zin van het mededingingsrecht. De onderdelen verdedigen dat het doeltreffendheidsbeginsel meebrengt dat een stuitingshandeling met betrekking tot een schadevergoedingsvordering wegens een inbreuk op het mededingingsrecht, uitgebracht door een (rechts)persoon die onderdeel vormt van een onderneming als economische eenheid, geldt als een rechtsgeldige stuitingshandeling namens alle rechtspersonen die onderdeel uitmaken van die onderneming.
3.1.8
De onderdelen falen op de gronden, vermeld in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 3.39-3.42.
3.2
De overige klachten van het middel kunnen evenmin tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie art. 81 lid 1 RO).12.
4. Beoordeling van het middel in de zaak 24/01599
De klachten van het middel kunnen niet tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie art. 81 lid 1 RO).13.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
In de zaak 24/01598:
- verwerpt het beroep;
- veroordeelt SECC in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van Kone begroot op € 873,-- aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten indien SECC deze niet binnen veertien dagen na heden heeft voldaan.
In de zaak 24/01599:
- verwerpt het beroep;
- veroordeelt Kone B.V. en Kone Oyj in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van SECC begroot op € 873,-- aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten indien Kone B.V. en Kone Oyj deze niet binnen veertien dagen na heden hebben voldaan.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren C.E. du Perron, als voorzitter, H.M. Wattendorff, F.R. Salomons, G.C. Makkink en K. Teuben, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A.E.B. ter Heide op 28 november 2025.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 28‑11‑2025
Commission Decision of 21 February 2007 relating to a proceeding under Article 81 of the EC Treaty (AT.38823 – Elevators and Escalators), C (2007) 512 final; zie ook de samenvatting in PbEU 2008, C 75/19; Gerecht EU 13 juli 2011, zaak T-151/07, ECLI:EU:T:2011:365; HvJEU 24 oktober 2013, zaak C-510/11 P, ECLI:EU:C:2013:696).
Rechtbank Rotterdam 23 juni 2021, ECLI:NL:RBROT:2021:6636.
Gerechtshof Den Haag 23 januari 2024, ECLI:NL:GHDHA:2024:132.
Richtlijn 2014/104/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 november 2014 betreffende bepaalde regels voor schadevorderingen volgens nationaal recht wegens inbreuken op de bepalingen van het mededingingsrecht van de lidstaten en van de Europese Unie, Pb L 349 van 5 december 2014, p. 1-19.
Richtlijn 2014/104/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 november 2014 betreffende bepaalde regels voor schadevorderingen volgens nationaal recht wegens inbreuken op de bepalingen van het mededingingsrecht van de lidstaten en van de Europese Unie, Pb L 349 van 5 december 2014, p. 1-19.
HR 12 januari 2024, ECLI:NL:HR:2024:18, rov. 3.5; HR 21 april 2023, ECLI:NL:HR:2023:653, rov. 3.1.2; HR 22 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:627, rov. 3.2.
HvJEU 18 april 2024, zaak C-605/21, ECLI:EU:C:2024:324 (Heureka/Google).
HvJEU 22 juni 2022, zaak C‑267/20, ECLI:EU:C:2022:494 (Volvo en DAF Trucks), punt 71.
HvJEU 18 april 2024, zaak C-605/21, ECLI:EU:C:2024:324 (Heureka/Google), punt 64-78.
Vgl. HR 6 april 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB0900, rov. 3.4.2.
Zie ook de uitspraak van de Hoge Raad van vandaag in de zaken 24/01597 tussen Kone en DGL en 24/01603 tussen Otis en DGL, ECLI:NL:2025:1761.
Zie ook de uitspraak van de Hoge Raad van vandaag in de zaken 24/01597 tussen Kone en DGL en 24/01603 tussen Otis en DGL, ECLI:NL:2025:1761.
Conclusie 06‑06‑2025
Inhoudsindicatie
Unierecht. Procesrecht. Follow-on vordering kartelschade na liftenkartel; maatstaf voor verwijzing naar schadestaat; concept enkele en voortdurende inbreuk; doorberekeningsverweer; groepsaansprakelijkheid (art. 6:166 BW)
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 24/01599
Zitting 6 juni 2025
CONCLUSIE
B.J. Drijber
In de zaak van
1. Kone B.V.
2. Kone Oyj,
eiseressen tot cassatie,
advocaten: mrs. A. Knigge en A. Stortelder,
tegen
Stichting Elevator Cartel Claim,
verweerster in cassatie,
advocaten: mrs. P.A. Fruytier en mr. H. Boom
Partijen worden hierna aangeduid als Kone (in het enkelvoud) respectievelijk SECC.
1. Inleiding
1.1
In 2007 heeft de Europese Commissie (hierna: de Commissie) aan lift- en roltrapfabrikanten boetes opgelegd wegens overtreding van het Europees kartelverbod (art. 101 lid 1 VWEU) in diverse lidstaten van de Europese Unie, waaronder Nederland. SECC is een procedure gestart tegen de fabrikanten die volgens de Commissie in Nederland hebben deelgenomen aan het kartel, waaronder Kone. Aan SECC zijn vorderingen tot schadevergoeding gecedeerd door uiteenlopende partijen, die in de gedingstukken worden aangeduid als claimhouders.
1.2
De rechtbank heeft voor recht verklaard dat Kone onrechtmatig heeft gehandeld jegens bepaalde claimhouders en aansprakelijk is voor de door deze claimhouders geleden schade, te begroten in een schadestaatprocedure. Ook is geoordeeld dat bepaalde vorderingen zijn verjaard. Tegen onder meer dit laatste oordeel kwam SECC op in hoger beroep bij het hof.
1.3
Het hof heeft het vonnis van de rechtbank op enkele onderschikte punten na bevestigd. Volgens het hof bestaat het onrechtmatig handelen van de liftfabrikanten uit hun deelname aan het kartel. Als is aangetoond dat een claimhouder met een liftfabrikant in de inbreukperiode ten minste één transactie heeft afgesloten die binnen de werkingssfeer van de Commissie-beschikking valt, staat de grondslag van de aansprakelijkheid van die fabrikant vast. Als daarnaast de mogelijkheid van schade aannemelijk is, wordt aan de maatstaf voor verwijzing naar de schadestaatprocedure voldaan.
1.4
In cassatie betoogt Kone dat het hof de zaak niet naar de schadestaatprocedure mocht verwijzen zonder dat vaststaat voor welke specifieke transacties Kone aansprakelijk is. Voor verwijzing naar de schadestaat zou per transactie moeten worden aangetoond dat aan de vereisten van een onrechtmatige daad is voldaan. In de schadestaatprocedure wordt uitsluitend de omvang van de schade wordt vastgesteld. SECC heeft geen incidenteel beroep ingesteld, maar is zelf in cassatie gegaan (zaak 24/01598) van het hier bestreden arrest. Daarin voert SECC met name klachten aan over de gehanteerde maatstaf voor de aanvang van de verjaringstermijn en over het mededingingsrechtelijke begrip ‘onderneming’.
1.5
Daarnaast hebben Kone (zaak 24/01597) en Otis (zaak 24/01603) cassatie ingesteld tegen Stichting De Glazen Lift (hierna: DGL). Deze twee beroepen komen op tegen het arrest van het hof dat is gewezen in de door DGL aanhangig gemaakte gedingen. DGL heeft in die zaken incidenteel cassatieberoep ingesteld.
1.6
De beide arresten van het hof zijn voor een belangrijk deel gelijkluidend. Vandaag neem ik mijn conclusie in alle vier de zaken. Naar mijn mening dienen alle beroepen te worden verworpen.
2. Feiten en procesverloop
Feiten1.
2.1
SECC is op 15 december 2010 opgericht. In de oprichtingsakte wordt vermeld dat deze stichting als doel heeft:
“het […] verwerven en te gelde maken van vorderingen, welke vorderingen verband houden met kartelvorming op het terrein van (rol)trappen, liften en/of rollende trottoirs, welke kartelvorming plaatsvond in of rond de periode van negentienhonderd vierennegentig tot twee duizendvier als gevolg waarvan natuurlijke personen of rechtspersonen […] waarmee de stichting dienovereenkomstig heeft gecontracteerd (deze rechtspersonen of natuurlijke personen hierna te noemen: de “Claimhouders”) direct of indirect schade hebben geleden […]”
SECC tracht dit doel onder meer te verwezenlijken door vorderingen over te nemen van directe of indirecte afnemers2.van de karteldeelnemers en deze in eigen naam tegen de karteldeelnemers in te stellen. SECC is dus een claimstichting.
2.2
Kone B.V. houdt zich bezig met het fabriceren, onderhouden en moderniseren van liften en roltrappen in Nederland. Kone Oyj is een houdstermaatschappij die indirect alle aandelen in Kone B.V. houdt. Deze vennootschappen maken deel uit van het internationaal opererende Kone-concern.
2.3
Er zijn vijf grote lift- en roltrapfabrikanten actief in Europa: Otis, Kone, Schindler, ThyssenKrupp en Mitsubishi.
2.4
Bij beschikking van 21 februari 20073.(hierna: de Beschikking4.) heeft de Europese Commissie (hierna: de Commissie) boetes opgelegd van in totaal € 992 miljoen aan (entiteiten behorende tot) deze vijf lift- en roltrapfabrikanten wegens overtreding van (thans5.) art. 101 VWEU in België, Duitsland, Luxemburg en Nederland. Deze fabrikanten (hierna: de liftfabrikanten of de karteldeelnemers) hebben zich in één of meerdere van deze landen schuldig gemaakt aan kartelvorming op de markten voor de installatie en het onderhoud van liften en roltrappen in één of meer van deze landen.
2.5
Op 21 februari 2007 heeft de Commissie een persbericht uitgebracht waarin zij bekend maakte dat zij boetes heeft opgelegd aan de liftfabrikanten voor deelname aan het kartel. In het persbericht geeft de Commissie een beknopte beschrijving van de werking van het kartel en een uitsplitsing van de boetes voor de vijf liftfabrikanten. Op 4 maart 2008 is een openbare versie van de Beschikking op de website van de Commissie geplaatst.6.Op 26 maart 2008 is een samenvatting van de Beschikking in het Publicatieblad van de EU gepubliceerd.7.
2.6
In de samenvatting van de Beschikking is de werking van het kartel als volgt beschreven:
“7. Met name werden de volgende inbreuken gepleegd in één, verscheidene of alle betrokken lidstaten:
- afspraken over de verdeling van de afzet en installatie van liften en roltrappen;
- afspraken over de toewijzing van openbare en particuliere aanbestedingen, alsook van andere contracten, voor de verkoop en installatie van liften en roltrappen naar gelang van het overeengekomen aandeel van iedere onderneming in de afzet;
- afspraken over de toewijzing van projecten voor de verkoop en installatie van nieuwe liften en/of roltrappen overeenkomstig het beginsel dat bestaande klantenrelaties in acht moeten worden genomen;
- afspraken niet onderling te concurreren om onderhoudscontracten voor reeds bestaande liften en roltrappen en afspraken over de inschrijving op deze opdrachten;
- afspraken niet onderling te concurreren om onderhoudscontracten voor nieuwe liften en roltrappen en afspraken over de inschrijving op deze opdrachten; en
- afspraken niet onderling te concurreren om moderniseringscontracten.
Enkele van de voornaamste kenmerken van de inbreuken waren uitwisseling van commercieel belangrijke en vertrouwelijke markt- en ondernemingsinformatie, onder andere met betrekking tot biedgedrag en prijzen. De deelnemers kwamen regelmatig bijeen om afspraken over hogervermelde beperkingen te maken en zij hielden toezicht op de uitvoering ervan op de nationale markten. Er zijn bewijzen voorhanden dat de ondernemingen zich ervan bewust waren dat hun gedrag onwettig was en dat zij trachtten te voorkomen dat dit werd ontdekt; hun werknemers ontmoetten elkaar gewoonlijk in bars en restaurants, op het platteland of zelfs in het buitenland, en gebruikten prepaid-kaarten voor mobiele telefoons om te voorkomen dat zij werden opgespoord.”
2.7
In Nederland is het liftenkartel actief geweest van 15 april 1998 tot 5 maart 2004. Kone heeft deelgenomen van 1 juni 1999 tot 5 maart 2004 en is dus later gaan meedoen.
2.8
Kone is tegen de Beschikking in beroep gegaan bij het Gerecht van de Europese Unie. Het Gerecht heeft het beroep verworpen.8.Het daartegen door Kone ingestelde hoger beroep is door het Hof van Justitie verworpen.9.Sindsdien is de Beschikking onherroepelijk.
2.9
Bij brief van 17 februari 201210.heeft SECC aan onder meer Kone het volgende meegedeeld:
“On behalf of Stichting Elevator Cartel Claims (SECC) - and to the extent necessary all the companies listed in Annex 1 attached (together being the entities defined below as Purchasers) - I inform you of the following.
[…]
In the period 1995 to 2004 many entities purchased elevator and/or related goods and services from at least one of the entities that have engaged in unlawful behaviour as ruled by the EC in the Decision and/or have otherwise suffered damages as a result of the conduct specified in the Decision. These entities are listed in Annex 1. Furthermore, many entities that have suffered damages as a result of the conduct specified in the Decision not listed in Annex 1, have assigned their claims against the addressees of the Decision and the related rights to these claims to SECC or have granted SECC a power of attorney or other authority to pursue their claim against the addressees of the Decision (for the purposes of this letter, the parties mentioned in this paragraph will be referred to as the Purchasers).
In these circumstances it is apparent that Kone Oyj. has committed a tortuous act and is liable to the Purchasers (or any subsequent assignee of the Purchaser’s rights) for any and all damages suffered by the Purchasers as a result.
(…)
SECC has initiated two proceedings before the Court of Rotterdam against several of the addressees of the Decision to claim damages from these addressees for the benefit of the Purchasers. (…)
The Purchasers unequivocally reserve the right to take legal action against Kone Oyj without further notice to recover the damages suffered. To avoid any misunderstanding, this letter constitutes a written notice to prescribe the limitation period.”
2.10
Bij brief van 13 februari 201711.heeft SECC aan Kone onder meer meegedeeld dat zij inmiddels drie procedures bij de rechtbank Rotterdam is begonnen ter verkrijging van vergoeding van door afnemers van de liftfabrikanten geleden schade als gevolg van de in de Beschikking vastgestelde inbreuk op het Europese kartelverbod. De brief moet worden gezien als een schriftelijke mededeling tot stuiting van de verjaring.
2.11
Productie 18 van SECC12.bevat een door haar opgestelde lijst met namen van benadeelde partijen (claimhouders) die met haar een overeenkomst van cessie hebben gesloten. Op die lijst staan 122 bedrijven en andere organisaties vermeld.
Procesverloop13.
2.12
SECC heeft Kone op 30 december 2010, 6 oktober 2011 en 20 februari 2012 gedagvaard voor de rechtbank Rotterdam (hierna: de rechtbank). Na verschillende voegingen van procedures en eiswijzigingen heeft SECC – samengevat – een verklaring voor recht gevorderd dat (i) Kone B.V. en Kone Oyj in strijd met art. 101 VWEU, en onrechtmatig hebben gehandeld jegens de claimhouders en (ii) op grond van art. 101 VWEU, art. 6:162 BW en art. 6:166 BW hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade geleden door de claimhouders, verminderd met hetgeen ThyssenKrupp Liften B.V. en ThyssenKrupp AG als hoofdelijk medeschuldenaar verplicht zijn bij te dragen, deze schade op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet.
2.13
Bij tussenvonnis van 23 oktober 201914.(hierna: het tussenvonnis) heeft de rechtbank partijen in de gelegenheid gesteld bij akte nader in te gaan op het volgende: (i) de stuiting van de verjaring van de vorderingen van een aantal claimhouders, (ii) per claimhouder, feiten en omstandigheden (met verwijzing naar stukken) waaruit blijkt dat de betreffende claimhouder tijdens de deelname van Kone aan het kartel ten minste één keer een overeenkomst heeft gesloten met en/of een product of dienst heeft afgenomen van één van de karteldeelnemers; (iii) en de betekenis van het dat jaar gewezen Skanska-arrest15.voor de aansprakelijkheid van Kone Oyj als moedervennootschap voor de gedragingen van Kone B.V.
2.14
Bij vonnis van 23 juni 2021 (hierna: het eindvonnis)16.heeft de rechtbank geoordeeld dat de eisvermindering van SECC na de totstandkoming van een schikking met ThyssenKrupp voldoende concreet is, zodat er geen reden is de vorderingen van SECC af te wijzen wegens onvoldoende bepaaldheid. Ten aanzien van de verjaring heeft de rechtbank geoordeeld dat het Nederlandse verjaringsstelsel verenigbaar is met het Unierechtelijke doeltreffendheidsbeginsel. De rechtbank heeft vastgesteld dat de vorderingen van veertien van de 122 claimhouders zijn verjaard.
2.15
De rechtbank heeft de uitbreiding van de vordering van SECC tot schade die is geleden bij de afname van producten of diensten van anderen dan de karteldeelnemers als gevolg van zogeheten umbrella pricing17., buiten beschouwing gelaten. Met betrekking tot gestelde indirecte schade heeft de rechtbank overwogen dat SECC moet onderbouwen dat de schade uiteindelijk door de claimhouder is gedragen. SECC kan daarbij niet volstaan met de stelling dat die schade is geleden door een groep waarvan de claimhouder als vennootschap deel uitmaakt. Alleen de schadelijdende vennootschap zelf kan vergoeding van de schade vorderen.
2.16
Voor verwijzing naar de schadestaatprocedure volstaat dat een claimhouder aannemelijk maakt dat hij mogelijk schade heeft geleden. Als een claimhouder heeft betaald voor producten of diensten van een karteldeelnemer op grond van een overeenkomst die tot stand is gekomen tijdens de inbreukperiode, is aannemelijk dat de claimhouder mogelijk schade heeft geleden, aangezien het kartel een prijsopdrijvend effect heeft gehad. De rechtbank heeft het doorberekeningsverweer van Kone verworpen op de grond dat Kone onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat claimhouders steeds het gehele schadebedrag hebben doorberekend. Vervolgens is de rechtbank per claimhouder nagegaan of SECC de mogelijkheid van schade voldoende aannemelijk heeft gemaakt. Naar het oordeel van de rechtbank is dat het geval voor IKEA Beheer B.V. en voor achttien andere claimhouders. Uit het in 2.13 genoemde Skanska-arrest leidt de rechtbank tot slot af dat Kone Oyj (de holding) naast Kone B.V. (de feitelijk inbreukmaker) hoofdelijk aansprakelijk is voor de schade die deze claimhouders mogelijk hebben geleden.
2.17
De rechtbank heeft voor recht verklaard dat Kone B.V. en Kone Oyj in strijd hebben gehandeld met art. 101 VWEU, en op grond daarvan hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade geleden door IKEA Beheer B.V. en de andere achttien claimhouders die worden genoemd in rov. 4.30 van het eindvonnis,18.verminderd met hetgeen ThyssenKrupp als hoofdelijk medeschuldenaar verplicht is bij te dragen, deze schade op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet.
2.18
Kone én SECC hebben van het tussenvonnis en het eindvonnis in de verschillende door de rechtbank gevoegde zaken hoger beroep ingesteld bij het hof Den Haag (hierna: het hof).19.De zaken werden bij incidenteel arrest van 3 mei 2022 gevoegd.
2.19
Bij arrest van 23 januari 2024 (hierna: het bestreden arrest)20.heeft het hof het tussenvonnis bekrachtigd, het eindvonnis gedeeltelijk vernietigd en de verklaring voor recht opnieuw uitgesproken (met de aangepaste juiste inbreukperiode en enkele wijzigingen in de lijst van claimhouders). Voor het overige werd het eindvonnis bekrachtigd.
2.20
Het hof heeft daartoe – zakelijk weergegeven – het volgende overwogen:
a) Het is niet in geschil dat voor de reikwijdte van de inbreuk moet worden uitgegaan van de Beschikking. Daaruit blijkt het volgende. Het is niet zo dat alleen een klein deel van de projecten werd geraakt door de inbreuk. Elk project aan een bepaalde karteldeelnemer toewijzen was niet nodig, omdat het uitgangspunt was dat elke deelnemer zijn bestaande klanten zou behouden. De effecten van de enkele en voortdurende inbreuk (single and continuous infringement) waren niet beperkt tot opdrachten waarbij toepassing werd gegeven aan het verdelingsmechanisme. Bovendien kon het marktgedrag van de karteldeelnemers worden beïnvloed door uitwisseling van concurrentiegevoelige informatie ook buiten de context van de specifieke projecten waarover overleg plaatsvond. (rov. 6.5 - 6.7)
b) Onderhoudscontracten voor nieuwe liftinstallaties vallen binnen de reikwijdte van de inbreuk. (rov. 6.8)
c) In het midden kan blijven of het kartel daadwerkelijk alle transacties op de markten voor de installatie, het onderhoud en de modernisering van liften omvatte. Voor een verwijzing naar de schadestaatprocedure volstaat dat de mogelijkheid van schade aannemelijk is. Uit de Beschikking volgt dat het kartel een veelomvattende, langdurige en systematische inbreuk betrof, die de mededinging op de desbetreffende markten in heel Nederland heeft beperkt. Die afbakening van de reikwijdte van het kartel is voldoende om te kunnen beoordelen of de mogelijkheid van schade ten aanzien van een claimhouder aannemelijk is. (rov. 6.9)
d) Uit de Beschikking volgt dat de inbreuk effect op de markt heeft gehad, waaronder een opwaarts effect op de prijzen. Het is een feit van algemene bekendheid dat een beperking van de mededinging leidt tot hogere prijzen, ook als niet uitdrukkelijk een prijsverhoging is afgesproken. Het onderling uitwisselen en afstemmen van prijzen vormde ook daadwerkelijk onderdeel van het kartel. Uit de Beschikking kan dus worden afgeleid dat de inbreuk een prijsopdrijvend effect heeft gehad. Ook de Kartelschaderichtlijn21.(hoewel van later datum en daarom temporeel niet van toepassing in deze zaak) gaat ervan uit dat inbreuken op het mededingingsrecht tot een prijsverhoging leiden, en voorziet op grond van dat uitgangspunt in een bewijsvermoeden van schade. (rov. 6.10 – 6.14)
e) De economische rapporten die partijen hebben overgelegd zijn geen reden om hier anders over te oordelen. (rov. 6.15)
f) De omzettingstermijn van de Kartelschaderichtlijn liep tot 27 december 2016. De relevante feiten voor beoordeling van de verjaring hebben zich vóór die datum afgespeeld. Verder is art. 6:193s BW (implementatie verjaringsregeling) niet van toepassing op zaken die vóór 26 december 2014 aanhangig zijn gemaakt. De dagvaardingen zijn alle vóór deze datum uitgebracht. Richtlijnconforme interpretatie is reeds daarom niet aan de orde. Verder bestaat voor verlenging van de verjaringstermijn (op grond van de Kartelschaderichtlijn) geen aanknopingspunt in het Nederlandse recht van vóór de implementatie. Verlenging van die termijn zou neerkomen op een uitleg contra legem van art. 3:310 BW. (rov. 6.25-6.27)
g) De verjaringstermijn van art. 3:310 BW is niet pas gaan lopen na het arrest van het Hof van Justitie van 24 oktober 2013 (in hoger beroep). Een richtlijnconforme uitleg is niet aan de orde. Het persbericht van de Commissie van 21 februari 2007 biedt onvoldoende aanknopingspunten voor het instellen van een vordering tot schadevergoeding. Daarin is niet de inbreukperiode per lidstaat en per deelnemer vermeld. Die informatie is wél opgenomen in de openbare versie van de Beschikking (op de website van de Commissie op 4 maart 2008) en in de samenvatting daarvan (in het Publicatieblad van 26 maart 2008). Het kan in het midden blijven op welk van deze twee momenten de verjaring een aanvang heeft genomen. Voor de beoordeling maakt dat geen verschil. (rov. 6.28-6.29)
h) De vereiste bekendheid met de schade en de daarvoor aansprakelijke persoon kan voor iedere claimhouder worden aangenomen op grond van de beschikbaarheid van de informatie in de (samenvatting van de) Beschikking, tenzij SECC aantoont dat een claimhouder toch niet bekend was met de schade en de daarvoor aansprakelijke persoon. De aanvang van de verjaring kan niet afhankelijk worden gemaakt van het tijdstip waarop de benadeelde een juiste beoordeling heeft gemaakt van de beschikbare informatie. (rov. 6.30)
i) SECC heeft bovendien namens de eerste groep benadeelden gedagvaard op 30 december 2010. Tegen die achtergrond kan van SECC worden verlangd dat zij verklaart waarom andere benadeelden toen (nog) niet over deze kennis beschikten. Dat heeft SECC niet gedaan. (rov. 6.31)
j) De verjaringstermijn is in maart 2008 aangevangen (zie onder g). De vorderingen van veertien claimhouders (rov. 4.14 eindvonnis) zijn daarom verjaard. (rov. 6.32)
k) Een stuitingshandeling van een entiteit die deel uitmaakt van een groep stuit niet de verjaring ten aanzien van andere entiteiten van dezelfde groep. Een recht op schadevergoeding komt toe aan een (rechts)persoon. Die zal de verjaring moeten stuiten. Een andere (rechts)persoon kan dat wel namens hem doen, maar een enkele stuiting zonder dat wordt vermeld voor wie nog meer wordt opgetreden, kan niet. De redelijkheid en billijkheid leiden niet tot een ander oordeel. (rov. 6.33)
l) De grondslag voor de aansprakelijkheid van Kone is gelegen in de onrechtmatige deelname aan het kartel. De verdeling van opdrachten was volgens de Beschikking onderdeel van een “overall scheme to share and regulate the market”. Het is dus niet nodig om voor iedere afzonderlijke transactie tussen een claimhouder en een karteldeelnemer na te gaan of onrechtmatig is gehandeld. Ook als een opdracht niet werd aanbesteed, maar één-op-één aan een karteldeelnemer werd gegund, viel zij binnen de reikwijdte van de inbreuk en is de mogelijkheid van schade aannemelijk. (rov. 6.50)
m) De drempel voor verwijzing naar de schadestaatprocedure is dat een claimhouder ten minste in één geval direct of indirect (bijvoorbeeld via een aannemer) producten en/of diensten van een karteldeelnemer heeft afgenomen tijdens de inbreukperiode. Het hof volgt niet het standpunt van SECC dat het voor de aannemelijkheid van mogelijke schade volstaat dat een claimhouder tijdens de inbreukperiode een lift in eigendom of in gebruik had. (rov. 6.51, zie ook rov. 6.60)
n) Het is juist dat niet op voorhand kan worden uitgesloten dat ook anderen dan directe of indirecte afnemers van een karteldeelnemer schade kunnen lijden als gevolg van een kartel. De mogelijkheid van schade geleden door die partij moet wel in de hoofdzaak aannemelijk worden gemaakt. Dat is SECC niet gelukt. (rov. 6.52)
o) Een recht op vergoeding van kartelschade komt niet toe aan ‘ondernemingen’ in de zin van het mededingingsrecht en ook niet iedere entiteit behorende tot die onderneming kan dat recht voor de gehele onderneming geldend maken. Een recht op schadevergoeding komt toe aan een (rechts)persoon. Die persoon moet in de hoofdzaak aannemelijk maken dat hij mogelijk schade heeft geleden. Indien de vordering is overgedragen, dan moet de verkrijger dat doen. De rechtspraak van het Hof van Justitie of de Kartelschaderichtlijn leiden niet tot een ander oordeel. (rov. 6.53)
p) Ook in het geval dat claimhouders producten of diensten van niet-karteldeelnemers hebben afgenomen, moet ten minste enige concrete aanwijzing van mogelijke schade door umbrella pricing worden gegeven. Het hof acht de algemene economisch-theoretische onderbouwing van SECC tegenover de gemotiveerde betwisting van Kone onvoldoende om aan te nemen dat ook claimhouders die direct noch indirect een of meer producten of diensten van een karteldeelnemer hebben afgenomen, schade hebben geleden als gevolg van het kartel. Het hof komt tot eenzelfde oordeel ten aanzien van de door SECC gestelde na-ijleffecten.22.De vraag of claimhouders vorderingen wegens umbrella pricing of na-ijleffecten aan SECC hebben overgedragen, kan buiten beschouwing blijven. (rov. 6.54-6.58)
q) De mogelijkheid van schade is (anders dan de rechtbank had geoordeeld) niet aannemelijk geworden ten aanzien van Magazijn De Bijenkorf B.V. en Golden Tulip Museum Quarter B.V. (rov. 6.93-6.94, 6.107 en 6.108)23.
r) Het doorberekeningsverweer vormt slechts een beletsel voor verwijzing naar de schadestaatprocedure als op voorhand zou moeten worden aangenomen dat mogelijke prijsverhogingen als gevolg van het kartel integraal zijn doorberekend. De stelplicht wat betreft de doorberekening rust op Kone. Aan die plicht heeft zij niet voldaan. Er is geen reden voor het opleggen van een verzwaarde motiveringsplicht aan SECC in dit stadium van de procedure. (rov. 6.112-6.114)
s) De bestrijding door Kone van haar aansprakelijkheid op grond van art. 6:166 BW berust op het onjuiste uitgangspunt dat de grondslag van de aansprakelijkheid van de liftfabrikanten is gelegen in de concrete verdeling van opdrachten. De grondslag voor de aansprakelijkheid is gelegen in de deelname aan het kartel. Er is voldaan aan de vereisten van artikel 6:166 BW en de liftfabrikanten zijn hoofdelijk aansprakelijk voor elkaars gedragingen in kartelverband. Die hoofdelijke aansprakelijkheid strekt zich ook uit tot de gedragingen van de liftfabrikanten waarmee SECC regelingen heeft getroffen. (rov. 6.120 - 6.121)
t) Kone heeft er terecht op gewezen dat zij niet de gehele inbreukperiode in Nederland aan het kartel heeft deelgenomen. Het hof zal de verklaring voor recht aanpassen zodat duidelijk is dat Kone alleen aansprakelijk is voor de periode vanaf 1 juli 1999. Gelet op het Skanska-arrest verwerpt het hof het standpunt dat Kone Oyj niet hoofdelijk aansprakelijk kan worden gehouden voor de gedragingen van Kone B.V. (rov. 6.122 - 6.123)
u) Voor de vaststelling van aansprakelijkheid van Kone in deze procedure is niet nodig dat de omvang van de interne draagplicht van de karteldeelnemers vast komt te staan. De eisvermindering van SECC is niet van belang voor de grondslag van de aansprakelijkheid van Kone, maar voor de hoogte van de schadevergoeding waarop SECC jegens Kone aanspraak kan maken. Dat kan in de schadestaatprocedure aan de orde komen. (rov. 6.128-6.129)
v) Het hof wijst de op grond van art. 843a Rv ingestelde inzagevordering van SECC af. Daarbij bestaat voor bepaalde claimhouders geen gerechtvaardigd belang en voor andere claimhouders is het bestaan van een rechtsbetrekking onvoldoende aannemelijk gemaakt. (rov. 6.131-6.132)
w) Het oordeel van de rechtbank over de proceskosten blijft in stand. (rov. 6.136)
2.21
Kone heeft tijdig cassatieberoep ingesteld. SECC voert verweer. Partijen hebben hun zaak schriftelijk laten toelichten. Deze toelichtingen werden gevolgd door re- en dupliek.
3. Bespreking van het cassatiemiddel
3.1
De klachten zijn ondergebracht in vijf onderdelen:
- Onderdeel 1: klachten over het oordeel dat de inbreuk een prijsopdrijvend effect had.
- Onderdeel 2: klachten over de beoordeling van de verhouding tussen de hoofd- en de schadestaatprocedure.
- Onderdeel 3: klachten over de beoordeling van het doorberekeningsverweer.
- Onderdeel 4: rechtsklacht tegen oordeel dat voldaan is aan de vereisten van art. 6:166 BW.
- Onderdeel 5: een motiveringsklacht tegen het oordeel over de grief van Kone dat de vorderingen van DGL na eisvermindering onvoldoende concreet en bepaalbaar zijn.
3.2
Ik zal bij de bespreking van deze onderdelen de in de procesinleiding gehanteerde volgorde aanhouden.
Onderdeel 1: prijsopdrijvend effect
3.3
Met de klachten in subonderdelen 1.1 t/m 1.6 richt Kone klachten tegen rov. 6.10 t/m 6.15 van het bestreden arrest. Deze overwegingen luiden als volgt (mijn onderstrepingen, ook in de citaten hierna, A-G):24.
“(i) De omvang en het effect van het kartel
[…]
Het oordeel van het hof
[…]
6.10
Met betrekking tot het effect van de inbreuk heeft de Commissie in de Beschikking onder meer het volgende overwogen:
“(660) In this case, the Commission did not attempt to demonstrate the precise effects of the infringement since it is impossible to determine with sufficient certainty the relevant competitive parameters (price, commercial terms, quality, innovation, and others) in the absence of the infringements. However it is obvious that the infringements did have an actual impact. The fact that the various anticompetitive arrangements were implemented by the cartel participants in itself suggests an impact on the market, even if the actual effect is difficult to measure, because it is, in particular, not known if and how many other projects were subject to bid-rigging, nor how many projects may have been subject to allocation between cartel members without there being a need for contacts between them. The high aggregate market shares of the cartel participants make anticompetitive effects appear likely and the relative stability of these market shares throughout the duration of the infringements would confirm these effects.
[…]
(668) The fact that the arrangements allegedly occurred on an ad hoc basis or that individual cartel members did not participate in certain projects […], does not affect the observation that the Dutch cartel was a complex, single and continuous infringement, nor that the overall infringement was very serious. In fact the circumstances of this case make it almost impossible to measure the extent of the obstacles to trade and, therefore, to take account of those obstacles in assessing the impact of the infringement on the market.
(669) In conclusion, the parties’ arguments cannot serve to demonstrate that the cartels were ineffective in freezing market shares and fixing prices in the elevators and escalators market. It remains undisputed that the unlawful arrangements had market effects […]”
6.11
Uit deze overwegingen volgt dat de inbreuk effect op de markt heeft gehad, waaronder een opwaarts effect op de prijzen. Het is een feit van algemene bekendheid dat een beperking van de mededinging leidt tot hogere prijzen, ook als niet uitdrukkelijk een prijsverhoging wordt afgesproken. De Commissie wijst daarop in randnummer 576 van de Beschikking:
“(576) […] Price being the main instrument of competition, the various collusive arrangements and mechanisms adopted by the suppliers were all ultimately aimed at inflating prices, to the benefit of the undertakings involved, and to a higher level than that which would have been determined by conditions of free competition. […]”
6.12
Het onderling uitwisselen en afstemmen van prijzen vormde ook daadwerkelijk onderdeel van het kartel. Zie onder meer randnummer 423 en 424 van de Beschikking:
“(423) […] The main allocation mechanism for new equipment as well as for service and modernization projects was to exchange bidding prices between the Big 5 with an understanding that the undertaking with the lowest bid price would secure the project and that the other cartel members would not undercut such offers.
(424) It should be noted that the exchange of bid prices could take place at different moments during a tender procedure. The members of the Big 5 either organized a meeting before they had issued a formal bid or immediately thereafter. In the latter case, it was common understanding that the undertaking that had issued the lowest formal bid was protected from subsequent lower bids by the other members of the Big 5. This was relevant in cases where the customer tried to negotiate for lower prices after the first bidding round.”
6.13
Kone stelt dan ook ten onrechte dat uit de overwegingen in de Beschikking niet kan worden afgeleid dat de inbreuk een prijsopdrijvend effect heeft gehad.”
3.4
Met de oordelen in rov. 6.10 t/m 6.13 miskent het hof dat art. 101 VWEU onderscheid maakt tussen gedragingen die (i) ertoe strekken de mededinging binnen de interne markt te verhinderen en die (ii) tot gevolg hebben dat de mededinging binnen de interne markt wordt verhinderd, aldus Kone in subonderdeel 1.1. De Commissie heeft in de Beschikking een inbreuk vastgesteld op basis van de mededingingsbeperkende strekking van de gedragingen van de liftfabrikanten. Dat betekent dat de Commissie niet heeft vastgesteld dat de inbreuk een effect op de markt heeft gehad. Uit de Beschikking (punt 660) blijkt dat de Commissie dit ook niet heeft willen vaststellen.
3.5
Ik roep eerst in herinnering dat bij het kartelverbod een onderscheid wordt gemaakt tussen afspraken die de strekking hebben de mededinging te beperken en afspraken die tot gevolg hebben dat de mededinging wordt beperkt.25.Beide vallen onder het kartelverbod, maar de bewijslast verschilt.
3.6
De eerste categorie afspraken kan naar haar aard geacht worden schadelijk te zijn voor de goede werking van de normale mededinging, zonder dat hoeft te worden aangetoond welke concrete effecten daarvan uitgaan op de markt. De ervaring leert dat dergelijke afspraken leiden tot hogere prijzen en/of (kwantitatieve of kwalitatieve) productieverminderingen.26.Doorgaans bevat een beschikking van de Commissie waarbij dergelijke gedragingen worden vastgesteld, slechts in algemene zin enige informatie over de gevolgen van het kartel. De Commissie brandt haar vingers liever niet aan het maken van een schatting van de hoogte van de prijsopslag, zeker nu dat voor de vaststelling (en beboeting) van de inbreuk op het kartelverbod niet nodig is. Voorbeelden van strekkingsbeperkingen zijn prijsafspraken tussen concurrenten, afspraken om de markt te verdelen en ook, wat in de liftenzaak onder meer aan de orde was, bid rigging bij aanbestedingen.
3.7
Om een gedrag te kunnen kwalificeren als een verboden ‘gevolgbeperking’ (de tweede categorie) moeten de effecten ervan op de markt wél worden onderzocht. Dat betekent dat de Commissie een zwaardere bewijslast heeft en dus meer werk moet verzetten dan wanneer zij een ‘strekkingsbeperking’ vaststelt.
3.8
Voor de privaatrechtelijke handhaving van het kartelverbod bij de nationale rechter is het onderscheid tussen strekkingsbeperkingen en gevolgbeperkingen in beginsel zonder betekenis. In beide situaties zal het onrechtmatig handelen doorgaans bestaan uit de deelname aan een kartel. In beide situaties moet de eiser aantonen dat schade is geleden en dient de rechter de schade te begroten. Hooguit kan men verwachten dat het bewijs dat het kartel schade heeft veroorzaakt in zijn algemeenheid gemakkelijker is te leveren als de inbreuk bestaat uit een of meer strekkingsbeperkingen. Daarmee staat impliciet vast dat de mededinging kan worden beperkt of verstoord. Anders dan Kone ingang lijkt te willen doen vinden, hoeft eiser niet, als een of meer strekkingsbeperkingen in het geding zijn, de gevolgen daarvan op de markt aan te tonen. Eiser moet wel stellen en zo nodig bewijzen dat zij schade heeft geleden als gevolg van het kartel.
3.9
Ik kom toe aan de klacht. Het hof heeft mijns inziens niet miskend dat de Commissie niet heeft vastgesteld dat de inbreuk een effect op de markt tot gevolg heeft gehad. Uit het aangevallen oordeel blijkt namelijk niet dat het hof ervan is uitgegaan dat de Commissie een effect heeft vastgesteld. In de bestreden overwegingen wordt gewezen op punten uit de Beschikking waaruit volgens het hof – desondanks – volgt dat de inbreuk effect op de markt heeft gehad, waaronder hogere prijzen dan in de hypothetische situatie zonder het kartel (rov. 6.16 en 6.18). De klacht faalt derhalve bij gebrek aan feitelijke grondslag.
3.10
In subonderdeel 1.2 betoogt Kone dat de civiele rechter (alleen) is gebonden aan het dispositief van de Beschikking (waarin formele vaststellingen worden gedaan) en overwegingen in de Beschikking die noodzakelijk zijn ter onderbouwing van die vaststellingen. Het hof zou dit hebben miskend in rov. 6.10 t/m 6.13.
3.11
De klacht faalt. Uit art. 16 lid 1 Verordening 1/200327.volgt dat een nationale rechter geen beslissing mag nemen die in strijd is met een beschikking van de Commissie waarin een inbreuk op art. 101 lid 1 VWEU wordt vastgesteld. Het dispositief van een beschikking is bindend; de overwegingen in het ‘lichaam’ van de beschikking zijn dat inderdaad niet, behoudens overwegingen (met feitelijke vaststellingen en juridische kwalificaties) waarop het dispositief is gebaseerd.28.Dat laatste ligt voor de hand: als de rechter van de door de Commissie gegeven kwalificatie van een bepaalde gedraging zou kunnen afwijken, kan de formele vaststelling in het dispositief van de beschikking op losse schroeven komen te staan.
3.12
Het hof leidt uit het lichaam van de Beschikking (de ‘overwegingen’) af dat de inbreuk effect heeft gehad en baseert daar zijn beslissing op. Voor zover Kone betoogt dat het hof dit niet mocht doen, gaat zij uit van een onjuiste rechtsopvatting. Het doel van art. 16 lid 1 van Verordening 1/2003 is te voorkomen dat een nationale rechter een beslissing neemt die indruist tegen, althans afbreuk doet aan een besluit van de Commissie.29.Van een tegenstrijdige beslissing is hier geen sprake, ook niet als het hof oordeelt dat uit de overwegingen van de Beschikking, waarin een inbreuk wordt vastgesteld op grond van gedragingen die ertoe strekken de mededinging te beperken, volgt kan worden afgeleid dat de vastgestelde inbreuk effect op de markt heeft gehad. De omstandigheid dat de nationale rechter niet is gebonden aan de overwegingen in het lichaam van de beschikking van de Commissie, betekent echter niet dat het de nationale rechter bij de beoordeling van de vraag of een (vaststaande) kartelinbreuk effecten heeft gehad op marktpartijen, niet zou zijn toegestaan zich op zulke overwegingen te baseren.
3.13
Subonderdeel 1.3 klaagt dat het oordeel van het hof dat uit de Beschikking volgt dat de Inbreuk een effect op de markt heeft gehad in ieder geval onvoldoende (begrijpelijk) is gemotiveerd. Het hof zou onvoldoende hebben gerespondeerd op het betoog van Kone (i) dat uit de Beschikking niet volgt dat de inbreuk ertoe heeft geleid dat de prijzen van liften en diensten gedurende de inbreukperiode hoger lagen dan daarna (of daarvoor) en dat (ii) uit de Beschikking wél volgt dat de Commissie de effecten van de inbreuk niet heeft onderzocht althans niet heeft vastgesteld. Bovendien valt uit de door het hof aangehaalde passages hooguit af te leiden dat de Commissie is uitgegaan van een effect, maar niet van een prijsopdrijvend effect.
3.14
De klacht gaat niet op. Uit het citaat in rov. 6.11 volgt dat de gedragingen van de karteldeelnemers waren gericht op het opkrikken van prijzen boven het niveau dat bij vrije mededinging zou bestaan. In het deel van randnummer 576 van de Beschikking dat het hof citeert in rov. 6.11, staat niet dat de karteldeelnemers hun doel bereikten.30.Dat een prijsopdrijvend effect op zijn minst aannemelijk is volgt ook uit (de samenhang met) de citaten in de daaropvolgende rov. 6.12. Daar staat dat in de praktijk biedingen zo werden afgestemd dat een lagere biedprijs niet tot stand zou kunnen komen: “[…] that the other cartel members would not undercut such offers.” En: “[…] that the undertaking that had issued the lowest formal bid was protected from subsequent lower bids […].” Deze citaten vormen een afdoende grondslag voor de verwerping van de standpunten van Kone. Het hof hoefde daartoe niet expliciet in te gaan op de stelling dat de Commissie de effecten van de vastgestelde gedragingen niet heeft onderzocht of vastgesteld. Het hof lijkt dit laatste ook te onderkennen (zie de eerste zin van het citaat in rov. 6.10), maar heeft gemeend dat – desondanks – uit de overwegingen van de Beschikking valt af te leiden dat een (prijsopdrijvend) effect aannemelijk kan worden geacht en heeft daaruit afgeleid dat de mogelijkheid van schade in de vorm van een meerprijs aannemelijk is. Deze precisering (‘mogelijkheid van schade’) is van belang omdat dit de maatstaf is voor verwijzing naar de schadestaatprocedure31.(waarover hierna meer). Uit de slotzin van rov. 6.25 blijkt dat het hof dit ook bij de beoordeling van de grieven over het effect van de inbreuk heeft onderkend. Dat deze drempel (‘mogelijkheid van schade is aannemelijk’) wordt gehaald op basis van de door het hof geciteerde passages uit de Beschikking, wordt op zichzelf niet bestreden.
3.15
Subonderdeel 1.4 geeft een bepaalde lezing van rov. 6.10 t/m 6.13: voor zover het hof de geciteerde overwegingen uit de Beschikking zo heeft uitgelegd dat hieruit alleen zou kunnen worden afgeleid dat de Commissie de precieze effecten van de inbreuk op de markt niet heeft kunnen vaststellen, maar niet dat de Commissie in het geheel niet heeft vastgesteld of de inbreuk tot prijsverhogingen heeft geleid, is dit oordeel onjuist althans onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd om de redenen die zijn vermeld in de vorige subonderdelen.
3.16
Deze klacht mist doel. Het hof legt de Beschikking namelijk niet zo uit als Kone (veronder)stelt. Het hof gaat er niet van uit dat de Commissie een effect heeft vastgesteld. Dit blijkt uit de combinatie van rov. 6.13 en 6.15 (laatste zin) die als volgt luiden:
“6.13 Kone stelt dan ook ten onrechte dat uit de overwegingen in de Beschikking niet kan worden afgeleid dat de inbreuk een prijsopdrijvend effect heeft gehad.
[…]
6.15 […]
In deze (hoofd)procedure volstaat dat de mogelijkheid van schade als gevolg van de inbreuk aannemelijk is.”
3.17
Subonderdeel 1.5 is gericht tegen het oordeel van het hof in rov. 6.16 dat het een ‘feit van algemene bekendheid’ is dat een beperking van de mededinging leidt tot hogere prijzen, ook als niet uitdrukkelijk een prijsverhoging wordt afgesproken. Volgens Kone geeft dit oordeel blijk van een onjuiste rechtsopvatting, althans is het niet begrijpelijk gemotiveerd.
3.18
De klacht snijdt een terecht punt aan, maar kan niet tot cassatie leiden.
3.19
Op grond van art. 149 lid 2 Rv mag de rechter feiten of omstandigheden van algemene bekendheid of ervaringsregels uit eigen beweging aan zijn beslissing ten grondslag leggen. Met ‘feiten of omstandigheden van algemene bekendheid’ wordt gedoeld op een feit dat of een toestand die ieder normaal en algemeen ontwikkeld mens (‘het algemene publiek’) zonder nader onderzoek kan worden geacht te kennen of zonder noemenswaardig onderzoek uit algemeen toegankelijke bronnen te weten kan komen.32.Specialistische kennis is van deze categorie feiten uitgesloten,33.net als feiten die weliswaar kunnen worden gevonden in algemeen toegankelijke bronnen maar niet dan na onderzoek van enige diepgang.34.De enkele omstandigheid dat informatie afkomstig is uit een algemeen kenbare bron (bijvoorbeeld via Google) is onvoldoende om aan te nemen dat het gaat om een feit van algemene bekendheid.35.
3.20
De vaststelling van een feit van algemene bekendheid kan op begrijpelijkheid worden getoetst.36.De feitenrechter heeft als hij moet oordelen of een feit of omstandigheid ‘van algemene bekendheid is’ beoordelingsruimte. De vraag of de feitenrechter met zijn oordeel binnen de wettelijke grenzen van het begrip ‘feit van algemene bekendheid’ is gebleven, is daarentegen een rechtsvraag. In zoverre kan de Hoge Raad het oordeel van de feitenrechter dus volledig toetsen.37.
3.21
Het kennen of leren kennen van het ‘feit’ dat een beperking van de mededinging tot hogere prijzen leidt, ook als niet uitdrukkelijk een prijsverhoging wordt afgesproken, vergt specialistische (economische) kennis. In elk geval brengt de toevoeging ‘ook als niet uitdrukkelijk een prijsverhoging wordt afgesproken’ niet mee dat het een feit van algemene bekendheid zou zijn dat een beperking van de mededinging tot hogere prijzen leidt, ook al zal een deel van het grote publiek dat vermoedelijk wel intuïtief aannemen. Kone klaagt in zoverre dan ook terecht dat het oordeel van het hof op dit punt onjuist althans onbegrijpelijk is. De klacht faalt echter wegens gebrek aan belang. Immers, het hof overweegt tevens dat uit de Beschikking kan worden afgeleid dat de inbreuk een prijsopdrijvend effect heeft gehad (rov. 6.18). Deze overweging kan zelfstandig het oordeel van het hof dragen dat een beperking van de mededinging leidt tot hogere prijzen.
3.22
Subonderdeel 1.6 richt zich in de eerste plaats op rov. 6.11. Kone leest deze overweging aldus dat het hof, ter onderbouwing van het oordeel dat het een feit van algemene bekendheid is dat een beperking van de mededinging een prijsopdrijvend effect heeft, verwijst naar punt 576 van de Beschikking. Het hof miskent daarmee dat de Commissie niet bepaalt of sprake is van een feit van algemene bekendheid en dat dit oordeel ook niet op overwegingen van de Commissie kan worden gebaseerd. Het valt ook niet in te zien hoe uit het citaat uit de Beschikking van de Commissie het oordeel over het feit van algemene bekendheid kan worden afgeleid. In de tweede plaats betoogt het middel dat ook uit rov. 6.12 niet volgt dat het een feit van algemene bekendheid is dat gedragingen die ertoe strekken de mededinging te beperken (steeds) tot hogere prijzen leiden.
3.23
De klachten falen bij gebrek aan feitelijke grondslag in het bestreden arrest. Het hof oordeelt noch suggereert dat de Commissie bepaalt wat een feit van algemene bekendheid is. Verder citeert het hof de Beschikking niet ter adstructie van het oordeel dat sprake is van een feit van algemene bekendheid. Ik lees rov. 6.11 aldus dat het citaat uit de Beschikking het deel van de overweging ondersteunt waarin, na de komma, in de tweede zin van rov. 6.11 staat: ‘ook als niet uitdrukkelijk een prijsverhoging wordt afgesproken’. Het bedoelde citaat gaat over de verschillende gedragingen en mechanismes van de liftfabrikanten (dus niet alleen over een uitdrukkelijke prijsafspraak).38.Daarmee laat het hof zien dat de toevoeging achter de komma in deze zaak van belang is. Ook rov. 6.12 dient niet ter illustratie van het oordeel dat sprake is van een feit van algemene bekendheid. De geciteerde overwegingen tonen dat geen uitdrukkelijke afspraak over prijsverhogingen werd gemaakt, maar dat prijsinformatie werd uitgewisseld en prijzen werden afgestemd.
3.24
In subonderdeel 1.7 maakt Kone bezwaar tegen rov. 6.14. Die overweging luidt als volgt:
“6.14 Ook de Kartelschaderichtlijn gaat ervan uit dat inbreuken op het mededingingsrecht tot een prijsverhoging leiden, en introduceert op grond van dat uitgangspunt een bewijsvermoeden van schade (vgl. overwegingen 43 en 47 en artikel 17 lid 2 van de Kartelschaderichtlijn). Dit bewijsvermoeden is niet (direct) van toepassing op de vorderingen van SECC, want artikel 6:193l BW, dat artikel 17 lid 2 van de Kartelschaderichtlijn implementeert, is op 10 februari 2017 in werking getreden en heeft geen terugwerkende kracht. De economische principes die aan dit bewijsvermoeden ten grondslag liggen zijn echter algemeen aanvaard.”
3.25
Volgens Kone is het hof uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting althans is het oordeel onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd. De Kartelschaderichtlijn en het bewijsvermoeden gaan niet ervan uit dat inbreuken op het mededingingsrecht tot een prijsverhoging leiden en van een algemeen principe dat inbreuken op het mededingingsrecht tot prijsverhoging leiden is geen sprake. Het is zonder nadere toelichting in ieder geval niet in te zien op welke grond het hof het bestaan van een dergelijk principe aanneemt. Het bewijsvermoeden is in het leven geroepen om het probleem van informatieasymmetrie tussen partijen en sommige moeilijkheden in verband met het begroten van schade in mededingingszaken op te lossen.
3.26
De klachten falen reeds wegens gebrek aan belang omdat in rov. 6.14 slechts een aanvullend argument staat ter ondersteuning van de daarvoor getrokken conclusie dat het aannemelijk is dat het liftenkartel tot hogere prijzen heeft geleid. Ter informatie merk ik nog het volgende op.
3.27
In de toelichting bij het voorstel van de Commissie voor de Kartelschaderichtlijn staat het volgende over het bewijsvermoeden (dat toen in art. 16 lid 1 stond):39.
“4.5. Schadebegroting (hoofdstuk V, artikel 16)
Voor het aantonen en begroten van schade in mededingingszaken spelen feiten over het algemeen een belangrijke rol en kunnen de kosten hoog oplopen, omdat complexe economische modellen moeten worden toegepast. Om slachtoffers van een kartel bij te staan bij het begroten van de door de inbreuk op het mededingingsrecht veroorzaakte schade voorziet de voorgestelde richtlijn in een weerlegbaar vermoeden met betrekking tot het bestaan van schade die door een kartel wordt veroorzaakt. Op basis van de vaststelling dat meer dan negen op de tien kartels inderdaad een onrechtmatige prijsverhoging veroorzaken48, maakt dit het voor de benadeelde partij minder moeilijk en duur om te bewijzen dat door het kartel hogere prijzen werden aangerekend dan het geval was geweest indien het kartel niet had bestaan.
48 Quantifying antitrust damages – Towards non-binding guidance for courts, beschikbaar op
3.28
De studie waarnaar in de geciteerde voetnoot wordt verwezen, is in opdracht van de Commissie verricht en staat bekend als ‘het Oxera-rapport’. Op de aangeduide vindplaats staat op basis van een dataset van 114 observaties van kartels de volgende bevinding:
“In 93% of the cases, the overcharge as a percentage of the cartel price is above zero […]. This supports the theory that in most cases the cartel overcharge may be expected to be positive, although it also indicates that there is a small but significant proportion of cartels where there is no overcharge […].”
3.29
In het licht van het voorstel van de Commissie is niet onjuist, onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd de overweging van het hof dat de Kartelschaderichtlijn het bewijsvermoeden heeft geïntroduceerd op grond van de presumptie dat inbreuken op het mededingingsrecht tot een prijsverhoging leiden. Gelet op de onderliggende studie en het op basis daarvan door de Uniewetgever vastgestelde bewijsvermoeden, is het dan ook niet onbegrijpelijk dat het hof aanneemt dat sprake is van een economisch principe dat – in de context van het mededingingsrecht – algemeen is aanvaard.
3.30
Aan het slot van subonderdeel 1.7 klaagt Kone dat het bewijsvermoeden in ieder geval onvoldoende grond biedt om vast te stellen dat de onderhavige inbreuk een prijsopdrijvend effect heeft gehad. Ook deze klacht kan niet tot cassatie leiden omdat het hof deze overweging alleen als een aanvullend argument gebruikt om de aannemelijk geachte verhoging van het prijsniveau in perspectief te plaatsen.
3.31
Met subonderdeel 1.8 komt Kone op tegen het oordeel in rov. 6.11 dat de inbreuk effect heeft gehad op de markt, waaronder een opwaarts effect op de prijzen, en tegen rov. 6.15. Deze overweging luidt als volgt:
“6.15 De economische rapporten die partijen hebben overgelegd zijn geen reden om hier anders over te oordelen. In deze rapporten gaat het met name om de omvang van de mogelijke overcharge (de prijsverhoging die kan worden toegerekend aan het kartel). De economische deskundigen van partijen nemen daar tegengestelde standpunten over in. Het hof is zonder nader (deskundigen)onderzoek niet in staat de juistheid van deze analyses te beoordelen. Dat is in deze (hoofd)procedure ook niet nodig. De discussie over de omvang van de overcharge hoort thuis in de schadestaatprocedure. In deze (hoofd)procedure volstaat dat de mogelijkheid van schade als gevolg van de inbreuk aannemelijk is.”
3.32
Het oordeel in rov. 6.16 is volgens Kone onvoldoende gemotiveerd in het licht van de economische rapporten die in dit geding zijn overgelegd, aan de hand waarvan Kone het prijsopdrijvend effect van de gedragingen van de karteldeelnemers gemotiveerd heeft betwist. Het oordeel in rov. 6.15 vormt daarop een onvoldoende (begrijpelijke) reactie. Het hof kon immers niet vaststellen dat de inbreuk een effect heeft gehad, waaronder hogere prijzen, zonder de op deze rapporten gebaseerde stellingen in zijn oordeel te betrekken.
3.33
De klacht is tevergeefs voorgesteld. Het hof oordeelt in rov. 6.15 in essentie dat de economische rapporten van partijen elkaar in evenwicht houden en dat Kone – ook met de door haar overgelegde rapporten in ogenschouw genomen – niet is geslaagd in het voldoende betwisten van de stelling van DGL over de mogelijkheid van schade als gevolg van de inbreuk. De rapporten gaan met name over de omvang van de meerprijs of prijsopslag ('overcharge’). De weerspreking van Kone wordt gelet hierop onvoldoende bevonden in het licht van het ingeroepen rechtsgevolg (verwijzing naar de schadestaatprocedure) en het partijdebat.40.De maatstaf voor verwijzing naar de schadestaatprocedure, dat de mogelijkheid van schade aannemelijk is, wordt gehaald ondanks de betwisting aan de hand van economische rapporten. Dit oordeel is naar mijn mening niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd.
3.34
Subonderdeel 1.9 bevat een voortbouwklacht. Nu geen van de voorafgaande klachten tot cassatie kan leiden, faalt ook deze voortbouwklacht.
Onderdeel 2: maatstaf voor verwijzing naar de schadestaatprocedure
3.35
De klachten in dit onderdeel zijn (primair) gericht tegen rov. 6.50 en 6.51 van het bestreden arrest. Deze overwegingen luiden als volgt:
“6.50 Met de rechtbank is het hof van oordeel dat de grondslag voor de aansprakelijkheid van Otis en Kone is gelegen in de onrechtmatige deelname aan het kartel. Met betrekking tot de reikwijdte van het kartel heeft het hof reeds vastgesteld dat de effecten van de “single and continuous infringement” omschreven in de Beschikking niet beperkt bleven tot opdrachten ten aanzien waarvan het verdelingsmechanisme concreet werd toegepast, maar dat de verdeling van deze opdrachten onderdeel was van een “overall scheme to share and regulate the market” (randnummer 561 van de Beschikking). Anders dan door Kone wordt gesteld, is het dus niet nodig om voor iedere afzonderlijke transactie tussen een woningcorporatie en een karteldeelnemer na te gaan of onrechtmatig is gehandeld. Ook als een opdracht niet werd aanbesteed, maar één-op-één aan een karteldeelnemer werd gegund, viel zij binnen de reikwijdte van de inbreuk en is de mogelijkheid van schade aannemelijk. De deelname aan het kartel kan dus tot schade hebben geleid zonder dat hoeft te worden vastgesteld dat het gaat om een transactie waarbij het verdelingsmechanisme daadwerkelijk is toegepast.
6.51
Als tweede vereiste geldt dat aannemelijk moet zijn dat een claimhouder mogelijk schade heeft geleden als gevolg van het kartel. Het hof sluit zich aan bij het oordeel van de rechtbank dat aan dit vereiste is voldaan als een claimhouder tijdens de inbreukperiode ten minste één overeenkomst heeft gesloten met betrekking tol de installatie of afname van minimaal één product of dienst van een van de karteldeelnemers. Dat kan een overeenkomst zijn met een karteldeelnemer of een overeenkomst met een derde, waarbij een claimhouder indirect een product of dienst van een karteldeelnemer heeft afgenomen. In dat geval is de mogelijkheid dat die claimhouder schade heeft geleden als gevolg van hel kartel immers aannemelijk, wat voldoende is voorde vestiging van aansprakelijkheid. In de schadestaatprocedure kan dan de omvang van de schade worden vastgesteld, waarbij ook andere schadeposten in aanmerking kunnen worden genomen. […].”
3.36
Onderdeel 2 bevat verschillende klachten met de strekking dat het hof aldus een onjuist en onbegrijpelijk oordeel heeft gegeven over de verhouding tussen de hoofdprocedure en de schadestaatprocedure. Het middel bestrijdt het oordeel van het hof dat de enkele deelname aan het kartel de aansprakelijkheidsvestigende gebeurtenis is en dat het causaal verband tussen die deelname voor aansprakelijkheid en schade aanwezig moet worden geacht als de partij die stelt te zijn benadeeld in de relevante periode ten minste één transactie is aangegaan. Volgens Kone kan een verbintenis tot schadevergoeding alleen per transactie ontstaan.41.Slechts indien aan die voorwaarde is voldaan is er een grondslag voor aansprakelijkheid. Verwijzing naar de schadestaatprocedure kan pas plaatsvinden indien daarnaast de mogelijkheid van schade aannemelijk is.
3.37
Dit onderdeel ziet primair op een procedurele kwestie (kan naar de schadestaat worden verwezen?), maar de vereisten waaraan voor een dergelijke verwijzing moet zijn voldaan zijn verweven met materieelrechtelijke vragen. Die vragen worden bovendien deels door het Unierecht en deels door het nationale recht beheerst. Gelet op deze problematiek meen ik er goed aan te doen eerst het juridisch kader te schetsen. Daarin bespreek ik (1) de drie criteria voor verwijzing naar de schadestaatprocedure, (2) in verband met het eerste criterium, de voorwaarden voor het vaststellen van de aansprakelijkheidsgrondslag in kartelschadezaken en, in het verlengde daarvan, (3) enkele buitenlandse uitspraken in kartelschadezaken.
Juridisch kader
(1) Criteria voor verwijzing naar de schadestaatprocedure
3.38
De schadestaatprocedure is geregeld in art. 612 e.v. Rv (de zesde titel van het tweede boek van Rv met als opschrift: van het vereffenen van schadevergoeding).42.De regeling heeft vooral een proceseconomisch doel.43.Zij sluit aan bij afdeling 6.1.10 BW betreffende de wettelijke verplichtingen tot schadevergoeding. Art. 612 Rv is in beginsel dan ook van toepassing op wettelijke verplichtingen tot schadevergoeding, zoals die uit wanprestatie en onrechtmatige daad.44.
3.39
Art. 612 Rv luidt als volgt:
“De rechter die een veroordeling tot schadevergoeding uitspreekt, begroot, voor zover hem dit mogelijk is, de schade in het vonnis. Indien begroting in het vonnis hem niet mogelijk is, spreekt hij een veroordeling uit tot schadevergoeding op te maken bij staat.”
In de schadestaatprocedure kan worden vastgesteld wat de precieze inhoud en de omvang is van de in de hoofdprocedure vastgestelde verplichting tot schadevergoeding.45.
3.40
De maatstaf voor verwijzing naar de schadestaatprocedure omvat drie cumulatieve vereisten:46.
1. de grondslag voor de aansprakelijkheid van de schuldenaar moet vaststaan;
2. de mogelijkheid van schade moet aannemelijk zijn; en
3. de begroting van de schade is in de hoofdprocedure niet mogelijk.
3.41
Het eerste vereiste houdt in dat de rechter in de hoofdprocedure moet vaststellen dat en waarom (en dus op grond waarvan) gedaagde aansprakelijk is.47.De rechter in de schadestaatprocedure is aan dat oordeel gebonden.48.Voor verweren die de grondslag van de vergoedingsverplichting ter discussie stellen is in de schadestaatprocedure dan ook geen plaats.49.In die procedure kunnen slechts schadeposten aan de orde komen die zijn veroorzaakt door de in de hoofdprocedure vastgestelde normschending.50.Wel kunnen nieuwe schadeposten in de schadestaat worden opgenomen, mits die het gevolg zijn van die zelfde normschending.
3.42
Het tweede vereiste voor verwijzing naar de schadestaat is dat de mogelijkheid van geleden of nog te lijden schade aannemelijk is, welke schade is of wordt veroorzaakt door een aansprakelijkheidsvestigende gebeurtenis. Dit houdt niet in dat aannemelijk moet zijn dat (enige) schade is geleden.51.De eiser moet in de hoofdprocedure een toereikende onderbouwing geven waaruit naar ervaringsregels volgt dat waarschijnlijk (enige) schade zal zijn of worden geleden.52.Daarmee geldt voor de stelplicht dat de mogelijkheid van schade aannemelijk is een relatief lage lat.53.Een vordering tot verwijzing naar de schadestaat moet worden afgewezen als de rechter in de hoofdprocedure oordeelt dat de mogelijkheid van schade niet aannemelijk is.
3.43
Het derde vereiste voor verwijzing naar de schadestaat houdt in dat de rechter, op basis van de vaststaande feiten en het partijdebat, de schade niet kan begroten. Dit is dus een vereiste om te kunnen verwijzen, maar als aan die voorwaarde is voldaan wil dat niet zeggen dat de rechter ook moet verwijzen. De rechter kan er voor kiezen om in de hoofdprocedure verder te gaan en, conform het wettelijk uitgangspunt, in die procedure de schade te begroten. De rechter kan daarbij eiser opdragen om informatie over te leggen ten aanzien van de gestelde schade en eiser daarmee in de gelegenheid stellen aan zijn stelplicht te voldoen.54.Indien de rechter daar niet voor kiest en ook niet in staat is de schade direct te begroten, is hij verplicht het geding naar de schadestaatprocedure te verwijzen.
3.44
Indien eiser verwijzing naar de schadestaat heeft gevorderd, dient de rechter de afwijzing van die vordering te motiveren. Indien eiser geen verwijzing naar de schadestaat heeft gevorderd, kan de rechter toch het geding naar die procedure verwijzen als dat hem doelmatig voorkomt en aan de drie genoemde vereisten is voldaan.
(2) Vaststelling van de grondslag voor aansprakelijkheid in kartelschadezaken
3.45
De vraag is nu hoe het hiervoor genoemde eerste vereiste moet worden ingevuld in kartelschadeprocedures. Net als in de zaken Air Cargo en Trucks, waarin de Hoge Raad recent een tussenarrest heeft gewezen55., gaat het in de onderhavige zaak om zogenoemde follow-on vorderingen. Dat is een vordering tot vergoeding van de schade die eisende partijen stellen te hebben geleden als gevolg van een inbreuk op het Europese kartelverbod die door de Commissie56.bij besluit formeel is vastgesteld. Partijen die menen schade te lijden of te zullen lijden als gevolg van een kartel (hierna: benadeelden57.) kunnen naar de feitelijke vaststellingen in dat besluit verwijzen en hoeven dus niet zelf het bewijs bij te brengen dat de gedaagden verboden kartelafspraken hebben gemaakt. Een vordering tot vergoeding van schade die het gevolg is van een inbreuk op het mededingingsrecht kan ook worden ingesteld zonder dat er al een besluit van de Commissie ligt. Zo’n vordering wordt aangeduid als een stand-alone actie. Anders dan bij een follow-on vordering moet de eiser dan bewijzen dat de door hem aangesproken ondernemingen inbreuk op het mededingingsrecht hebben gemaakt. Dat bewijs is doorgaans moeilijk te leveren. Veruit de meeste kartelschadezaken bij de nationale rechter zijn dan ook follow-on vorderingen.
3.46
Het recht om volledige schadevergoeding te vorderen die het gevolg is van inbreuk op het Europese kartelverbod volgt rechtstreeks uit het Unierecht. Het is afgeleid uit (de nuttige werking van) art. 101 lid 1 VWEU, dus uit de materiële verbodsnorm. De voorwaarden die het recht op schadevergoeding doen ontstaan worden rechtstreeks beheerst door het Unierecht. Die voorwaarden zijn: (1) schending van het Europees mededingingsrecht, (2) schade en (3) causaal verband tussen schade en schending.58.De uitoefening van het recht op schadevergoeding wordt daarentegen geregeld in het toepasselijke nationale (proces)recht. Het nationale procesrecht moet verenigbaar zijn met het gelijkwaardigheidsbeginsel en het doeltreffendheidsbeginsel. Strijd met het doeltreffendheidsbeginsel doet zich voor als een nationale rechtsregel het uitoefenen van een door het Unierecht toegekend recht (praktisch) onmogelijk of uiterst moeilijk maakt. De lat ligt dus hoog, maar deze inkadering geldt voor een groot scala aan nationale rechtsregels, met inbegrip van de feitenvaststellingen om te onderzoeken of aan de voorwaarde van causaliteit is voldaan.59.
3.47
Ter illustratie van dit laatste citeer ik een overweging uit het arrest Schienenkartell II van het Duitse Bundesgerichtshof (2020):60.
“Zwar ist nach dem Inhalt des Unionsrechts jeder Schaden, der in einem ursächlichen Zusammenhang mit einer Zuwiderhandlung gegen Art. 101 AEUV steht, nach dieser Vorschrift ersatzfähig. […]. Der Begriff der haftungsausfüllenden Kausalität ist damit im Ausgangspunkt unionrechtlich determiniert. Da es an einer näheren Ausgestaltung dieses Begriffs im Unionsrecht fehlt, obliegt es aber dem nationalen Recht der Mitgliedstaaten, die Modalitäten der Ausübung und Durchsetzung des unionsrechtlich begründeten Schadensersatzanspruchs unter Einschluss des Kausalitätsbegriffs zu regeln […], wobei die Mitgliedstaaten nach den Grundsätzen der Effektivität und der Äquivalenz verpflichtet sind, die wirksame Anwendung der Wettbewerbsregeln und des sich aus ihnen ergebenden Schadensersatzanspruchs sicherzustellen […] Zu diesen Modalitäten zählen jedenfalls die Vorschriften über die zivilprozessrechtlichen Anforderungen an die richterliche Tatsachenfeststellung (vgl. Generalanwältin Kokott, Schlussanträge vom 29. Juli 2019 - C-435/18 Rn. 44 - Otis u.a./Land Oberösterreich).“
3.48
De rechtspraak van het Hof van Justitie kent verschillende voorbeelden van zaken die illustreren dat een nationale rechtsregel wegens strijd met het doeltreffendheidsbeginsel niet (onverkort) kan worden toegepast. Meestal gaat het dan om een nogal categorische nationale rechtsregel die de mogelijkheid om vergoeding van geleden kartelschade in een bepaald opzicht inperkt. Voorbeelden daarvan zijn: een Finse rechtsregel op grond waarvan een partij die een onderneming heeft voortgezet niet aansprakelijk kan worden gehouden voor schade als gevolg van een door haar rechtsvoorganger begane inbreuk op het kartelverbod (Skanska)61.; een Oostenrijkse rechtsregel op grond waarvan ‘parapluschade’62.wegens ontbreken van causaliteit categorisch van vergoeding is uitgesloten (Kone)63.; een andere Oostenrijkse zaak waarin werd uitgemaakt dat een partij die niet zelf afnemer is van de onder het kartel vallende goederen of diensten maar indirect daardoor toch schade heeft geleden, vergoeding van die schade moet kunnen vorderen (Otis)64.; en strikte verjaringsregels voor vorderingen tot schadevergoeding wegens een inbreuk op het mededingingsrecht (Cogeco en Heureka).65.Ik noem in dit verband ook een recente uitspraak waarin een Duitse rechtsregel, die aan bundeling van vorderingen tot schadevergoeding in de weg staat want de overdracht van schuldvorderingen aan rechtsbijstandverleners verbiedt, in strijd werd verklaard met art. 101 VWEU en enkele bepalingen van de Kartelschaderichtlijn (ASG 2).66.
3.49
De Kartelschaderichtlijn, die op 27 december 2016 diende te zijn omgezet in nationale regelgeving, bevestigt dat een benadeelde op grond van het Unierecht aanspraak heeft op volledige schadevergoeding (geleden verlies, gederfde winst en rente). Tegelijkertijd legt deze richtlijn vast dat niet meer schade mag worden vergoed dan er is of nog wordt geleden. De richtlijn schrijft dus een compensatoire benadering voor, waarin geen ruimte is voor punitieve schadevergoeding. Volledige schadevergoeding is, althans in theorie, zowel het vereiste minimum als het toegestane maximum.67.Waar nationale regels op grond van de Kartelschaderichtlijn zijn geharmoniseerd, bestaat in beginsel geen behoefte meer aan een begrenzing van die regels door het doeltreffendheidsbeginsel. Voor rechtsregels die van toepassing zijn op de uitoefening van het recht op kartelschadevergoeding maar niet zijn geharmoniseerd, is het doeltreffendheidsbeginsel onverkort relevant. Dit beginsel is daarom ook neergelegd in de Kartelschaderichtlijn (art. 4).
3.50
In de Beschikking heeft de Commissie, zoals zij vaker doet, bepaald dat de liftenfabrikanten hebben deelgenomen aan een ‘enkele en voortdurende inbreuk’ (a single and continuous infringement). Dit begrip maakt het mogelijk dat een onderneming voor de gehele duur van haar deelname aan de inbreuk eveneens verantwoordelijk wordt gehouden voor de gedragingen van andere ondernemingen in het kader van deze inbreuk, zonder dat daarbij onderscheid wordt gemaakt tussen afzonderlijke gedragingen, en zonder dat behoeft vast te staan dat elk van deze gedragingen op zichzelf en afzonderlijk beschouwd als inbreuk op art. 101 VWEU kan worden aangemerkt.68.Het begrip ‘enkele en voortdurende inbreuk’ is ingegeven door het doeltreffendheidsbeginsel vanuit de rechtspolitieke keuze dat het wenselijk en noodzakelijk is de mededingingsregels strikt te handhaven. De vraag is nu of de vaststelling van een enkele en voortdurende inbreuk door de Commissie de rechter de aansprakelijkheidsgrondslag aanreikt die nodig is om naar de schadestaatprocedure te kunnen verwijzen.
3.51
De schending van art. 101 lid 1 VWEU is te kwalificeren als onrechtmatig handelen wegens strijd met een wettelijke plicht (art. 6:162 lid 2 BW). Ik meen dat de nationale rechter gehouden is het door de Commissie gebruikte begrip ‘enkele en voortdurende inbreuk’ toe te passen in een follow-on schadevergoedingsvordering, gelet op de voorrang van het Unierecht en de noodzaak dit recht uniform uit te leggen. Concreet betekent dit dat de rechter de aansprakelijkheidsvestigende voorwaarden naar nationaal recht moet uitleggen in overeenstemming met het Commissie-besluit waarin de kartelinbreuk is vastgesteld en gekwalificeerd (hier: in de Beschikking). De nationale rechter is gebonden aan de vaststellingen in het besluit van de Commissie waarop de vordering tot schadevergoeding is gebaseerd, met inbegrip van de gebezigde kwalificatie ‘enkele en voortdurende inbreuk’. Ik baseer dit standpunt dus op de algemene institutionele kenmerken van het supranationale Unierecht. Aan het doeltreffendheidsbeginsel wordt dan niet toegekomen. Op dat punt is er een verschil met zaken waarin bijvoorbeeld in geschil is wat het toepasselijk recht is op follow-on vorderingen, zoals de zaken Air Cargo en Trucks. In een Commissie-besluit waarin een kartel wordt vastgesteld, wordt namelijk niets bepaald aangaande het toepasselijke recht op eventuele latere follow-on vorderingen, ook niet als in dat besluit het begrip ‘enkele en voortdurende inbreuk’ is toegepast.
3.52
De nationale rechter dient tevens te beoordelen of er een causaal verband is tussen de aldus gemunte onrechtmatigheid en de schade die eiser stelt als gevolg daarvan te lijden.69.Indien het causaal verband wordt ingevuld op basis van het concept dat er tijdens de kartelperiode bij ieder schadeveroorzakend handelen een nieuwe verbintenis en daarmee een afzonderlijke vordering ontstaat, wordt mogelijk afbreuk gedaan aan de uniforme uitleg van het Unierecht. De noodzaak het Unierecht uniform uit te leggen laat zich juist bij kartelschadevorderingen goed verstaan, omdat het regelmatig voorkomt dat een zelfde Commissiebesluit waarbij een kartel is vastgesteld en beboet in verschillende lidstaten tot follow-on acties leidt.70.Om die reden moet de voorwaarde van causaal verband tussen schade en inbreuk mijns inziens eveneens worden ingevuld aan de hand van het in het Commissie-besluit toegepaste concept van de enkele en voortdurende inbreuk.
3.53
Een recent artikel in Common Market Law Review behandelt de betekenis van de single infringement (afgekort SI) in kartelschadevorderingen bij de nationale rechter. In het inleidende gedeelte van dat artikel wordt deze problematiek als volgt samengevat:71.
“The EU has not provided comprehensive rules on causal relationships or on harmful events that are relevant to them, but substantive EU competition law can affect the manner in which Member States may interpret their domestic causality rules in damages litigation. Accordingly, the notion of SI may be at least as relevant as national law. This proposition accords with the recent damages liability case law of the ECJ, in which the Court has underlined the need to guarantee the full effectiveness of the EU provisions and applied EU competition […] law concepts to private enforcement, regulating national tort law rules to a complementary role.”72.
De auteurs erkennen dat er vanuit privaatrechtelijk oogpunt bezwaren kunnen kleven aan het streven naar zo veel mogelijk consistentie tussen de publieke en de private handhaving van het mededingingsrecht:
“From the standpoint of Member State courts, this approach can be disruptive because competition law-based civil claims become a unique type of damages action whose exact rules are revealed by the ECJ one ruling at the time. The ECJ is clearly aware that the choice between EU competition law and national tort law is a balancing act. Accordingly, the Court has also limited the impact of substantive EU competition law on private enforcement. The ECJ has, for example, mostly left causal links to national law. […].”
En ook dat:
“[…] substantive EU competition law and its objectives significantly impact the application of national liability rules.”73.
De auteurs concluderen niettemin dat de uitleg dat bij follow-on vorderingen de gehele enkele (en voortdurende) inbreuk moet worden aangemerkt als de schadeveroorzakende gebeurtenis voor juist (en wenselijk) moet worden gehouden:
[…] It is contended here that in SI cases, the entire SI should be treated as the relevant harmful event for the purpose of establishing a causal link between harm and infringement. This interpretation of European competition law would, among other things, be simpler, in terms of substantive law, than any of its alternatives. It would also strengthen the alignment of the public and the private enforcement of the EU competition rules, enhance legal certainty, and reduce litigation costs.”
3.54
Aan de voorwaarde van een causaal verband tussen een enkele en voortdurende inbreuk en de mogelijke schade is in beginsel voldaan als voldoende aannemelijk is gemaakt dat ten minste één transactie heeft plaatsgevonden die door de kartelgedragingen kan zijn ‘besmet’. Indien daarnaast de mogelijkheid van schade aannemelijk is (en daar mag bij een inbreuk op het kartelverbod ten aanzien van daaraan deelnemende ondernemingen in beginsel van uit worden gegaan), kan de rechter het geding naar de schadestaat verwijzen. Voor het vaststellen van de grondslag voor de aansprakelijkheid is daarom niet noodzakelijk dat alle specifieke transacties ter uitvoering van het kartel al in kaart zijn gebracht.
3.55
Mij lijkt dat bij andere vormen van voortdurend onrechtmatig handelen, zoals hinder of oneerlijke mededinging, een zelfde benadering kan worden gevolgd, en wel op grond van het nationale recht. Bij hinder door opeenvolgende lozingen van giftige stoffen bijvoorbeeld kan aansprakelijkheid worden vastgesteld zonder dat vaststaat hoe vaak stoffen zijn geloosd en hoeveel daarvan precies is geloosd gedurende de periode dat er werd geloosd. Als vaststaat dat de lozingen hebben plaatsgevonden en aannemelijk is dat die tot schade hebben geleid, bijvoorbeeld aan landbouwgewassen, dan kan naar de schadestaatprocedure worden verwezen om de schade vast te stellen en de omvang daarvan te begroten of, als dat niet mogelijk is, die te schatten. Met dit (fictieve) voorbeeld wil ik illustreren dat reeds wegens het voortdurende karakter van een kartelinbreuk ook naar nationaal aansprakelijkheidsrecht betoogd kan worden dat het voor het vaststellen van de grondslag voor aansprakelijkheid kan volstaan dat ten minste één schadeveroorzakende gebeurtenis vaststaat, dus zonder dat het concept van enkele en voortdurende inbreuk hoeft te worden toegepast. Het voortdurende karakter van inbreuk heeft ook gevolgen voor het aanvangstijdstip van de verjaring. Dat tijdstip kan samenvallen met opeenvolgende gebeurtenissen (zodat de verjaringstermijn in de tijd opschuift), maar als daar onzekerheid over bestaat kan ook worden aangenomen dat de verjaringstermijn is gaan lopen op het tijdstip waarop de schadeveroorzakende gebeurtenis is opgehouden te bestaan.74.In die benadering wordt dus ook geabstraheerd van individuele gebeurtenissen die hebben plaatsgevonden gedurende de periode dat het onrechtmatig handelen heeft geduurd.
3.56
Ik wijs er verder op dat voor een gedaagde de benadering waarbij het vaststaan van één transactie (die mogelijk een schadepost heeft veroorzaakt) volstaat als grondslag voor aansprakelijkheid, uiteindelijk qua financiële uitkomst niet ongunstiger hoeft uit te pakken dan de benadering waarin pas naar de schadestaat kan worden verwezen als de grondslag voor aansprakelijkheid voor alle afzonderlijke transacties is vastgesteld. In beide situaties (schadebegroting in de hoofdzaak en schadebegroting in de schadestaatprocedure) is voor het toewijzen van een bepaald bedrag aan schadevergoeding vereist dat de schadepost per transactie wordt vastgesteld. Uitgangspunt daarbij is dat een transactie een of meer schadeposten kan doen ontstaan. Bij elkaar opgeteld leiden alle bewezen schadeposten tot het bedrag aan schade dat moet worden vergoed. De uitsplitsing per afzonderlijke transactie vindt dus wel degelijk plaats, maar in een latere fase: niet vooraf bij de vaststelling van de grondslag voor aansprakelijkheid in de hoofdprocedure (zo lang er voldoende bewijs is van ten minste één transactie), maar achteraf bij het onderzoek naar de omvang van de schade in het kader van de schadestaatprocedure.
(3) Enkele buitenlandse uitspraken in kartelschadezaken
3.57
Ter afronding van dit juridisch kader wijs ik op enkele buitenlandse uitspraken.75.
3.58
Ik begin met een recente uitspraak van het Hof van Beroep Brussel in een andere liftenzaak.76.Daarin trad de Commissie op in een privaatrechtelijke hoedanigheid namens de Europese Unie.77.Zij vorderde vergoeding van schade als gevolg van het liftenkartel in België en Luxemburg, namelijk schade die zou zijn geleden bij het sluiten van overeenkomsten van onderhoud en modernisering van liften in kantoorgebouwen van de Europese Unie.
3.59
Het Hof van Beroep oordeelt dat de Europese Unie moet bewijzen dat zij schade heeft geleden als gevolg van het liftenkartel. Het overweegt dat de Europese Unie niet wordt gehinderd door een informatie-asymmetrie, dat het Europese doeltreffendheidsbeginsel haar niet ontslaat van de op haar rustende bewijslast, en dat “voor het bewijs in mededingingsrecht niet een andere standaard geldt dan voor het gewone aansprakelijkheidsrecht”.78.Voor elk van de (twintig) door de Europese Unie in de inbreukperiode gesloten overeenkomsten met liftfabrikanten moet zij aantonen dat de kartelinbreuk schade heeft veroorzaakt. Verder overweegt het Hof van Beroep dat met het bestaan van de kartelgedragingen wel een verstoring van de mededinging is bewezen, maar niet een concreet nadeel van een welbepaalde marktdeelnemer. Voor een raming naar billijkheid is geen ruimte, want daaraan vooraf “gaat het bewijs dat er schade is, en dit is er niet”.79.De conclusie luidt dat de Europese Unie niet voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij door concrete ‘fouten’ van de liftfabrikanten schade heeft geleden.
3.60
Verder wijs ik op Duitse rechtspraak over het vermoeden dat een kartel leidt tot hogere prijzen. Het Bundesgerichtshof (hierna: BGH) heeft meermaals geoordeeld dat wanneer een kartel is vastgesteld er een feitelijk vermoeden (tatsächliche Vermutung) geldt dat het kartel een opwaarts effect op de prijsvorming heeft gehad. Dat vermoeden wordt gebaseerd op een economisch ervaringsfeit.
3.61
Ik citeer als voorbeeld uit de uitspraak van 23 september 2020 in de zaak LKW Kartell I:80.
“40 […] Der Bundesgerichtshof geht in ständiger Rechtsprechung davon aus, dass zugunsten des Abnehmers eines an einer Kartellabsprache beteiligten Unternehmens eine auf der hohen Wahrscheinlichkeit eines solchen Geschehens beruhende tatsächliche Vermutung - im Sinne eines Erfahrungssatzes - dafür streitet, dass die im Rahmen des Kartells erzielten Preise im Schnitt über denjenigen liegen, die sich ohne die wettbewerbsbeschränkende Absprache gebildet hätten […]. Grundlage dieses Erfahrungssatzes ist die wirtschaftliche Erfahrung, dass die Gründung und Durchführung eines Kartells regelmäßig zu einem Mehrerlös der daran beteiligten Unternehmen führt. Durch Kartellabsprachen sind die beteiligten Unternehmen jedenfalls in einem gewissen Umfang der Notwendigkeit enthoben, sich im Wettbewerb zur Erlangung von Aufträgen gegen konkurrierende Unternehmen durchzusetzen, und Unternehmen, die sich aufgrund solcher Absprachen nicht dem Wettbewerb, insbesondere dem Preiswettbewerb, stellen müssen, werden im Regelfall keinen Anlass sehen, bestehende Preissenkungsspielräume zu nutzen […].“
Dit feitelijk vermoeden laat onverlet dat het bewijs van schade moet worden geleverd.
3.62
Verder wijs ik erop dat BGH meermaals heeft uitgemaakt dat in het Duitse recht naar aanleiding van iedere individuele transactie een zelfstandige vordering ontstaat. Ik verwijs naar de zaak Schienenkartell V (2020), waar het BGH overweegt:81.
"73 […] Das Berufungsgericht ist in Übereinstimmung mit der Rechtsprechung des Bundesgerichtshofs davon ausgegangen, dass die aus den einzelnen Erwerbsvorgängen abgeleiteten Schaden, welche die Klägerin geltend macht, materiell-rechtlich jeweils selbständige Ansprüche bilden […].”
In lijn daarmee overweegt het BGH in de zaak Stahl-Strahlmittel (2022):82.
“70. “1. Die hinreichende Wahrscheinlichkeit eines Schadens muss für jeden einzelnen Schadenersatzanspruch vorliegen, dessen Bestehen festgestellt werden soll. […] Nach der Rechtsprechung des Bundesgerichtshofs bilden die aus den einzelnen Beschaffungsvorgängen abgeleiteten Schäden, die die Klägerin geltend macht, materiell-rechtlich jeweils selbständige Ansprüche […].“
De uit de afzonderlijke aankooptransacties voortvloeiende schade levert materieelrechtelijk dus zelfstandige vorderingen op.
3.63
Het BGH maakt voor de vraag of aansprakelijkheid is gevestigd een onderscheid tussen Kartellbetroffenheit en Kartellbefangenheit. Kartellbetroffenheit ziet op de vraag of het verboden kartel een grond kan vormen voor schade. De door het BGH gehanteerde maatstaf is namelijk of het vastgestelde mededingingsbeperkende gedrag de eiser direct of indirect schade kan berokkenen, hetzij door het sluiten van verkooptransacties voor producten die voorwerp van het kartel zijn, hetzij op andere wijze. Dit duidt het BGH aan als de ‘haftungsbegründende Kausalität’. De effecten van het verboden gedrag op door de eiser afgesloten transacties staan hier buiten. Kartellbefangenheit daarentegen ziet juist wel op de concrete effecten van de verboden kartelafspraak op de individuele eiser. Als die effecten aannemelijk zijn gemaakt, dan is de concrete transactie ‘kartellbefangen’ en is daarmee vastgesteld dat aannemelijk is dat de transactie een schadepost tot gevolg heeft gehad. Het effect van het kartel op verrichte aankooptransacties zorgt voor de ‘haftungsausfüllende Kausalität’. Daarmee staat dan naast het onrechtmatig handelen ook het causaal verband vast en is voldaan aan de aansprakelijkheidsvestigende voorwaarden.
3.64
Het voorgaande is verwoord in de zaak Schienenkartell II (2020):83.
“25. Vor diesem Hintergrund kommt dem Merkmal der Betroffenheit im Sinne des § 33 Abs. 1 Satz 1 GWB 2005 bei der Prüfung des haftungsbegründenden Tatbestands eines kartellrechtlichen Schadensersatzanspruchs - ähnlich wie bei sonstigen Schadenersatzansprüchen, die eine Rechtsgutsverletzung nicht voraussetzen […] - Bedeutung nur für die Frage zu, ob dem Anspruchsgegner ein wettbewerbsbeschränkendes Verhalten anzulasten ist, das - vermittelt durch den Abschluss von Umsatzgeschäften oder in anderer Weise - geeignet ist, einen Schaden des Anspruchstellers mittelbar oder unmittelbar zu begründen […]. Für die Feststellung dieser Voraussetzungen gilt der Maßstab des § 286 ZPO. Im Streitfall sind sie ohne weiteres erfüllt, weil die Klägerin […] von der am Kartell beteiligten Beklagten Waren erworben hat, welche Gegenstand der Kartellabsprache waren.
26. Zur Ermittlung der haftungsbegründenden Kausalität muss hingegen nicht festgestellt werden, ob sich die Kartellabsprache auf den in Rede stehenden Beschaffungsvorgang, auf den der Anspruchsteller seinen Schadensersatzbegehren stützt, tatsachlich ausgewirkt hat und das Geschäft damit in diesem Sinn “kartellbefangen" war. […] Auf eine solche „Kartellbefangenheit" des Erwerbsvorgangs kommt es im Rahmen der Prüfung des haftungsbegründenden Tatbestands eines kartellrechtlichen Schadensersatzanspruchs damit nicht an.“
27. Die Frage nach der im vorstehenden Sinn verstandenen Kartellbefangenheit einzelner Erwerbsvorgänge ist gleichbedeutend mit der für den unionsrechtlich determinierten Schadensersatz maßgeblichen Frage nach dem ursächlichen Zusammenhang zwischen der Kartellabsprache und dem Vorliegen eines individuellen Schadens. Erweist sich, dass dem Anspruchsteller ein der Kartellabsprache zurechenbarer Schaden entstanden ist, steht zugleich fest, dass sich die verbotene Absprache nachteilig auf das Geschäft, insbesondere auf den gezahlten Preis, ausgewirkt hat. Diese Gesichtspunkte sind im Rahmen der Schadensfeststellung Gegenstand der haftungsausfüllenden Kausalität."
In lijn daarmee wordt onder meer in de zaak LKW-Kartell II (2021) overwogen:84.
„Auf die weitergehende Frage, ob sich die Kartellabsprache auf den in Rede stehenden Beschaffungsvorgang, welchen der Anspruchsteller seinem Schadensersatzbegehren zugrunde legt, tatsächlich nachteilig ausgewirkt hat und das Geschäft damit in diesem Sinn „kartellbefangen" oder „kartellbetroffen" war, kommt es im Rahmen der Prüfung der haftungsbegründenden Kausalität nicht an."
En in de zaak Schlecker (2022):85.
“Die Kartellbetroffenheit, die Voraussetzung des haftungsbegründenden Tatbestandes eines kartellrechtlichen Schadensersatzanspruchs ist, setzt lediglich voraus, dass das wettbewerbsbeschränkende Verhalten geeignet ist, einen Schaden des Anspruchstellers unmittelbar oder mittelbar zu begründen. Für die Feststellung dieser Voraussetzung gilt der Maßstab des § 286 ZPO. Auf die weitergehende Frage, ob sich der Kartellrechts Verstoß auf den in Rede stehenden Beschaffungsvorgang, welchen der Anspruchsteller seinem Schadensersatzbegehren zugrunde legt, tatsächlich ausgewirkt hat und das Geschäft damit in diesem Sinn "kartellbefangen" oder "kartellbetroffen" war, kommt es bei der Prüfung der haftungsbegründenden Kausalität hingegen nicht an. Es bedarf daher nicht der Feststellung einer konkret-individuellen Betroffenheit […].”
3.65
Deze rechtspraak van de hoogste Duitse rechter biedt zijdelings (in deze zaak is immers Nederlands recht van toepassing) steun voor de opvatting dat aan het eerste vereiste voor verwijzing naar de schadestaatprocedure is voldaan als het onrechtmatige gedrag kan leiden tot aansprakelijkheid en er (een of meer) transacties hebben plaatsgevonden waarop het aansprakelijkheidsvestigende causaal verband kan worden gebaseerd, zonder dat vereist is dat het aantal transacties en het effect van het kartelgedrag op de transacties vaststaat. Er is een tweedeling in de procedure die sterk vergelijkbaar lijkt te zijn met de procedure in Nederland: voor het in behandeling nemen van de vraag wat de concrete schade is, volstaat dat de schade zoals die wordt gevorderd geleden kan zijn; daarna wordt de concrete schade en de omvang daarvan onderzocht.
3.66
Daarmee kom ik nu toe aan de bespreking van de klachten van onderdeel 2.
Bespreking van de klachten
3.67
Het belangrijkste geschilpunt is of de grondslag van de aansprakelijkheid voldoende vaststaat (het hiervoor genoemde eerste vereiste voor verwijzing naar de schadestaatprocedure) als in de hoofdprocedure slechts één transactie tussen benadeelde en karteldeelnemer is vastgesteld. Dat de rechter niet in staat is om de schade dadelijk te begroten (het derde vereiste) staat tussen partijen vast.86.
3.68
Subonderdelen 2.1 en 2.2 bevatten rechtsklachten tegen het oordeel in rov. 6.29 dat de voor de verwijzing naar de schadestaatprocedure vast te stellen grondslag voor aansprakelijkheid is gelegen in de onrechtmatige deelname aan het kartel én tegen het oordeel in rov. 6.30 dat de drempel voor verwijzing naar de schadestaatprocedure wordt gehaald als een woningcorporatie ten minste in één geval direct of indirect producten en/of diensten van een karteldeelnemer heeft afgenomen.
3.69
Subonderdeel 2.1 klaagt dat het hof in rov. 6.29 miskent dat de grondslag voor aansprakelijkheid vereist dat een verbintenis bestaat tussen twee partijen, uit hoofde waarvan de ene partij jegens de andere partij verplicht is tot vergoeding van schade. De (enkele) onrechtmatige deelname aan het kartel is onvoldoende. Daarnaast is – in dit geval – nodig dat een transactie met een woningcorporatie is aangegaan waarover een meerprijs is gerekend, althans waarvoor die mogelijkheid voldoende aannemelijk is. De vaststelling van die transactie (of transacties) dient in de hoofdzaak plaats te vinden. Per woningcorporatie zal moeten worden vastgesteld waarop de aansprakelijkheid berust en terzake waarvan een schadevergoedingsverplichting is ontstaan. De inhoud en omvang van die verplichting kunnen in de schadestaatprocedure aan bod komen.
3.70
De klacht in subonderdeel 2.2 luidt dat, voor zover het hof in rov. 6.30 bedoelt dat in de schadestaatprocedure schade kan worden toegewezen die het gevolg is van transacties die niet in de hoofdprocedure zijn vastgesteld, het hof miskent dat de transacties deel uitmaken van de grondslag waarop de aansprakelijkheid berust en daarom moeten worden vastgesteld in de hoofdprocedure om tot de conclusie te kunnen komen dat tussen Kone en een woningcorporatie een verbintenis bestaat uit hoofde waarvan Kone verplicht is tot schadevergoeding.
3.71
Mijns inziens heeft het hof met juistheid vastgesteld dat het onrechtmatig handelen van Kone (en de andere karteldeelnemers) bestaat uit hun deelname aan het ‘liftenkartel’. De transacties tussen afnemers en karteldeelnemers die tijdens de inbreukperiode tot stand zijn gekomen, leggen het causaal verband tussen de onrechtmatige gedraging en de gestelde schade.87.Dit verband tussen inbreuk en schade moet in de hoofdprocedure aannemelijk worden gemaakt, omdat dit raakt aan de grondslag van de verplichting tot schadevergoeding.88.
3.72
De kernvraag is vervolgens of voor het leggen van dat verband het bewijs dat ten minste één transactie heeft plaatsgevonden volstaat. Met het hof meen ik dat dit het geval is. Eén transactie kan al (enige) schade hebben veroorzaakt. Indien minstens één transactie kan worden vastgesteld die in materieel en temporeel opzicht binnen de reikwijdte van het liftenkartel valt, zijn zowel het bestaan van een causaal verband tussen het onrechtmatig handelen en schade (een voorwaarde voor aansprakelijkheid) als de mogelijkheid van schade (een voorwaarde voor verwijzing naar de schadestaatprocedure) aannemelijk. Het voorgaande betekent dat het aantonen van een transactie een noodzakelijke maar ook een voldoende schakel is om het causaal verband tussen de onrechtmatige gedraging en de door DGL gestelde schade te kunnen aannemen.
3.73
Niet dat alle transacties die tot schade kunnen leiden, moeten uitputtend in de hoofdprocedure zijn vastgesteld voordat een zaak naar de schadestaatprocedure kan worden verwezen. Zou dat wel zo zijn, dan zou een nieuwe transactie die tijdens de schadestaatprocedure boven water komt, buiten beschouwing moeten blijven met als gevolg dat een eventuele door die transactie ontstane schadepost niet voor vergoeding in aanmerking kan komen. Dat zou een nogal ongerijmde consequentie zijn van de door Kone verdedigde zienswijze en ik vraag mij af welk redelijk belang daarmee wordt gediend. Het buiten beschouwing laten van mogelijke vorderingen c.q. deelvorderingen valt ook niet te rijmen met het Unierechtelijke uitgangspunt dat de aan het kartel toe te rekenen schade volledig moet worden vergoed (zie hiervoor 3.49).
3.74
In de schadestaatprocedure kunnen alleen die schadeposten aan de orde komen die zijn veroorzaakt door de in de hoofdprocedure vastgestelde onrechtmatige gedraging.89.Schadeposten ontstaan doordat transacties zijn aangegaan die door kartelafspraken worden geraakt, zoals de meerprijs die wordt betaald voor de aanschaf van een lift of voor het aangaan van een servicecontract. De totale schade is de optelsom van de afzonderlijke schadeposten; daarop moet eventueel het aan eigen afnemers doorberekende deel van de meerprijs in mindering worden gebracht. Rekening moet worden gehouden met alle omstandigheden van het geval. Het feit dat in dit geval Kone er belang bij heeft om ook al in de hoofdprocedure verweermiddelen te kunnen aanvoeren tegen de vorderingen die aan DGL zijn overgedragen door bepaalde woningcorporaties,90.maakt niet dat enkel de in de hoofdprocedure vastgestelde transacties moeten kunnen ‘meedoen’ in de schadestaatprocedure.
3.75
Hiervoor in 3.62 heb ik rov. 70 geciteerd uit het BGH-arrest in de zaak Stahl-Strahlmittel.91.Kone ziet daarin een aanknopingspunt voor haar stelling dat moet worden uitgegaan van afzonderlijke vorderingen per transacties.92.Dat is juist, maar niet relevant. In die zaak is in het Commissiebesluit dat ten grondslag lag aan de kartelschadevordering bij de Duitse rechter, de rechtsfiguur van de enkele en voortdurende inbreuk naar het lijkt niet toegepast.93.Verder lees ik rov. 70 uit genoemd arrest niet anders dan dat iedere afzonderlijke schadepost bewezen moet worden om te kunnen worden toegewezen. In geval van een vordering tot schadevergoeding op grond van Nederlands recht kan dat bewijs ook worden geleverd in de schadestaatprocedure, als de rechter de zaak daarnaar heeft verwezen. De vraag waar het in dit onderdeel om gaat is of het hof kon besluiten om de zaak naar de schadestaatprocedure te verwijzen. Voor het antwoord op die (procedurele) vraag bevat het zojuist weergegeven citaat uit het BGH-arrest geen relevante aanknopingspunten.
3.76
Voor de volledigheid merk ik tot slot het volgende op. De rechter dient er uiteraard ook in de schadestaatprocedure voor te zorgen dat het beginsel van hoor en wederhoor wordt gerespecteerd. De rechter kan de vorderingen tot schadevergoeding ten belope van een bepaald bedrag toewijzen, maar hij kan ook tot de slotsom komen dat het bewijs van schade niet is geleverd. In dat laatste geval, of als komt vast te staan dat de gestelde schade nihil is, moet de vordering tot schadevergoeding alsnog worden afgewezen.
3.77
Subonderdeel 2.3 is eveneens gekant tegen rov. 6.29 en 6.30.
3.78
De eerste klacht houdt in dat het hof heeft miskend dat het prijsopdrijvend effect op de betreffende transacties deel uitmaakt van de (feitelijke) grondslag waarop de aansprakelijkheid berust. Dit effect moet dus worden vastgesteld in de hoofdprocedure. Zonder die vaststelling is de mogelijkheid van schade nog niet aannemelijk.
3.79
De klacht gaat niet op. In de hoofdzaak moet worden bezien of de mogelijkheid dat schade is of zal worden geleden aannemelijk is. Daar is in dit geval niet voor nodig dat het prijsopdrijvend effect wordt vastgesteld. Dat is een te hoge drempel voor de verwijzing naar de schadeprocedure, die erop op neer zou komen dat de gestelde schade aannemelijk moet zijn geworden. Volgens de Hoge Raad is dat een te vergaande eis.94.
3.80
De tweede en derde klacht gaan eveneens uit van de veronderstelling dat het prijsopdrijvend effect zou moeten worden vastgesteld, De klachten falen om dezelfde reden als de eerste klacht van dit subonderdeel.
3.81
De vierde klacht luidt dat het hof zijn oordeel in ieder geval onvoldoende heeft gemotiveerd, nu Kone het prijsopdrijvend effect aan de hand van economische rapporten heeft betwist. Het hof zou deze stellingen en rapporten ten onrechte niet in zijn beoordeling hebben betrokken.
3.82
De klacht gaat niet op. Het hof heeft in rov. 6.23 gerespondeerd op de stellingen en rapporten. Na de overweging dat uit de Beschikking kan worden afgeleid dat de inbreuk een prijsopdrijvend effect heeft gehad (rov. 6.18), overweegt het hof in rov. 6.23:
“6.23 De economische rapporten die partijen hebben overgelegd zijn geen reden om hier anders over te oordelen. In deze rapporten gaat het met name om de omvang van de mogelijke overcharge (de prijsverhoging die kan worden toegerekend aan het kartel). […] De discussie over de omvang van de overcharge hoort thuis in de schadestaatprocedure. In deze (hoofd)procedure volstaat dat de mogelijkheid van schade als gevolg van de inbreuk aannemelijk is. […]”
3.83
Volgens subonderdeel 2.4 zou per transactie moeten worden bezien of verwijzing naar de schadestaatprocedure is aangewezen. Uit de bespreking van subonderdeel 2.2 volgt reeds dat ook deze klacht faalt.
3.84
Subonderdeel 2.5 richt een klacht tegen oordelen in rov. 6.11 en 6.80. Deze oordelen lijden volgens Kone aan dezelfde gebreken als aangevoerd in subonderdelen 2.1 t/m 2.4. Voor zover hier relevant citeer ik deze overwegingen:
“6.11 Het kan overigens in deze procedure in het midden blijven of het kartel daadwerkelijk alle transacties op de markten voor de installatie, het onderhoud en de modernisering van liften omvatte. Voor een verwijzing naar de schadestaatprocedure volstaat dat de mogelijkheid van schade aannemelijk is. Met de rechtbank is het hof van oordeel dat uit de Beschikking volgt dat het kartel een veelomvattende, langdurige en systematische inbreuk betrof, die de mededinging op de desbetreffende markten in heel Nederland heeft beperkt. Die afbakening van de reikwijdte van het kartel is voldoende om te kunnen beoordelen of de mogelijkheid van schade ten aanzien van een woningcorporatie aannemelijk is.
6.80 […]
De beoordeling van schadeposten in de hoofdprocedure heeft tot doel om vast te stellen of ten aanzien van een woningcorporatie de mogelijkheid van schade aannemelijk is. Het hof heeft zich aangesloten bij het oordeel van de rechtbank dat die drempel is gehaald ten aanzien van een woningcorporatie als is gebleken dat de woningcorporatie ten minste in één geval tijdens de inbreukperiode direct of indirect producten en/of diensten van een karteldeelnemer heeft afgenomen. In de hoofdprocedure kan dus voor de verwijzing van een woningcorporatie naar de schadestaatprocedure worden volstaan met de vaststelling dat deze drempel in één geval is gehaald. […].”
3.85
In rov. 6.80 baseert het hof zich op het in rov. 6.30 vervatte oordeel over de te hanteren drempel voor verwijzing naar de schadestaatprocedure. Omdat tegen dit oordeel klachten zijn gericht die niet slagen (zie subonderdeel 2.2), faalt ook de klacht gericht op rov. 6.80.
3.86
In rov. 6.11 oordeelt het hof in essentie dat op basis van de Beschikking ervan kan worden uitgegaan dat de mededinging is beperkt op alle relevante markten. Daarmee staat volgens het hof vast dat indien een transactie met de karteldeelnemers heeft plaatsgevonden, deze transactie zal zijn geraakt door de kartelinbreuk. Dit impliceert niet het in rov. 6.30 (en 6.80) vervatte oordeel dat de drempel voor de schadestaatprocedure is dat van één transactie per woningcorporatie is gebleken. De klacht faalt dus ook voor zover zij is gericht op rov. 6.11.
3.87
Subonderdeel 2.6 omvat meerdere klachten. De eerste klacht behelst dat het hof niet of onvoldoende heeft gereageerd op de stellingen van Kone dat de vraag of een partij meer dan één overeenkomst heeft gesloten de grondslag en omvang van de aansprakelijkheid beïnvloedt. De passage die de feitelijke grondslag vormt voor deze klacht (memorie van grieven onder 4.8) is aangevoerd onder het kopje ‘Grief V: De rechtbank heeft ten aanzien van de vraag of de mogelijkheid van schade aannemelijk is een onjuiste maatstaf toegepast”. In rov. 6.29 wordt daar niet of onvoldoende op gerespondeerd, aldus Kone.
3.88
De klacht faalt omdat in rov. 6.30 wél voldoende gemotiveerd is gerespondeerd. Het hof oordeelt dat de rechtbank met juistheid heeft geoordeeld dat het voor verwijzing naar de schadestaatprocedure niet nodig is om voor meer dan één geval per woningcorporatie te laten zien dat producten en/of diensten zijn afgenomen van een karteldeelnemer tijdens de inbreukperiode. Het hof vervolgt: “[…] In dat geval bestaat immers de mogelijkheid dat die woningcorporatie schade heeft geleden als gevolg van het kartel. Voor de vestiging van aansprakelijkheid is voldoende dat het aannemelijk is dat een woningcorporatie mogelijk schade heeft geleden. […]” Kortom, het hof verwerpt de stelling van Kone.
3.89
Het hof heeft gelet op het vorenstaande dus niet, zoals Kone bij de tweede klacht als uitgangspunt hanteert, de stellingen van Kone zo uitgelegd dat haar standpunt beperkt zou zijn tot de stelling dat voor iedere transactie moet worden nagegaan of daarmee onrechtmatig gehandeld is. Daarop stuit de klacht af.
3.90
In subonderdeel 2.7 richt Kone haar pijlen nog eens op ‘de in de subonderdelen 2.1 t/m 2.6 bestreden oordelen’. Ten eerste zijn die oordelen onjuist. Het zou in strijd met de goede procesorde zijn te verwijzen naar de schadestaatprocedure op basis van de onrechtmatige deelname van Kone aan de kartelinbreuk en de vaststelling dat een woningcorporatie tijdens de inbreukperiode ten minste één overeenkomst heeft gesloten met één van de kartellisten. Kone kon zich immers niet behoorlijk verweren tegen de door DGL ingestelde vorderingen, omdat niet of onvoldoende gemotiveerd is gesteld welke transacties de woningcorporaties zijn aangegaan. Ten tweede betoogt het subonderdeel dat niet valt in te zien waarom DGL deze feiten niet in deze fase van de procedure zou kunnen stellen en later in de schadestaatprocedure wel. Ten derde zou art. 24 Rv zijn geschonden en/of de oordelen onvoldoende zijn gemotiveerd doordat is nagelaten het beroep van Kone op de goede procesorde (kenbaar) in de beoordeling te betrekken.
3.91
De eerste klacht faalt omdat Kone miskent dat zij alleen datgene moet kunnen betwisten wat DGL in het kader van haar stelplicht moet aanvoeren. Volgens de vaststellingen van het hof behelst dat in dit geval niet meer dan gegevens over één transactie per woningcorporatie. Indien Kone zich tegen het oordeel van het hof over het aantal benodigde transacties heeft kunnen verweren, zal van strijd met de goede procesorde (in de door Kone bedoelde zin) geen sprake zijn. Dat volgt mede daaruit dat indien DGL iets niet of onvoldoende gemotiveerd stelt, aan de betwisting van Kone niet wordt toegekomen. Als de lat van de stelplicht wel wordt gehaald, kunnen tegenover een weinig gemotiveerde stelling in beginsel geen hoge eisen aan de betwisting worden gesteld. Stellen en betwisten vormen in zoverre communicerende vaten.95.
3.92
De tweede klacht faalt omdat Kone het verschil miskent tussen wat DGL zou kunnen stellen in de hoofdprocedure en wat DGL in de hoofdprocedure zou moeten stellen, gelet op haar vordering tot verwijzing naar de schadestaatprocedure. Wat DGL allemaal zou kunnen stellen in de hoofdprocedure doet niet ter zake.
3.93
De derde klacht faalt wegens gebrek aan belang. Zoals ik zojuist uiteenzette, is er geen sprake van strijd met de goede procesorde (in de door Kone bedoelde zin), zodat zelfs als het hof zijn oordeel op dit punt onvoldoende heeft gemotiveerd, dit niet tot cassatie kan leiden. Verder is het beroep van Kone op de goede procesorde reeds impliciet is verworpen. Het hof verwerpt in rov. 6.28 e.v. immers het standpunt van Kone (zoals weergegeven in rov. 6.26) dat DGL voor elke transactie meer informatie moet verstrekken voordat verwijzing naar de schadestaatprocedure aan de orde kan zijn.
3.94
Subonderdeel 2.8 bevat een voortbouwklacht. De klacht faalt nu de eerdere klachten waarop wordt voortgebouwd falen.
Onderdeel 3: doorberekeningsverweer
3.95
In dit onderdeel staat rov. 6.112 en 6.113 centraal. Deze overwegingen luiden als volgt:
“(v) Doorberekening van de (gestelde) prijsverhoging
[…]
Het oordeel van het hof
6.112 In de hoofdprocedure moet worden vastgesteld of de mogelijkheid van schade aannemelijk is. Dat is voldoende voor de vestiging van aansprakelijkheid. Vervolgens kan in de schadestaatprocedure de omvang van de schade worden vastgesteld. In dat kader kan worden beoordeeld of de prijsverhogingen als gevolg van het kartel gedeeltelijk zijn doorberekend. Het doorberekeningsverweer staat slechts aan verwijzing naar de schadestaatprocedure in de weg als op voorhand moet worden aangenomen dat prijsverhogingen als gevolg van het kartel integraal zijn doorberekend.
6.113 De stelplicht en bewijslast van de doorberekening rusten op Kone (vgl. artikel 13 van de Kartelschaderichtlijn; de Nederlandse wetgever vond het niet nodig om dit speciaal voor kartelschade vast te leggen, omdat dit reeds voortvloeit uit de bewijslastverdeling van artikel 150 Rv). Als Kone op grond van dit (bevrijdende) verweer wil voorkomen dat aansprakelijkheid wordt vastgesteld, zal Kone dus moeten onderbouwen dat mogelijke schade geleden als gevolg van het kartel volledig is doorberekend. Aan deze stelplicht heeft Kone niet voldaan. Kone heeft slechts aangevoerd dat de rechtbank ook tot het oordeel had kunnen komen dat er wel voldoende aanwijzingen zijn dat eventuele prijsverhogingen volledig zijn doorberekend. Zij heeft echter geen feiten of omstandigheden gesteld die tot dat oordeel kunnen leiden.”
3.96
Het middel richt (alleen) een rechtsklacht tegen de maatstaf die het hof hanteert bij de beoordeling van het doorberekeningsverweer in de hoofdprocedure (onderstreept in het hiervóór opgenomen citaat). Deze maatstaf zou te streng zijn. Het doorberekeningsverweer kan volgens Kone al aan verwijzing naar de schadestaatprocedure in de weg staan indien op basis van door partijen ingenomen stellingen aannemelijk is dat de mogelijke prijsverhogingen als gevolg van de kartelinbreuk zijn doorberekend.
3.97
Naar mijn mening heeft het hof de juiste maatstaf aangelegd. De mogelijkheid dat de door het kartel veroorzaakte prijsverhogingen zijn doorberekend staat aan verwijzing naar de schadestaatprocedure niet in de weg. Grond voor verwijzing ontbreekt alleen indien voldoende reden bestaat te oordelen dat in het geheel geen schade is geleden, bijvoorbeeld omdat de integrale schade is afgewenteld op derden,96.zoals het hof met juistheid overweegt.
Onderdeel 4: groepsaansprakelijkheid
3.98
In subonderdeel 4.1 klaagt Kone over rov. 6.120. Deze overweging luidt als volgt:
“6.66 Op grond van artikel 6:166 BW zijn de deelnemers aan een groep hoofdelijk aansprakelijk voor schade veroorzaakt door onrechtmatige gedragingen van andere deelnemers, indien de kans op het aldus toebrengen van schade de deelnemers had behoren te weerhouden van hun gedragingen in groepsverband en deze gedragingen aan hen kunnen worden toegerekend. De bestrijding door Kone van aansprakelijkheid op grond van deze bepaling berust op het onjuiste uitgangspunt dat de grondslag van de aansprakelijkheid van de liftfabrikanten is gelegen in de concrete verdeling van opdrachten. Hiervoor heeft het hof al vastgesteld dat de grondslag voor de aansprakelijkheid is gelegen in de deelname aan het kartel (zie 6.50 van dit arrest). Deelname aan het kartel kon schade toebrengen aan de gebruikers, waaronder de claimhouders. Het kartel was er immers op gericht om de mededinging tussen de karteldeelnemers te beperken, waardoor de prijzen voor de gebruikers konden worden verhoogd. De karteldeelnemers wisten dat het kartel een prijsopdrijvend effect kon hebben, en hebben de kans aanvaard dat de gebruikers daardoor schade zouden lijden. Aangezien zij bewust aan het kartel hebben deelgenomen, kunnen de gedragingen van de andere karteldeelnemers ook aan hen worden toegerekend. Daarmee is voldaan aan de vereisten van artikel 6:166 BW en zijn de liftfabrikanten hoofdelijk aansprakelijk voor elkaars gedragingen in kartelverband.”
3.99
Volgens Kone getuigt dit oordeel van een onjuiste rechtsopvatting indien het hof heeft miskend dat voor aansprakelijkheid op grond van art. 6:166 BW sprake moet zijn van schade die het gevolg is van een onrechtmatige daad van één van de tot de groep behorende personen. Ook voor aansprakelijkheid op grond van art. 6:166 BW moet dus voldaan zijn aan de vereisten voor aansprakelijkheid op grond van onrechtmatige daad.
3.100 De klacht treft geen doel. Uit de eerste zin van rov. 6.66 (onderstreept in het citaat) blijkt dat het hof niet heeft miskend dat voor aansprakelijkheid op grond van art. 6:166 BW is vereist dat één van de tot een groep behorende personen onrechtmatig schade toebrengt.97.
3.101 Voor zover voormelde klacht ook wordt gericht tegen rov. 6.29 faalt zij evenzeer. Uit die overweging blijkt op geen enkele manier dat het hof heeft miskend dat voor aansprakelijkheid op grond van art. 6:166 BW sprake moet zijn van schade die het gevolg is van een onrechtmatige daad van één van de tot de groep behorende personen.
3.102 Subonderdeel 4.2 bevat een voortbouwklacht die het lot van subonderdeel 4.1 deelt.
Onderdeel 5: concreetheid en bepaalbaarheid vorderingen
3.103 De klacht in dit onderdeel is gericht tegen rov. 6.129. In zijn context weergegeven, luidt deze overweging als volgt:
“(vii) De bepaalbaarheid van de eisvermindering
Het oordeel van de rechtbank
6.125 Naar aanleiding van de minnelijke regeling met ThyssenKrupp heeft SECC haar eis verminderd met het bedrag van de bijdrageplicht van ThyssenKrupp als hoofdelijk medeschuldenaar jegens Kone. De rechtbank heeft in rechtsoverweging 4.4 van het eindvonnis overwogen dat deze eisvermindering voldoende concreet is, zodat er geen reden is de vordering af te wijzen wegens onvoldoende bepaaldheid, zoals Kone had bepleit.
Het standpunt van Kone
6.126 Kone komt hiertegen op met grief XI. Volgens Kone raakt de eisvermindering aan de omvang van de aansprakelijkheid, en moet dus in de hoofdprocedure worden vastgesteld met welk bedrag de vorderingen van SECC zijn verminderd. Kone stelt dat als hoofdelijke aansprakelijkheid komt vast te staan, de interne draagplicht tussen de karteldeelnemers moet worden vastgesteld aan de hand van de overeenkomsten gesloten tussen de claimhouders en de karteldeelnemers. Volgens Kone kan zij niet aansprakelijk worden gehouden voor schade voortgekomen uit overeenkomsten aangegaan door claimhouders met ThyssenKrupp waarbij Kone niet is betrokken. De interne draagplicht van ThyssenKrupp moet dus in deze hoofdprocedure komen vast te staan.
[…]
Het oordeel van het hof
6.128 Op grond van artikel 6:14 BW kan een schuldeiser een hoofdelijk schuldenaar van zijn verplichting tot bijdragen jegens een medeschuldenaar bevrijden door zich jegens deze laatste te verbinden zijn vordering op hem te verminderen met het bedrag dat als bijdrage gevorderd had kunnen worden. SECC beoogt kennelijk met haar eisvermindering te bereiken dat SECC, als later komt vast te staan dat het bedrag dat SECC in het kader van de schikking met ThyssenKrupp heeft ontvangen ten opzichte van het toewijsbare bedrag te laag is geweest, het verschil niet van Kone kan vorderen.
6.129 Het hof overweegt dat voor de vaststelling van de aansprakelijkheid van Kone in deze procedure niet nodig is dat de omvang van de interne draagplicht van de karteldeelnemers vast komt te staan. De grief van Kone is gebaseerd op het onjuiste uitgangspunt dat de aansprakelijkheid van de liftfabrikanten berust op de ad hoc verdeling van afzonderlijke projecten, zodat per project moet worden vastgesteld welke liftfabrikanten bij die verdeling waren betrokken en (hoofdelijk) aansprakelijk zijn jegens de benadeelden voor de schade veroorzaakt door de verdeling van dat project. Zoals het hof hiervoor heeft overwogen, vloeit de aansprakelijkheid van Kone voort uit de onrechtmatige deelname aan het kartel en is Kone dus hoofdelijk aansprakelijk voor de door het kartel veroorzaakte schade. Daarom is de eisvermindering van SECC niet van belang voor de grondslag van de aansprakelijkheid van Kone, maar voor de omvang van de schadevergoeding waarop SECC jegens Kone aanspraak kan maken. De omvang van de schadevergoeding kan in de schadestaatprocedure worden vastgesteld.
6.130 De grief van Kone slaagt dus niet.”
3.104 Volgens Kone is dit oordeel onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd, gelet op de stellingen die zij aan grief IX ten grondslag heeft gelegd. DGL heeft haar eis verminderd met het deel waarvoor Schindler, Mitsubishi en ThyssenKrupp in verhouding tot Kone en Otis draagplichtig zijn. DGL heeft niets over die interne draagplicht gesteld. De eisvermindering raakt de omvang van de aansprakelijkheid, niet slechts de schadebegroting, en dient dus in de hoofdzaak te worden vastgesteld. Om dit te illustreren heeft Kone voorbeelden gegeven van manieren waarop de interne draagplicht kan worden vastgesteld, uitgaande van het ad hoc karakter van de inbreuk. Het oordeel van het hof dat grief IX berust op de ad hoc verdeling van afzonderlijke projecten zou een onbegrijpelijke uitleg aan deze stellingen geven en ook de verdere overwegingen van het hof zouden geen voldoende (begrijpelijke) reactie op deze stellingen vormen.
3.105 De klacht faalt reeds bij gebrek aan belang omdat Kone rov. 6.126 niet heeft aangevochten. Daar geeft het hof een uitleg aan de grief van Kone, en niet in rov. 6.73. Wat er verder ook zij van de uitleg van de grief van Kone, het oordeel van het hof ( laatste twee zinnen rov. 6.129) dat de vraag naar de interne draagplicht (na de schikkingen met drie andere liftfabrikanten) in de schadestaatprocedure aan de orde kan komen, en niet raakt aan de grondslag van de aansprakelijkheid van Kone, acht ik juist.98.Dat betekent dat de vordering van DGL, ook na eisvermindering, voldoende concreet en bepaalbaar is om tot toewijzing in de hoofdzaak te kunnen komen zonder dat de interne draagplicht aan de orde hoeft te komen, zoals het hof niet onbegrijpelijk heeft geoordeeld.
4. Slotsom
4.1
Nu geen van de klachten doel treft dient het beroep van Kone te worden verworpen.
4.2
Ik zie geen aanleiding voor het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie. De vraag of een geding naar de schadestaatprocedure kan worden verwezen is een vraag van nationaal recht. Bij toetsing aan het eerste criterium voor verwijzing naar de schadestaat dient naar mijn mening weliswaar te worden aangesloten bij de bindende vaststelling in de Beschikking van de Commissie dat een enkele en voortdurende inbreuk heeft plaatsgevonden, maar ook als daarvan wordt geabstraheerd kon het hof nog steeds, in navolging van de rechtbank, op nationaalrechtelijke gronden oordelen dat naar de schadestaatprocedure kon worden verwezen. De juistheid van deze beslissing hangt dus niet af van de uitleg van het Unierecht. Het lijdt in elk geval geen twijfel dat het Unierecht zich niet verzet tegen de beslissing van het hof om het geding naar de schadestaat te verwijzen.
5. Conclusie
De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 06‑06‑2025
Gebaseerd op par. 3 van het bestreden arrest: Hof Den Haag 23 januari 2024, ECLI:GHDHA:2024:132.
Indirecte afnemers zijn partijen die liftinstallaties afnemen via bijvoorbeeld een aannemer of projectontwikkelaar.
Beschikking van de Commissie van 21 februari 2007, C (2007) 512 final. Deze beschikking is in de Engelse taal te raadplegen op: https://ec.europa.eu/competition/antitrust/cases/dec_docs/38823/38823_1340_4.pdf.
In die tijd werd nog gesproken van een ‘beschikking’. Met de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon per 1 december 2009 is deze term vervangen door de term ‘besluit’. Zie art. 288, 4e alinea, VWEU.
In deze conclusie zal ik consequent verwijzen naar art. 101 VWEU, zoals geldend sinds 1 december 2009. Voordien was deze bepaling genummerd als art. 85 EEG en vanaf de inwerkingtreding van het Verdrag van Amsterdam op 1 mei 1999 als art. 81 EG. Die laatste nummering wordt gebruikt in de Beschikking.
Dit persbericht is te raadplegen op: https://ec.europa.eu/commission/presscorner/detail/nl/ip_07_209.
Pb. C 75 van 26 maart 2008, p. 19–24.
Gerecht 13 juli 2011, T‑151/07, ECLI:EU:T:2011:365 (Kone/Commissie).
HvJ 24 oktober 2013, C‑510/11 P, ECLI:EU:C:2013:696 (Kone/Commissie).
Deze brief is overgelegd als (onderdeel van) productie 16 bij de conclusie van repliek.
Deze brief is overgelegd als (onderdeel van) productie 17 bij de conclusie van repliek van 21 maart 2018.
Productie 18 bij conclusie van repliek.
Het procesverloop is gebaseerd op par. 4 en 5 van het bestreden arrest.
Rb. Rotterdam 23 oktober 2019, ECLI:NL:RBROT:2019:8230.
HvJ 14 maart 2019, C-724/17, ECLI:EU:C:2019:204, NJ 2020/58 m.nt. J.S. Kortmann.
Rb. Rotterdam 23 juni 2021, ECLI:NL:RBROT:2021:6636.
Umbrella pricing is het fenomeen dat aanbieders die niet deelnemen aan een kartel hun prijzen als gevolg van dat kartel op een hoger niveau hebben vastgesteld dan zonder dat kartel het geval zou zijn geweest. De betaalde meerprijs vormt schade. Daarvoor kunnen niet die andere aanbieders aansprakelijk worden gehouden omdat zij geen inbreuk hebben gepleegd en dus niet onrechtmatig hebben gehandeld. Deze schade wordt toegerekend aan de ondernemingen die wel aan het kartel hebben deelgenomen.
In rov. 4.29 motiveert de rechtbank in detail waarom voor een groot aantal van de opgevoerde claimhouders SECC onvoldoende had onderbouwd dat in hun geval de mogelijkheid dat zij schade hebben geleden aannemelijk was. De rechtbank heeft dat per claimhouder op grond van de door SECC overgelegde stukken onderzocht.
De rechtbank besliste in het tussenvonnis en eindvonnis in twee aparte procedures. Kone stelde in de ene procedure hoger beroep in (zaaknummer hof: 200.304.621) en SECC in de andere (zaaknummer hof: 200.304.673). Er hoefde daarom geen incidenteel appel te worden ingesteld.
Hof Den Haag 23 januari 2024, ECLI:NL:GHDHA:2024:132.
Richtlijn 2014/104/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 november 2014 betreffende bepaalde regels voor schadevorderingen volgens nationaal recht wegens inbreuken op de bepalingen van het mededingingsrecht van de lidstaten en van de Europese Unie, Pb L 349 van 5 december 2014, p. 1-19. Deze richtlijn wordt soms aangeduid als ‘Schaderichtlijn’ (Damages Directive). Omdat ‘Schaderichtlijn’ door niet-specialisten mogelijk niet wordt geassocieerd met inbreuken op het mededingingsrecht vind ik de term ‘Kartelschaderichtlijn’ duidelijker. Dat de richtlijn van toepassing is op schadevergoedingsvorderingen na mededingingsinbreuken in het algemeen en niet alleen na een kartel, laat onverlet dat de meeste zaken betrekking hebben op schade veroorzaakt door een kartel.
Daarmee wordt bedoeld het fenomeen dat in sommige gevallen inbreuken op het mededingingsrecht ook nadat zij zijn beëindigd nog enige tijd schade kunnen blijven veroorzaken zo lang de ex-karteldeelnemers in staat zijn om individueel hogere prijzen te hanteren, totdat de ‘normale’ concurrentieverhoudingen zijn hersteld.
Deze twee claimhouders zijn dus in hoger beroep afgevallen. Van de 122 claimhouders op de lijst zijn er in eerste aanleg 14 afgevallen op grond van verjaring en (108-19=) 89 op de grond dat de mogelijkheid van schade onvoldoende aannemelijk was gemaakt. Daar zijn in hoger beroep dus nog twee afvallers bijgekomen. Uiteindelijk blijven er (19-2)=17 claimhouders over die aanspraak kunnen maken op schadevergoeding.
De voetnoten in het origineel zijn weggelaten.
Over dit onderscheid bestaat veel rechtspraak en een zeer omvangrijke literatuur. Rechtspraakverwijzingen zijn te vinden in de schriftelijke toelichting van Kone, nrs. 2.1.7-2.18 en in de schriftelijke toelichting van SECC, nrs. 16-27. Verder verwijs naar HR 14 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1354, NJ 2019/307 m.nt. R. Wesseling, rov. 3.4.2 (SGD/Agib) en naar mijn conclusie in zaak 17/03184, ECLI:NL:PHR:2018:522 (HEM/Jumbo) voorafgaand aan HR 13 juli 2018, ECLI:NL:HR:2018:1177 (art. 81 RO).
Zie o.a. HvJ 11 september 2014, C-67/13 P, ECLI:EU:C:2014:2204 (Cartes Bancaires), punten 49-51.
Verordening 1/2003/EG van de Raad van 16 december 2002 betreffende de uitvoering van de mededingingsregels van de artikelen 81 en 82 van het Verdrag (Pb L 1 van 4 januari 2003, p. 1). Deze verordening is van toepassing vanaf 1 mei 2004. De in art. 16 neergelegde regel vormt een codificatie van HvJ 14 december 2000, C-344/98, ECLI:EU:C:2000:689 (Masterfoods en HB).
Zie de schriftelijke toelichting van Kone, nr. 2.1.5. Zie ook BGH 23 september 2020, KZR 35/19, ECLI:DE:BGH:2020:230920UKZR35.19, rov. 24: “…] Die Bindungs- oder Feststellungswirkung erstreckt sich mithin auf alle Feststellungen tatsächlicher oder rechtlicher Natur, mit denen die Wettbewerbsbehörde einen Verstoß gegen das materielle Wettbewerbsrecht begründet. [….“
Zie de considerans van Verordening 1/2003, punt 22. Vgl. D. Ashton, Competition Damages Actions in the EU and the UK, Cheltenham: Edward Elgar Publishing 2023, p. 250 (par. 10.006): “It should be remembered that the scope of the rule contained in Article 16(1) is that the national court is under a duty to abstain from a decision which conflicts with an actual or intended Commission decision (a negative duty of abstention), rather than that the national court is absolutely bound by a Commission decision (positive binding effect). […]”.
Overigens luidt de zin ná het door het hof geciteerde deel van punt 576 van de Beschikking: “By dividing markets and customers, the undertakings did not compete for market shares and customers and succeeded in manipulating the market price and output as well as the structure of competition in the segments for sale and installation, maintenance and modernization of elevators and escalators.” Zie ook rov. 4.30 van het tussenvonnis.
Zie bijv. HR 8 maart 2024, ECLI:NL:HR:2024:328, RvdW 2024/287, JIN 2024/46 m.nt. F.L.A. Roosmale Nepveu & R.A.G. de Vaan (Solidiam Vorderingen/erfgenamen), rov. 3.2; HR 17 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:428, NJ 2023/114, JOR 2023/236 m.nt. F.M.A. ’t Hart, rov. 3.2.4. In dat laatste arrest verwerpt de Hoge Raad het criterium dat de gestelde schade aannemelijk zou moeten zijn. Zie over deze beslissing en de te hanteren drempel: T.F.E. Tjong Tjin Tai, De schadestaatprocedure (BPP nr. 14), Deventer: Wolters Kluwer 2024, par. 4.4.2 (nr. 422).
G. de Groot, in: GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 149 Rv, aant. 6.2 (actueel t/m 17 augustus 2024) onder verwijzing naar o.a. Rutgers, Flach & Boon (red.), Parl. Gesch. Bewijsrecht 1988, p. 84 (MvA EK) en HR 13 januari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU3715, NJ 2006/282 m.nt. M.M. Mendel (London/Aegon), rov. 4.2.3.
Zie ook HR (strafkamer) 29 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:522, NJ 2016/249 m.nt. P.A.M. Mevis, AA 2016/753 m.nt. L.G.M. Stevens, rov. 2.4: “[…] De enkele omstandigheid dat een bepaald gegeven aan openbare bronnen op het internet kan worden ontleend, brengt immers op zichzelf nog niet mee dat zo een gegeven daarom een feit of omstandigheid van algemene bekendheid is in de hier bedoelde zin. Overigens is het oordeel van het Hof dat de onderhavige gegevens kunnen worden aangemerkt als feiten of omstandigheden van algemene bekendheid ook niet zonder meer begrijpelijk. Bij dergelijke feiten of omstandigheden gaat het immers in de regel om gegevens die geen specialistische kennis veronderstellen en waarvan de juistheid redelijkerwijs niet voor betwisting vatbaar is.”
HR 8 februari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BB6196, NJ 2008/92 ([…] e.a./ Golden Anchor Club e.a.), rov. 5.2.
Asser Procesrecht/Korthals Altes & Groen 7 2015/169 en A.E.H. van der Voort Maarschalk, in: Van der Wiel (red.), Cassatie 2019/80, beide onder verwijzing naar HR 6 september 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC2128, NJ 1998/415 m.nt. C.J.H. Brunner ([…] /Staat), rov. 3.4.1.
Asser Procesrecht/Korthals Altes & Groen 7 2015/169 en A.E.H. van der Voort Maarschalk, in: Van der Wiel (red.), Cassatie 2019/80, beide onder verwijzing naar HR 13 januari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU3715, NJ 2006/282, m.nt. M.M. Mendel (London/Aegon), r.o. 4.2.3.
Dit blijkt overigens duidelijker uit de zin ná het door het hof geciteerde deel van punt 576 van de Beschikking: “By dividing markets and customers, the undertakings did not compete for market shares and customers and succeeded in manipulating the market price and output as well as the structure of competition in the segments for sale and installation, maintenance and modernization of elevators and escalators.” Zie ook rov. 4.30 van het tussenvonnis.
Voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende bepaalde regels voor schadevorderingen volgens nationaal recht wegens inbreuken op de bepalingen van het mededingingsrecht van de lidstaten en van de Europese Unie, COM (2013) 404 final, p. 21.
Vgl. G. de Groot, in: GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 149 Rv, aant. 3 (actueel t/m 17 augustus 2024): “Het niet of niet voldoende betwisten van een feit of recht kan diverse vormen aannemen. […] Het komt ook voor dat een partij een door de wederpartij gesteld feit weliswaar met een eigen verhaal weerspreekt, maar die weerspreking in het licht van de ingeroepen rechtsgevolgen, het partijdebat of andere omstandigheden van het geval onvoldoende wordt geacht om als gemotiveerde betwisting te kunnen worden aangemerkt. Ook dit geval kan in beginsel worden geschaard onder het niet voldoende betwisten van een feit als bedoeld in art. 149 lid 1, tweede volzin, Rv. […].”
Kone verwijst in haar schriftelijke toelichting nr. 3.1.8 naar het tussenvonnis van de rechtbank Amsterdam van 13 september 2023, ECLI:NL:RBAMS:2023:7089, rov. 2.17-2.18 (Trucks).
Deze bepalingen zijn op 1 januari 1992 in werking getreden: Wet van 7 mei 1986, Stb. 1986, 295 en Stb. 1990, 90. Daarvóór gold een regeling die zijn basis had in art. 612-615 van het op 1 oktober 1838 ingevoerde Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Stb. 1828, 36 en Stb. 1838, 12). De geschiedenis van de schadestaatprocedure is te vinden in: J. Spoelder, De schadestaatprocedure (diss. Leiden), Deventer: Kluwer 1966, nr. 81 (p. 150-152) en T.F.E. Tjong Tjin Tai, De schadestaatprocedure (BPP nr. 14), , par. 3.2.
G.J. Knijp, ‘De ruime mogelijkheden van de schadestaatprocedure’, NbBW 1999/2, p. 22; T.F.E. Tjong Tjin Tai, De schadestaatprocedure (BPP nr. 14), par. 3.3 (nr. 308).
HR 8 januari 2021, ECLI:NL:HR:2021:38, NJ 2021/178 m.nt. T.F.E. Tjong Tjin Tai, JOR 2021/132 m.nt. G.J.L. Bergervoet, JIN 2021/29 m.nt. R.J.G. Mengelberg (Holding X/Gemeente Eindhoven), rov. 3.2. In datzelfde arrest maakte de Hoge Raad daar overigens een uitzondering op (zie rov. 3.3.1-3.3.3). Zie ook HR 16 mei 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD1674, NJ 2008/285 (Romein Staalbouw), rov. 3.5.3: “[…] De schadestaatprocedure van art. 612–615b Rv. sluit aan bij afdeling 6.1.10 BW betreffende de wettelijke verplichtingen tot schadevergoeding en is dan ook een procedure waarin de vaststelling van de inhoud en de omvang van de in de hoofdprocedure vastgestelde verplichting tot schadevergoeding, aan de orde is. De grondslag van die verplichting, zoals in dit geval de wanprestatie, dient bij uitsluiting in de hoofdprocedure te worden vastgesteld.”
HR 16 mei 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD1674, NJ 2008/285 (Romein Staalbouw).
T.F.E. Tjong Tjin Tai, De schadestaatprocedure (BPP nr. 14), par. 4.1 (nr. 401), onder verwijzing naar HR 30 juni 2006, ECLI:NL:HR:2006:AX6246, RvdW 2006/681 (Stichting Juridische Dienstverlening Drenthe/X), rov. 3.5.2. Zie ook: W.H. van Hemel, Sdu commentaar Burgerlijk Procesrecht, art. 612 Rv; N.E. Groeneveld-Tijssens, GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 612 Rv, aant. 5.
T.F.E. Tjong Tjin Tai, De schadestaatprocedure (BPP nr. 14), par. 4.2.2 (nr. 407), onder verwijzing naar HR 14 maart 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF2676, NJ 2004/49 (…] / [….), rov. 3.3. Zie ook M. Barendrecht & D.D. Breukers, in: H.M. Storm & J.M. Barendrecht (red.), Berekening van schadevergoeding, Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink 1995, p. 343-344: “De schadestaatprocedure dient slechts om de omvang van de schade vast te stellen voor zover die het gevolg is van een in het vonnis in het hoofdgeding vastgestelde handeling waarvoor de gedaagde aansprakelijk is. De schadestaatprocedure is uitdrukkelijk niet bedoeld om de aansprakelijkheid van de gedaagde te beoordelen.”
HR 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:854, NJ 2022/219, rov. 4.1.2; HR 19 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1083, RvdW 2020/785 (X/R&R Systems Holding), rov. 3.2.1. Zie voor een geval waarin de Hoge Raad vernietigde omdat in de schadestaatprocedure (gedeeltelijk) werd teruggekomen van een aansprakelijkheidsoordeel in de hoofdprocedure: HR 30 mei 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2383, NJ 1998/381 m.nt. H.J. Snijders ([…] /Van Gastel q.q. c.s.), rov. 3.4.
Zie HR 16 mei 2025, ECLI:NL:HR:2025:756 (ABN AMRO Clearing), onder verwijzing naar HR 16 mei 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD1674, rov. 3.5.3 (Romein Staalbouw).
HR 25 januari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY1071, NJ 2013/69 (…] / [….), rov. 3.4.2. In die zaak was in de hoofdprocedure vastgesteld dat een gekochte installatie in een bepaald tijdvak (juli/augustus 1998) niet voldeed aan de overeengekomen specificaties. Over het functioneren van de installatie in de daaraan voorafgaande periode (1995-1998) was volgens het gerechtshof in die zaak niets vastgesteld. De Hoge Raad achtte dat oordeel in het licht van het partijdebat onbegrijpelijk en oordeelde dat na vernietiging de verwijzingsrechter tot het oordeel zou kunnen komen dat de gestelde schade over de voorafgaande periode voortvloeide uit dezelfde tekortkoming als de schade die zich had voorgedaan in juli/augustus 1998.
Zie bijv. HR 8 maart 2024, ECLI:NL:HR:2024:328, genoemd in voetnoot 31.
T.F.E. Tjong Tjin Tai, De schadestaatprocedure (BPP nr. 14), par. 4.4.2 (nr. 423).
Ibidem par. 4.3.2 (nr. 418): “Bij een verzoek tot verwijzing naar de schadestaatprocedure gelden geen aanvullende eisen aan de stelplicht. Integendeel, de op eiser rustende stelplicht is enigszins verlicht: eiser is niet verplicht om in de hoofdzaak direct alle gegevens die op de schade betrekking hebben op tafel te leggen.” De auteur verwijst o.m. naar Reehuis, Slob & Rijpkema (red.), Parl. Gesch. BW Inv. 3, 5 en 6 Wijziging Rv, Wet RO en Fw 1992, p. 269.
Zie bijvoorbeeld Rb. Amsterdam 12 mei 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:2391 (Truckkartel).
HR 21 maart 2025, ECLI:NL:HR:2025:415 (Luchtvrachtkartel) en HR 21 maart 2025, ECLI:NL:HR:2025:414 (Truckkartel).
Het komt ook voor, zij het niet zo vaak, dat een follow-on vordering wordt gebaseerd op een besluit van een nationale mededingingsautoriteit, zoals in Nederland de Autoriteit Consument en Markt. Een voorbeeld is de zaak Macedonian Breweries/Heineken & Athenian Breweries (lopende zaak 21/02116), waarin bij de Nederlandse rechter een zaak aanhangig is gemaakt op basis van de vaststelling van een inbreuk door de Griekse mededingingsautoriteit. Zie HvJEU 13 februari 2025, C-393/23, ECLI:EU:C:2025:85 (Athenian Breweries).
De term ‘benadeelden’ reserveer ik voor partijen die zelf nadeel hebben geleden, bijvoorbeeld als contractspartij. In deze zaak zijn dat de betrokken woningcorporaties. Zij worden in de gedingstukken ook aangeduid als ‘de deelnemers’, maar die term vind ik – naast ‘karteldeelnemers’ – hier enigszins verwarrend. Onder ‘benadeelden’ valt niet een claimvehikel dat in rechte optreedt, nadat daaraan (gepretendeerde) vorderingen zijn overgedragen of volmachten zijn verleend door de achterliggende partijen. Die laatsten zijn de benadeelden.
Vaste rechtspraak sinds HvJ 20 september 2001, C-453/99, ECLI:EU:C:2001:465 (Courage/Crehan), punt 26, en HvJ 13 juli 2006, C-295/04 e.a., ECLI:EU:C:2006:461 (Manfredi), punt 61.
Zie de conclusie van A-G Szpunar van 19 september 2024, C-253/23, ECLI:EU:C:2024:767 (ASG 2), punt 85 e.v., onder verwijzing naar de conclusies van A-G Kokott, C-557/12, ECLI:EU:C:2014:45 (Kone e.a.), punt 23, en van A-G Wahl, C-724/17, ECLI:EU:C:2019:100 (Skanska), punten 40-41.
HvJ 14 maart 2019, C-724/17, ECLI:EU:C:2019:204, NJ 2020/58 m.nt. J.S. Kortmann, JOR 2019/151 m.nt. S.A. van Dijk, SEW 2019/11 m.nt. D. Wouters, M&M 2019/3 m.nt. R.M.T.M. Jaspers & T.J. Binder, en Ondernemingsrecht 2019/74 m.nt. B.J. Drijber (Skanska). In die zaak werd het mededingingsrechtelijke begrip ‘onderneming’ in de zin van economische eenheid, dat is ontwikkeld in het kader van publiekrechtelijke handhaving, doorgetrokken naar privaatrechtelijke handhaving, zoals daarna werd uitgewerkt in HvJ 6 oktober 2021, C-882/19, ECLI:EU:C:2021:800 (Sumal).
Umbrella damage: zie voetnoot 17 van deze conclusie.
HvJ 5 juni 2014, C-557/12, ECLI:EU:C:2014:1317 (Kone e.a./ÖBB).
HvJ 12 december 2019, C-435/18, ECLI:EU:C:2019:1069 (Otis e.a./ Land Oberösterreich).
HvJ 28 maart 2019, C-637/17, ECLI:EU:C:2019:263 (Cogeco) inzake Portugese verjaringsregels en HvJ 18 april 2024, C-605/21, ECLI:EU:C:2024:324 (Heureka/Google) inzake Tsjechische verjaringsregels. In beide zaken was de verjaringstermijn aanzienlijk korter dan de vijfjaarstermijn van art. 3:310 BW en kon die korte verjaringstermijn bovendien niet worden gestuit.
HvJ 28 januari 2025, C-253/23, ECLI:EU:C:2025:40 (ASG 2).
Zie de tussenuitspraak van de Hoge Raad van 21 maart 2025 in de zaak Air Cargo (ECLI:NL:HR:2025:415), rov. 3.1.6.
Vgl. HvJ (Grote Kamer) 6 november 2012, C-199/11, ECLI:EU:C:2012:684 (Europese Gemeenschap/Otis e.a.), punt 65.
Het liftenkartel, het luchtvrachtkartel en het truckkartel zijn daarvan voorbeelden.
Zie T. Kalliokoski & K. Havu, ‘Single infringements of competition law: who is liable for what?’, CMLR 2024 (61), p. 417-448, p. 419.
T.a.p. p. 422, met verwijzing naar de reeds aangehaalde zaken C-724/17 (Skanska) en C-882/19 (Sumal).
Een soortgelijke vraag naar de impact van materiële mededingingsrechtelijke begrippen op nationale maar ook op andere Unierechtelijke bepalingen doet zich voor op het gebied van het internationaal privaatrecht, getuige onder meer de prejudiciële verwijzingen door de Hoge Raad in de in voetnoot 56 genoemde zaak Heineken (internationale bevoegdheid) en in de in voetnoot 55 genoemde zaken Air cargo en Trucks (toepasselijk recht).
Zie HR 22 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:412, NJ 2019/388 m.nt. J.L. Smeehuijzen en JBPr 2019/31 m.nt. I.M.A. Lintel (Parkeergarage Zandvoort), rov. 3.5.2: “[…] Daarom moet in een geval als dit worden aangenomen dat de termijn van twintig jaren begint te lopen zodra de gebeurtenis waardoor de schade is veroorzaakt, is opgehouden te bestaan […].”
Zie voor een binnenlandse zaak waarin op vergelijkbare gronden naar de schadestaatprocedure is verwezen als in deze zaak: Hof Den Bosch 30 januari 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:225 (spanstaalkartel), rov. 9.9.5. Tegen die uitspraak is cassatie ingesteld door Nedri Spanstaal (zaak 24/01745), Arcelor Mittal (zaak 24/01746) en DWK (zaak 24/01748). Verweerster (en eiseres in eerste aanleg) is Deutsche Bahn. Uit het arrest van het hof Den Bosch blijkt dat in die zaak Duits recht van toepassing is op de schadevergoedingsvorderingen.
Hof van Beroep Brussel 18 november 2024, repertoriumnummer 2024/7832 en rolnummer 2015/AR/95.
In eerste aanleg heeft de rechtbank in die zaak prejudiciële vragen gesteld aan het Hof van Justitie. Zie HvJ (Grote Kamer) 6 november 2012, C-199/11, ECLI:EU:C:2012:684, NJ 2013/168 m.nt. M.R. Mok, SEW 2013/3, p. 123-127 m.nt. P-A. van Malleghem, EHRC 2013/3 m.nt. C. Mak (Europese Gemeenschap/Otis e.a.).
Zie § 4.2.3 van het arrest op p. 27.
Zie § 4.2.5.3 op p. 32. Net als in Nederland kan de rechter de omvang de schade pas gaan schatten als schade aannemelijk is (en niet als alleen de mogelijkheid van schade aannemelijk is).
In die zin ook de schriftelijke toelichting van Kone, voetnoot 43 op p. 19.
Zie over de hoofdzaak, het causaal verband en tussenliggende feiten: T.F.E. Tjong Tjin Tai, De schadestaatprocedure (BPP nr. 14), par. 4.6 (nr. 443). De auteur merkt o.a. op dat het “[…] niet verstandig [is] om als procespartij te weigeren in te gaan op causaliteitsvragen in de aanname dat deze tot de schadestaatprocedure kunnen blijven wachten. Dat is misschien correct voor een deel van de causaliteitsvragen, maar niet voor allemaal.”
HR 16 mei 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD1674, NJ 2008/285 (Romein Staalbouw), rov. 3.5.3.
HR 25 januari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY1071, NJ 2013/69, JA 2013/47 m.nt. M.E. Franke (…] / [….), rov. 3.4.2. Zie ook 3.41 van deze conclusie.
Vgl. HR 27 november 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH2162, NJ 2014/201 m.nt. C.E. du Perron, AA 2010/336 m.nt. M.J.G.C. Raaijmakers, JOR 2010/43 m.nt. K. Frielink, Ondernemingsrecht 2010/21 m.nt. H.M. Vletter-van Dort (World Online), rov. 4.4.2: “[…] dat World Online en de Banken er belang bij hebben reeds in de hoofdprocedure verweermiddelen te kunnen aanvoeren tegen de vorderingen van (groepen van) bepaalde beleggers.” Het ging om een nadere onderbouwing van de vorderingsgerechtigdheid van een stichting die vorderingen instelde als cessionaris van bepaalde individuele beleggers van World Online. Zie J. de Bie Leuvelink Tjeenk, ‘De verhouding tussen hoofdprocedure en schadestaatprocedure’, MvV 2010/5, p. 122-123.
Zie schriftelijke toelichting Kone, nr. 3.1.12.
Zie de samenvatting van 25 mei 2016 van het Commissie-besluit van 2 april 2014 in zaak AT nr. 39.792, Pb EU 2016, C 366/6.
HR 17 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:428, NJ 2023/114, JOR 2023/236 m.nt. F.M.A. ’t Hart, rov. 3.2.4. Zie over deze beslissing en de te hanteren drempel: T.F.E. Tjong Tjin Tai, De schadestaatprocedure (BPP nr. 14), Deventer: Wolters Kluwer 2024, par. 4.4.2 (nr. 422).
In deze zin bijv. D.J. Beenders, in: T&C Rv, commentaar op art. 149 Rv, aant. 2.c. (actueel t/m 1 oktober 2024).
T.F.E. Tjong Tjin Tai, De schadestaatprocedure (BPP nr. 14), par. 4.4.1 (nr. 421): “[…] Anders gezegd: de rechter moet voldoende reden hebben om te oordelen dat er in het geheel geen schade is geleden. Zo niet, dan blijft de serieuze kans bestaan dat er wel schade is, wat voldoende grond zou opleveren voor verwijzing naar de schadestaatprocedure.”
Voor zover in de schriftelijke toelichting van Kone (5.1.5) een andere klacht wordt geformuleerd (namelijk: het hof heeft niet beoordeeld of ten aanzien van één van de tot een groep behorende personen (Kone of een van de andere inbreukplegers) aan alle vereisten van onrechtmatige daad is voldaan) is dat te laat.
T.F.E. Tjong Tjin Tai, De schadestaatprocedure (BPP nr. 14), par. 5.6 (nr. 543, achtste streepje): “Dit betekent dat [in de schadestaatprocedure] in het bijzonder aan de orde kunnen komen: […] de vraag of er gronden zijn die in de weg staan aan een verplichting tot betaling van het gehele bedrag aan schadevergoeding, zoals […] het aandeel van een hoofdelijk aansprakelijke partij […].” De auteur verwijst ter adstructie naar HR 23 september 1988, ECLI:NL:HR:1988:AD5713, NJ 1989/743 m.nt. J.C. Schultsz & J.H. Nieuwenhuis, AA 1989/874 m.nt. S.C.J.J. Kortmann, RVMR 2014/52 m.nt. A.I.M. van Mierlo, A.J. van der Lely & S.E. Bartels (Kalimijnen), rov. 3.6.
Conclusie 06‑06‑2025
Inhoudsindicatie
Unierecht. Procesrecht. Verjaring. Follow-on vordering kartelschade na liftenkartel; maatstaf aanvang verjaringstermijn; stuiting verjaring namens andere vennootschappen binnen economische eenheid?; maatstaf voor verwijzing naar schadestaat.
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 24/01598
Zitting 6 juni 2025
CONCLUSIE
B.J. Drijber
In de zaak van
Stichting Elevator Cartel Claim,
eiseres tot cassatie,
advocaten: mrs. P.A. Fruytier en H. Boom,
tegen
1. Kone B.V.
2. Kone Oyj,
verweersters in cassatie,
advocaten: mrs. A. Knigge en A. Stortelder.
Partijen worden hierna verkort aangeduid als SECC respectievelijk (in het enkelvoud) Kone.
1. Inleiding
1.1
In 2007 heeft de Europese Commissie (hierna: de Commissie) aan lift- en roltrapfabrikanten boetes opgelegd wegens overtreding van het Europees kartelverbod (art. 101 lid 1 VWEU) in diverse lidstaten van de Europese Unie, waaronder Nederland. SECC is een procedure gestart tegen de fabrikanten die volgens de Commissie in Nederland hebben deelgenomen aan het kartel, waaronder Kone. Aan SECC zijn vorderingen tot schadevergoeding gecedeerd door uiteenlopende partijen, die in de gedingstukken worden aangeduid als claimhouders.
1.2
De rechtbank heeft voor recht verklaard dat Kone onrechtmatig heeft gehandeld jegens bepaalde claimhouders en aansprakelijk is voor de door deze claimhouders geleden schade, te begroten in een schadestaatprocedure. Ook is geoordeeld dat bepaalde vorderingen zijn verjaard. Tegen onder meer dit laatste oordeel kwam SECC op in hoger beroep bij het hof.
1.3
Het hof heeft dat oordeel op enkele onderschikte punten na bevestigd. Het hof heeft onder meer geoordeeld dat (i) de korte verjaringstermijn van art. 3:310 lid 1 BW is aangevangen in 2008, (ii) een stuitingshandeling van een entiteit die deel uitmaakt van een groep niet de verjaring stuit ten aanzien van andere entiteiten van dezelfde groep, (iii) een recht op vergoeding van kartelschade niet toekomt aan een ‘onderneming’ in de zin van het mededingingsrecht, (iv) het voor de aannemelijkheid van mogelijke schade niet volstaat een lift in eigendom of in gebruik te hebben, en (v) Kone niet hoofdelijk aansprakelijk kan worden gehouden voor de schadelijke gevolgen van het kartel voordat zij daaraan deelnam.
1.4
Tegen deze oordelen richt SECC cassatieklachten, onder andere over de maatstaf voor het aanvangsmoment van de verjaringstermijn, de uitleg van het mededingingsrechtelijke begrip ‘onderneming’ in de context van verjaring, en over de drempel voor verwijzing naar de schadestaatprocedure. Ik meen dat alle klachten falen.
1.5
Kone heeft ook cassatieberoep ingesteld tegen het hier bestreden arrest van het hof in de door SECC aanhangig gemaakte gedingen (zaak 24/01599).
1.6
Daarnaast hebben Kone (zaak 24/01597) en Otis (zaak 24/01603) cassatieberoep ingesteld tegen het arrest van het hof in de gedingen die door de Stichting De Glazen Lift (hierna: DGL) aanhangig zijn gemaakt. In die zaken heeft DGL incidenteel cassatieberoep ingesteld.
1.7
De beide arresten van het hof zijn voor een belangrijk deel gelijkluidend. Vandaag neem ik mijn conclusie in alle vier de zaken. Naar mijn mening dienen alle beroepen te worden verworpen.
2. Feiten en procesverloop
Feiten1.
2.1
SECC is op 15 december 2010 opgericht. In de oprichtingsakte wordt vermeld dat deze stichting als doel heeft:
“het […] verwerven en te gelde maken van vorderingen, welke vorderingen verband houden met kartelvorming op het terrein van (rol)trappen, liften en/of rollende trottoirs, welke kartelvorming plaatsvond in of rond de periode van negentienhonderd vierennegentig tot twee duizendvier als gevolg waarvan natuurlijke personen of rechtspersonen […] waarmee de stichting dienovereenkomstig heeft gecontracteerd (deze rechtspersonen of natuurlijke personen hierna te noemen: de “Claimhouders”) direct of indirect schade hebben geleden […]”
SECC tracht dit doel onder meer te verwezenlijken door vorderingen over te nemen van directe of indirecte afnemers2.van de karteldeelnemers en deze in eigen naam tegen de karteldeelnemers in te stellen. SECC is dus een claimstichting.
2.2
Kone B.V. houdt zich bezig met het fabriceren, onderhouden en moderniseren van liften en roltrappen in Nederland. Kone Oyj is een houdstermaatschappij die indirect alle aandelen in Kone B.V. houdt. Deze vennootschappen maken deel uit van het internationaal opererende Kone-concern.
2.3
Er zijn vijf grote lift- en roltrapfabrikanten actief in Europa: Otis, Kone, Schindler, ThyssenKrupp en Mitsubishi.
2.4
Bij beschikking van 21 februari 20073.(hierna: de Beschikking4.) heeft de Europese Commissie (hierna: de Commissie) boetes opgelegd van in totaal € 992 miljoen aan (entiteiten behorende tot) deze vijf lift- en roltrapfabrikanten wegens overtreding van (thans5.) art. 101 VWEU in België, Duitsland, Luxemburg en Nederland. Deze fabrikanten (hierna: de liftfabrikanten of de karteldeelnemers) hebben zich in één of meerdere van deze landen schuldig gemaakt aan kartelvorming op de markten voor de installatie en het onderhoud van liften en roltrappen in één of meer van deze landen.
2.5
Op 21 februari 2007 heeft de Commissie een persbericht uitgebracht6., waarin zij bekend maakte dat zij boetes heeft opgelegd aan de liftfabrikanten voor deelname aan het kartel. In het persbericht geeft de Commissie een beknopte beschrijving van de werking van het kartel en een uitsplitsing van de boetes voor de vijf liftfabrikanten. Op 4 maart 2008 is een openbare versie van de Beschikking op de website van de Commissie geplaatst. Op 26 maart 2008 is een samenvatting van de Beschikking in het Publicatieblad van de EU gepubliceerd.7.
2.6
In de samenvatting van de Beschikking is de werking van het kartel als volgt beschreven:
“7. Met name werden de volgende inbreuken gepleegd in één, verscheidene of alle betrokken lidstaten:
- afspraken over de verdeling van de afzet en installatie van liften en roltrappen;
- afspraken over de toewijzing van openbare en particuliere aanbestedingen, alsook van andere contracten, voor de verkoop en installatie van liften en roltrappen naar gelang van het overeengekomen aandeel van iedere onderneming in de afzet;
- afspraken over de toewijzing van projecten voor de verkoop en installatie van nieuwe liften en/of roltrappen overeenkomstig het beginsel dat bestaande klantenrelaties in acht moeten worden genomen;
- afspraken niet onderling te concurreren om onderhoudscontracten voor reeds bestaande liften en roltrappen en afspraken over de inschrijving op deze opdrachten;
- afspraken niet onderling te concurreren om onderhoudscontracten voor nieuwe liften en roltrappen en afspraken over de inschrijving op deze opdrachten; en
- afspraken niet onderling te concurreren om moderniseringscontracten.
Enkele van de voornaamste kenmerken van de inbreuken waren uitwisseling van commercieel belangrijke en vertrouwelijke markt- en ondernemingsinformatie, onder andere met betrekking tot biedgedrag en prijzen. De deelnemers kwamen regelmatig bijeen om afspraken over hogervermelde beperkingen te maken en zij hielden toezicht op de uitvoering ervan op de nationale markten. Er zijn bewijzen voorhanden dat de ondernemingen zich ervan bewust waren dat hun gedrag onwettig was en dat zij trachtten te voorkomen dat dit werd ontdekt; hun werknemers ontmoetten elkaar gewoonlijk in bars en restaurants, op het platteland of zelfs in het buitenland, en gebruikten prepaid-kaarten voor mobiele telefoons om te voorkomen dat zij werden opgespoord.”
2.7
In Nederland is het liftenkartel actief geweest van 15 april 1998 tot 5 maart 2004. Kone heeft deelgenomen van 1 juni 1999 tot 5 maart 2004 en is dus later gaan meedoen.
2.8
Kone is tegen de Beschikking in beroep gegaan bij het Gerecht van de Europese Unie. Het Gerecht heeft het beroep verworpen.8.Het daartegen door Kone ingestelde hoger beroep is door het Hof van Justitie verworpen.9.Sindsdien is de Beschikking onherroepelijk.
2.9
Bij brief van 17 februari 201210.heeft SECC aan onder meer Kone het volgende meegedeeld:
“On behalf of Stichting Elevator Cartel Claims (SECC) - and to the extent necessary all the companies listed in Annex 1 attached (together being the entities defined below as Purchasers) - I inform you of the following.
[…]
In the period 1995 to 2004 many entities purchased elevator and/or related goods and services from at least one of the entities that have engaged in unlawful behaviour as ruled by the EC in the Decision and/or have otherwise suffered damages as a result of the conduct specified in the Decision. These entities are listed in Annex 1. Furthermore, many entities that have suffered damages as a result of the conduct specified in the Decision not listed in Annex 1, have assigned their claims against the addressees of the Decision and the related rights to these claims to SECC or have granted SECC a power of attorney or other authority to pursue their claim against the addressees of the Decision (for the purposes of this letter, the parties mentioned in this paragraph will be referred to as the Purchasers).
In these circumstances it is apparent that Kone Oyj. has committed a tortuous act and is liable to the Purchasers (or any subsequent assignee of the Purchaser’s rights) for any and all damages suffered by the Purchasers as a result.
(…)
SECC has initiated two proceedings before the Court of Rotterdam against several of the addressees of the Decision to claim damages from these addressees for the benefit of the Purchasers. (…)
The Purchasers unequivocally reserve the right to take legal action against Kone Oyj without further notice to recover the damages suffered. To avoid any misunderstanding, this letter constitutes a written notice to prescribe the limitation period.”
2.10
Bij brief van 13 februari 201711.heeft SECC aan Kone onder meer meegedeeld dat zij inmiddels drie procedures bij de rechtbank Rotterdam is begonnen ter verkrijging van vergoeding van door afnemers van de liftfabrikanten geleden schade als gevolg van de in de Beschikking vastgestelde inbreuk op het Europese kartelverbod. De brief moet worden gezien als een schriftelijke mededeling tot stuiting van de verjaring.
2.11
SECC heeft een door haar opgestelde lijst met namen van benadeelde partijen (claimhouders) die met haar een overeenkomst van cessie hebben gesloten.12.Op die lijst staan 122 bedrijven en andere organisaties vermeld.
Procesverloop13.
2.12
SECC heeft Kone op 30 december 2010, 6 oktober 2011 en 20 februari 2012 gedagvaard voor de rechtbank Rotterdam (hierna: de rechtbank). Na verschillende voegingen van procedures en eiswijzigingen heeft SECC – samengevat – een verklaring voor recht gevorderd dat (i) Kone B.V. en Kone Oyj in strijd met art. 101 VWEU, en onrechtmatig hebben gehandeld jegens de claimhouders en (ii) op grond van art. 101 VWEU, art. 6:162 BW en art. 6:166 BW hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade geleden door de claimhouders, verminderd met hetgeen ThyssenKrupp Liften B.V. en ThyssenKrupp AG als hoofdelijk medeschuldenaar verplicht zijn bij te dragen, deze schade op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet.
2.13
Bij tussenvonnis van 23 oktober 201914.(hierna: het tussenvonnis) heeft de rechtbank partijen in de gelegenheid gesteld bij akte nader in te gaan op het volgende: (i) de stuiting van de verjaring van de vorderingen van een aantal claimhouders, (ii) per claimhouder, feiten en omstandigheden (met verwijzing naar stukken) waaruit blijkt dat de betreffende claimhouder tijdens de deelname van Kone aan het kartel ten minste één keer een overeenkomst heeft gesloten met en/of een product of dienst heeft afgenomen van één van de karteldeelnemers; (iii) en de betekenis van het eerder dat jaar gewezen Skanska-arrest15.voor de aansprakelijkheid van Kone Oyj als moedervennootschap voor de gedragingen van Kone B.V.
2.14
Bij vonnis van 23 juni 2021 (hierna: het eindvonnis)16.heeft de rechtbank geoordeeld dat de eisvermindering van SECC na de totstandkoming van een schikking met ThyssenKrupp voldoende concreet is, zodat er geen reden is de vorderingen van SECC af te wijzen wegens onvoldoende bepaaldheid. Ten aanzien van de verjaring heeft de rechtbank geoordeeld dat het Nederlandse verjaringsstelsel verenigbaar is met het Unierechtelijke doeltreffendheidsbeginsel. De rechtbank heeft vastgesteld dat de vorderingen van veertien van de 122 claimhouders zijn verjaard.
2.15
De rechtbank heeft de uitbreiding van de vordering van SECC tot schade die is geleden bij de afname van producten of diensten van anderen dan de karteldeelnemers als gevolg van zogeheten umbrella pricing17., buiten beschouwing gelaten. Met betrekking tot gestelde indirecte schade heeft de rechtbank overwogen dat SECC moet onderbouwen dat de schade uiteindelijk door de claimhouder is gedragen. SECC kan daarbij niet volstaan met de stelling dat die schade is geleden door een groep waarvan de claimhouder als vennootschap deel uitmaakt. Alleen de schadelijdende vennootschap zelf kan vergoeding van de schade vorderen.
2.16
Voor verwijzing naar de schadestaatprocedure volstaat dat een claimhouder aannemelijk maakt dat hij mogelijk schade heeft geleden. Als een claimhouder heeft betaald voor producten of diensten van een karteldeelnemer op grond van een overeenkomst die tot stand is gekomen tijdens de inbreukperiode, is aannemelijk dat de claimhouder mogelijk schade heeft geleden, aangezien het kartel een prijsopdrijvend effect heeft gehad. De rechtbank heeft het doorberekeningsverweer van Kone verworpen op de grond dat Kone onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat claimhouders steeds het gehele schadebedrag hebben doorberekend. Vervolgens is de rechtbank per claimhouder nagegaan of SECC de mogelijkheid van schade voldoende aannemelijk heeft gemaakt. Naar het oordeel van de rechtbank is dat het geval voor IKEA Beheer B.V. en voor achttien andere claimhouders. Uit het in 2.13 genoemde Skanska-arrest leidt de rechtbank tot slot af dat Kone Oyj (de holding) naast Kone B.V. (de feitelijk inbreukmaker) hoofdelijk aansprakelijk is voor de schade die deze claimhouders mogelijk hebben geleden.
2.17
De rechtbank heeft voor recht verklaard dat Kone B.V. en Kone Oyj in strijd hebben gehandeld met art. 101 VWEU, en op grond daarvan hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade geleden door IKEA Beheer B.V. en de andere achttien claimhouders die worden genoemd in rov. 4.30 van het eindvonnis,18.verminderd met hetgeen ThyssenKrupp als hoofdelijk medeschuldenaar verplicht is bij te dragen, deze schade op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet.
2.18
Kone én SECC hebben van het tussenvonnis en het eindvonnis in de verschillende door de rechtbank gevoegde zaken hoger beroep ingesteld bij het hof Den Haag (hierna: het hof).19.De zaken werden bij incidenteel arrest van 3 mei 2022 gevoegd.
2.19
Bij arrest van 23 januari 2024 (hierna: het bestreden arrest)20.heeft het hof het tussenvonnis bekrachtigd, het eindvonnis gedeeltelijk vernietigd en de verklaring voor recht opnieuw uitgesproken (met de aangepaste juiste inbreukperiode en enkele wijzigingen in de lijst van claimhouders). Voor het overige werd het eindvonnis bekrachtigd.
2.20
Het hof heeft daartoe – zakelijk weergegeven – het volgende overwogen:
a) Het is niet in geschil dat voor de reikwijdte van de inbreuk moet worden uitgegaan van de Beschikking. Daaruit blijkt het volgende. Het is niet zo dat alleen een klein deel van de projecten werd geraakt door de inbreuk. Elk project aan een bepaalde karteldeelnemer toewijzen was niet nodig, omdat het uitgangspunt was dat elke deelnemer zijn bestaande klanten zou behouden. De effecten van de enkele en voortdurende inbreuk (single and continuous infringement) waren niet beperkt tot opdrachten waarbij toepassing werd gegeven aan het verdelingsmechanisme. Bovendien kon het marktgedrag van de karteldeelnemers worden beïnvloed door uitwisseling van concurrentiegevoelige informatie ook buiten de context van de specifieke projecten waarover overleg plaatsvond. (rov. 6.5 - 6.7)
b) Onderhoudscontracten voor nieuwe liftinstallaties vallen binnen de reikwijdte van de inbreuk. (rov. 6.8)
c) In het midden kan blijven of het kartel daadwerkelijk alle transacties op de markten voor de installatie, het onderhoud en de modernisering van liften omvatte. Voor een verwijzing naar de schadestaatprocedure volstaat dat de mogelijkheid van schade aannemelijk is. Uit de Beschikking volgt dat het kartel een veelomvattende, langdurige en systematische inbreuk betrof, die de mededinging op de desbetreffende markten in heel Nederland heeft beperkt. Die afbakening van de reikwijdte van het kartel is voldoende om te kunnen beoordelen of de mogelijkheid van schade ten aanzien van een claimhouder aannemelijk is. (rov. 6.9)
d) Uit de Beschikking volgt dat de inbreuk effect op de markt heeft gehad, waaronder een opwaarts effect op de prijzen. Het is een feit van algemene bekendheid dat een beperking van de mededinging leidt tot hogere prijzen, ook als niet uitdrukkelijk een prijsverhoging is afgesproken. Het onderling uitwisselen en afstemmen van prijzen vormde ook daadwerkelijk onderdeel van het kartel. Uit de Beschikking kan dus worden afgeleid dat de inbreuk een prijsopdrijvend effect heeft gehad. Ook de Kartelschaderichtlijn21.(hoewel van later datum en daarom temporeel niet van toepassing in deze zaak) gaat ervan uit dat inbreuken op het mededingingsrecht tot een prijsverhoging leiden, en voorziet op grond van dat uitgangspunt in een bewijsvermoeden van schade. (rov. 6.10 – 6.14)
e) De economische rapporten die partijen hebben overgelegd zijn geen reden om hier anders over te oordelen. (rov. 6.15)
f) De omzettingstermijn van de Kartelschaderichtlijn liep tot 27 december 2016. De relevante feiten voor beoordeling van de verjaring hebben zich vóór die datum afgespeeld. Verder is art. 6:193s BW (implementatie verjaringsregeling) niet van toepassing op zaken die vóór 26 december 2014 aanhangig zijn gemaakt. De dagvaardingen zijn alle vóór deze datum uitgebracht. Richtlijnconforme interpretatie is reeds daarom niet aan de orde. Verder bestaat voor verlenging van de verjaringstermijn (op grond van de Kartelschaderichtlijn) geen aanknopingspunt in het Nederlandse recht van vóór de implementatie. Verlenging van die termijn zou neerkomen op een uitleg contra legem van art. 3:310 BW. (rov. 6.25-6.27)
g) De verjaringstermijn van art. 3:310 BW is niet pas gaan lopen na het arrest van het Hof van Justitie van 24 oktober 2013 (in hoger beroep). Een richtlijnconforme uitleg is niet aan de orde. Het persbericht van de Commissie van 21 februari 2007 biedt onvoldoende aanknopingspunten voor het instellen van een vordering tot schadevergoeding. Daarin is niet de inbreukperiode per lidstaat en per deelnemer vermeld. Die informatie is wél opgenomen in de openbare versie van de Beschikking (op de website van de Commissie op 4 maart 2008) en in de samenvatting daarvan (in het Publicatieblad van 26 maart 2008). Het kan in het midden blijven op welk van deze twee momenten de verjaring een aanvang heeft genomen. Voor de beoordeling maakt dat geen verschil. (rov. 6.28-6.29)
h) De vereiste bekendheid met de schade en de daarvoor aansprakelijke persoon kan voor iedere claimhouder worden aangenomen op grond van de beschikbaarheid van de informatie in de (samenvatting van de) Beschikking, tenzij SECC aantoont dat een claimhouder toch niet bekend was met de schade en de daarvoor aansprakelijke persoon. De aanvang van de verjaring kan niet afhankelijk worden gemaakt van het tijdstip waarop de benadeelde een juiste beoordeling heeft gemaakt van de beschikbare informatie. (rov. 6.30)
i) SECC heeft bovendien namens de eerste groep benadeelden gedagvaard op 30 december 2010. Tegen die achtergrond kan van SECC worden verlangd dat zij verklaart waarom andere benadeelden toen (nog) niet over deze kennis beschikten. Dat heeft SECC niet gedaan. (rov. 6.31)
j) De verjaringstermijn is in maart 2008 aangevangen (zie onder g). De vorderingen van veertien claimhouders (rov. 4.14 eindvonnis) zijn daarom verjaard. (rov. 6.32)
k) Een stuitingshandeling van een entiteit die deel uitmaakt van een groep stuit niet de verjaring ten aanzien van andere entiteiten van dezelfde groep. Een recht op schadevergoeding komt toe aan een (rechts)persoon. Die zal de verjaring moeten stuiten. Een andere (rechts)persoon kan dat wel namens hem doen, maar een enkele stuiting zonder dat wordt vermeld voor wie nog meer wordt opgetreden, kan niet. De redelijkheid en billijkheid leiden niet tot een ander oordeel. (rov. 6.33)
l) De grondslag voor de aansprakelijkheid van Kone is gelegen in de onrechtmatige deelname aan het kartel. De verdeling van opdrachten was volgens de Beschikking onderdeel van een “overall scheme to share and regulate the market”. Het is dus niet nodig om voor iedere afzonderlijke transactie tussen een claimhouder en een karteldeelnemer na te gaan of onrechtmatig is gehandeld. Ook als een opdracht niet werd aanbesteed, maar één-op-één aan een karteldeelnemer werd gegund, viel zij binnen de reikwijdte van de inbreuk en is de mogelijkheid van schade aannemelijk. (rov. 6.50)
m) De drempel voor verwijzing naar de schadestaatprocedure is dat een claimhouder ten minste in één geval direct of indirect (bijvoorbeeld via een aannemer) producten en/of diensten van een karteldeelnemer heeft afgenomen tijdens de inbreukperiode. Het hof volgt niet het standpunt van SECC dat het voor de aannemelijkheid van mogelijke schade volstaat dat een claimhouder tijdens de inbreukperiode een lift in eigendom of in gebruik had. (rov. 6.51, zie ook rov. 6.60)
n) Het is juist dat niet op voorhand kan worden uitgesloten dat ook anderen dan directe of indirecte afnemers van een karteldeelnemer schade kunnen lijden als gevolg van een kartel. De mogelijkheid van schade geleden door die partij moet wel in de hoofdzaak aannemelijk worden gemaakt. Dat is SECC niet gelukt. (rov. 6.52)
o) Een recht op vergoeding van kartelschade komt niet toe aan ‘ondernemingen’ in de zin van het mededingingsrecht en ook niet iedere entiteit behorende tot die onderneming kan dat recht voor de gehele onderneming geldend maken. Een recht op schadevergoeding komt toe aan een (rechts)persoon. Die persoon moet in de hoofdzaak aannemelijk maken dat hij mogelijk schade heeft geleden. Indien de vordering is overgedragen, dan moet de verkrijger dat doen. De rechtspraak van het Hof van Justitie of de Kartelschaderichtlijn leiden niet tot een ander oordeel. (rov. 6.53)
p) Ook in het geval dat claimhouders producten of diensten van niet-karteldeelnemers hebben afgenomen, moet ten minste enige concrete aanwijzing van mogelijke schade door umbrella pricing worden gegeven. Het hof acht de algemene economisch-theoretische onderbouwing van SECC tegenover de gemotiveerde betwisting van Kone onvoldoende om aan te nemen dat ook claimhouders die direct noch indirect een of meer producten of diensten van een karteldeelnemer hebben afgenomen, schade hebben geleden als gevolg van het kartel. Het hof komt tot eenzelfde oordeel ten aanzien van de door SECC gestelde na-ijleffecten.22.De vraag of claimhouders vorderingen wegens umbrella pricing of na-ijleffecten aan SECC hebben overgedragen, kan buiten beschouwing blijven. (rov. 6.54-6.58)
q) De mogelijkheid van schade is (anders dan de rechtbank had geoordeeld) niet aannemelijk geworden ten aanzien van Magazijn De Bijenkorf B.V. en Golden Tulip Museum Quarter B.V. (rov. 6.93-6.94, 6.107 en 6.108)23.
r) Het doorberekeningsverweer vormt slechts een beletsel voor verwijzing naar de schadestaatprocedure als op voorhand zou moeten worden aangenomen dat mogelijke prijsverhogingen als gevolg van het kartel integraal zijn doorberekend. De stelplicht wat betreft de doorberekening rust op Kone. Aan die plicht heeft zij niet voldaan. Er is geen reden voor het opleggen van een verzwaarde motiveringsplicht aan SECC in dit stadium van de procedure. (rov. 6.112-6.114)
s) De bestrijding door Kone van haar aansprakelijkheid op grond van art. 6:166 BW berust op het onjuiste uitgangspunt dat de grondslag van de aansprakelijkheid van de liftfabrikanten is gelegen in de concrete verdeling van opdrachten. De grondslag voor de aansprakelijkheid is gelegen in de deelname aan het kartel. Er is voldaan aan de vereisten van artikel 6:166 BW en de liftfabrikanten zijn hoofdelijk aansprakelijk voor elkaars gedragingen in kartelverband. Die hoofdelijke aansprakelijkheid strekt zich ook uit tot de gedragingen van de liftfabrikanten waarmee SECC regelingen heeft getroffen. (rov. 6.120 - 6.121)
t) Kone heeft er terecht op gewezen dat zij niet de gehele inbreukperiode in Nederland aan het kartel heeft deelgenomen. Het hof zal de verklaring voor recht aanpassen zodat duidelijk is dat Kone alleen aansprakelijk is voor de periode vanaf 1 juli 1999. Gelet op het Skanska-arrest verwerpt het hof het standpunt dat Kone Oyj niet hoofdelijk aansprakelijk kan worden gehouden voor de gedragingen van Kone B.V. (rov. 6.122 - 6.123)
u) Voor de vaststelling van aansprakelijkheid van Kone in deze procedure is niet nodig dat de omvang van de interne draagplicht van de karteldeelnemers vast komt te staan. De eisvermindering van SECC is niet van belang voor de grondslag van de aansprakelijkheid van Kone, maar voor de hoogte van de schadevergoeding waarop SECC jegens Kone aanspraak kan maken. Dat kan in de schadestaatprocedure aan de orde komen. (rov. 6.128-6.129)
v) Het hof wijst de op grond van art. 843a Rv ingestelde inzagevordering van SECC af. Daarbij bestaat voor bepaalde claimhouders geen gerechtvaardigd belang en voor andere claimhouders is het bestaan van een rechtsbetrekking onvoldoende aannemelijk gemaakt. (rov. 6.131-6.132)
w) Het oordeel van de rechtbank over de proceskosten blijft in stand. (rov. 6.136)
2.21
SECC heeft tijdig cassatieberoep ingesteld. Kone voert verweer. Partijen hebben hun zaak schriftelijk laten toelichten. Deze toelichtingen werden gevolgd door re- en dupliek.
3. Bespreking van het cassatiemiddel
3.1
Het cassatiemiddel bestaat uit vier onderdelen:
- Onderdeel I: klachten over het verjaringsoordeel van het hof.
- Onderdeel II: klachten over het mededingingsrechtelijke begrip ‘onderneming’.
- Onderdeel III: klachten over de drempel voor verwijzing naar de schadestaatprocedure.
- Onderdeel IV: klachten gericht op de reikwijdte van de aansprakelijkheid van Kone.
3.2
Ik zal bij de bespreking van deze onderdelen de in de procesinleiding gehanteerde volgorde aanhouden.
Onderdeel I: verjaring
3.3
In subonderdeel I.1 richt SECC haar pijlen op rov. 6.26-6.27. Deze overwegingen luiden, in hun context weergegeven, als volgt (citaat zonder voetnoot; mijn onderstrepingen, ook in citaten hierna, A-G):
“(ii) Verjaring
[…]
Het oordeel van het hof
6.25
Een verplichting voor de Nederlandse rechter om het nationale recht uit te leggen in overeenstemming met een EU-richtlijn bestaat pas vanaf het tijdstip van de omzettingstermijn genoemd in de richtlijn. Vóór dat tijdstip kan het wenselijk zijn om het nationale recht zo uit te leggen dat het leidt tot uitkomsten die verenigbaar zijn met een richtlijn, maar richtlijnconforme uitleg kan niet leiden tot een uitleg van het nationale recht die indruist tegen de wet.
6.26
De omzettingstermijn van de Kartelschaderichtlijn liep tot 27 december 2016 (vgl. artikel 21 lid 1 van de Kartelschaderichtlijn). De Implementatiewet richtlijn privaatrechtelijke handhaving mededingingsrecht, die de Kartelschaderichtlijn implementeert (hierna: de Implementatiewet), is op 10 februari 2017 in werking getreden. De relevante feiten voor de beoordeling van de verjaring in deze zaak hebben zich alle vóór 27 december 2016 afgespeeld. Daarenboven is artikel 6:193s BW, dat de regeling van de verjaring in de Kartelschaderichtlijn implementeert, op grond van artikel III van de Implementatiewet niet van toepassing op zaken die vóór 26 december 2014 bij de rechter aanhangig zijn gemaakt. Artikel III van de Implementatiewet geeft uitvoering aan artikel 22 lid 2 van de Kartelschaderichtlijn. De dagvaardingen in deze zaak zijn alle vóór 26 december 2014 uitgebracht. Toepassing van de regeling van de verjaring in de Kartelschaderichtlijn in deze zaak is dus niet in overeenstemming met de bedoelingen van de Uniewetgever. De door SECC voorgestane richtlijnconforme interpretatie van de algemene verjaringsregel van artikel 3:310 lid 1 BW is reeds daarom niet aan de orde.
6.27
Daarbij komt dat voor de verlenging van de verjaringstermijn op grond van artikel 10 lid 4 van de Kartelschaderichtlijn geen aanknopingspunt bestaat in het Nederlandse recht vóór de implementatie van de richtlijn. Toepassing van deze verlenging zou neerkomen op een uitleg contra legem van artikel 3:310 BW. Daarin verschilt deze zaak van de zaak TenneT/ABB. Voor het doorberekeningsverweer waar het in die zaak om ging waren reeds vergelijkbare grondslagen in de Nederlandse wetgeving aanwezig. Ten slotte kan SECC zich niet beroepen op het arrest van het Hof van Justitie van de EU in de zaak Cogeco. De Nederlandse verjaringsregels die van kracht waren vóór de implementatie van de Kartelschaderichtlijn zijn aanzienlijk minder streng dan de Portugese verjaringsregels die in die zaak aan de orde waren. Van de Nederlandse verjaringsregels kan niet worden gezegd dat zij de uitoefening van het recht op schadevergoeding wegens inbreuken op het mededingingsrecht onmogelijk of uiterst moeilijk maken.”
3.4
Volgens SECC is het oordeel dat in deze zaak richtlijnconforme interpretatie niet aan de orde zou kunnen zijn (rov. 6.26) rechtens onjuist. Dat de Kartelschaderichtlijn en art. 6:193s e.v. BW temporeel niet van toepassing zijn, laat onverlet dat het beoordelingskader op grond van het Nederlandse recht zo moet worden uitgelegd dat het leidt tot uitkomsten die verenigbaar zijn met de Kartelschaderichtlijn en de Nederlandse wetgeving ter implementatie daarvan, met inachtneming van het Unierechtelijke gelijkwaardigheids- en doeltreffendheidsbeginsel. SECC verwijst naar het TenneT/ABB-arrest van de Hoge Raad, waarin ook een beroep op richtlijnconforme interpretatie van Kartelschaderichtlijn werd gedaan voordat de Kartelschaderichtlijn van toepassing was geworden.24.
3.5
De klacht faalt. In art. 10 Kartelschaderichtlijn staan regels over (bevrijdende) verjaring. Het Hof van Justitie heeft in het Volvo/RM-arrest25.geoordeeld dat artikel 10 van de Kartelschaderichtlijn een materiële bepaling is in de zin van artikel 22 lid 1 van diezelfde richtlijn.26.Uit die bepaling volgt dat geen terugwerkende kracht aan de nationale maatregelen ter implementatie van materiële richtlijnbepalingen mag worden toegekend. Een materiële richtlijnbepaling is derhalve niet van toepassing op vóór het verstrijken van de implementatietermijn verworven rechtssituaties. Daarvan is in deze zaak sprake omdat de inbreuk volgens de vaststellingen van de Commissie was beëindigd (op 5 maart 2004), ruim voordat de Kartelschaderichtlijn diende te zijn geïmplementeerd (op 27 december 2016).
3.6
De nationale implementatiewetgeving is hiermee in lijn. Art. 10 Kartelschaderichtlijn is geïmplementeerd in art. 6:193s BW (art. 10 lid 1 t/m 3) en in art. 6:193t lid 2 BW (art. 10 lid 4). De implementatiewetgever is er van uitgegaan dat art. 6:193s BW een materiële bepaling is als bedoeld in art. 22 lid 1 Kartelschaderichtlijn (al bestond daar aanvankelijk onduidelijkheid over die in 2018 is weggenomen).27.
3.7
Het TenneT/ABB-arrest leidt niet tot een ander oordeel. In die zaak was aan de orde wat de verbintenisrechtelijke grondslag is van het doorberekeningsverweer: vermogensvergelijking (art. 6:95-6.97 BW) of voordeelstoerekening (art. 6:100 BW)? De Hoge Raad oordeelde dat beide grondslagen naar nationaal recht mogelijk zijn en overwoog in dat verband dat het ‘wenselijk’ is om het nationale recht op dit punt “zo uit te leggen dat het leidt tot uitkomsten die verenigbaar zijn met de Richtlijn” en het (destijds aanhangige) voorstel voor de implementatiewet.28.
3.8
In subonderdeel I.1.2 betoogt SECC dat het hof in rov. 6.26-6.27 eraan voorbij ziet dat richtlijnconforme interpretatie van art. 3:310 lid 1 BW niet slechts zou kunnen bestaan in een verlenging van de verjaringstermijn in het voetspoor van art. 10 lid 4 Kartelschaderichtlijn. Art. 3:310 lid 1 BW zou ook zo kunnen worden uitgelegd dat een benadeelde pas daadwerkelijk in staat kan worden geacht een rechtsvordering in te stellen (bekendheid met schade en daarvoor aansprakelijke persoon) nadat de beschikking van de Commissie definitief (in de zin van: onherroepelijk) is geworden. Anders dan het hof oordeelt, zijn er dus wel degelijk grondslagen in de Nederlandse wetgeving voor een interpretatie die verenigbaar is met de Kartelschaderichtlijn, aldus de klacht.
3.9
De klacht bepleit een maatstaf om de verjaringstermijn later te laten ingaan door bekendheid met schade en dader pas aan te nemen vanaf het moment dat het Commissie-besluit waar de schadevergoedingsvordering op is gebaseerd, definitief is geworden. Los van de vraag wat precies de grondslag is voor de in het middel voorgestelde uitleg, gaat SECC voorbij aan hetgeen daar recent over is geoordeeld in het arrest Heureka/Google.29.Ik licht dat toe, maar doe daarbij eerst een klein stapje terug naar twee eerdere arresten over verjaring van kartelschadevorderingen waar het Hof in Heureka/Google op voortbouwt.30.
3.10
De eerste zaak is Cogeco.31.Die zaak ging over een Portugese verjaringsregeling op grond waarvan drie jaar na bekendheid met (enkel) de schade de verjaring al intrad, welke termijn bovendien niet kon worden gestuit of geschorst. Op die zaak was de Kartelschaderichtlijn temporeel niet van toepassing (arrest Cogeco, punt 33). Daarom toetste het Hof de Portugese verjaringsregeling aan het doeltreffendheidsbeginsel. Het overwoog dat een nationale verjaringsregeling “afgestemd moet zijn op het specifieke karakter van het mededingingsrecht” (waarmee lijkt te zijn bedoeld het feitelijk en economische complexe karakter van de meeste mededingingszaken) om de volle werking van de mededingingsregels “niet teniet te doen” (punt 47). Het Hof oordeelde dat de Portugese verjaringsregeling in strijd was met de materiële mededingingsbepaling (in die zaak: art. 102 VWEU) én met het ongeschreven doeltreffendheidsbeginsel (punt 55).32.Gelet op het strikte karakter van deze Portugese regeling verbaast die uitkomst niet, omdat de benadeelde maar een korte periode had om een vordering in te stellen.
3.11
De tweede zaak is het al genoemde arrest Volvo /RM33., een (Spaanse) follow-on vordering naar aanleiding van het ook bij de Hoge Raad inmiddels bekende truckkartel. Het Hof oordeelde op grond van het doeltreffendheidsbeginsel dat de verjaringstermijnen voor schadevorderingen wegens inbreuken op het mededingingsrecht “niet kunnen ingaan voordat de inbreuk is beëindigd en de benadeelde persoon kennis heeft genomen of redelijkerwijs kan worden geacht kennis te hebben genomen van het feit dat hij door die inbreuk schade heeft geleden alsmede van de identiteit van de pleger ervan” (arrest Volvo, punt 61). Hieruit volgt dat de beëindiging van de inbreuk én bekendheid met (mogelijke) schade en dader zijn twee cumulatieve voorwaarden om de verjaringstermijn te laten ingaan: als de inbreuk is beëindigd gaat die verjaringstermijn lopen op het moment van bekendheid, maar was benadeelde al eerder bekend met de (mogelijke) schade en de aansprakelijke persoon, dan gaat de verjaringstermijn lopen vanaf de dag waarop de inbreuk geacht wordt te zijn beëindigd. In Volvo/RM ging het Hof niet mee met het betoog dat de verjaringstermijn zou zijn geschorst totdat onherroepelijk is beslist op het bestuursrechtelijk beroep tegen de beschikking van de Commissie die aan een follow-on vordering tot schadevergoeding ten grondslag ligt. Een regel van die strekking is wel opgenomen in art. 10 lid 4 Kartelschaderichtlijn, maar kan niet op grond van het doeltreffendheidsbeginsel naar analogie worden toegepast op een geding dat temporeel niet onder die richtlijn valt.
3.12
Daarmee kom ik bij het genoemde arrest Heureka/Google,34.dat na het bestreden arrest in deze zaak is gewezen. Heureka is een Tsjechische vergelijkingswebsite die zich beriep op het boetebesluit van de Commissie in de zaak Google Shopping, waarin is vastgesteld dat Google op bepaalde markten misbruik van machtspositie heeft gemaakt (art. 102 VWEU). Dat besluit was nog niet definitief (omdat er nog een beroep van Google in Luxemburg liep) toen Heureka een follow-on vordering instelde bij de Tsjechische rechter. Google beriep zich op een Tsjechische verjaringstermijn van drie jaar voor schadevorderingen wegens voortdurende inbreuken op de mededingingsregels, welke steeds opnieuw voor elke gedeeltelijke schade die het gevolg is van zo’n inbreuk begint te lopen vanaf het tijdstip waarop de benadeelde kennis heeft gekregen of kon nemen van de schade en van de identiteit van de persoon die deze schade moet vergoeden. Die verjaringstermijn kon kennelijk niet worden gestuit of geschorst.
3.13
Het Hof werkt in Heureka zijn eerdere rechtspraak lichtjes uit en, zoals vaker voorkomt bij uitspraken van de Grote Kamer, trekt het de touwtjes net iets strakker aan35.In Heureka was de voorwaarde uit Volvo/RM dat de verjaringstermijn niet al mag ingaan zo lang de inbreuk nog niet is beëindigd,36.niet voldaan (punt 52). Bij de tweede voorwaarde dat de benadeelde bekend is met (mogelijke) schade en de aansprakelijke persoon hanteert het Hof als uitgangspunt dat die bekendheid in beginsel aanwezig is vanaf het tijdstip waarop de samenvatting van de beschikking van de Commissie is gepubliceerd (punt 67). Het staat aan gedaagde om aan te tonen dat de benadeelde daar al eerder kennis van had (punt 71). Volgens het Hof maakt het daarbij geen verschil of het Commissie-besluit waarop een follow-on vordering is gebaseerd definitief is (in de Nederlandse terminologie: formele rechtskracht heeft). In een afrondende overweging overweegt het Hof:
“78 Ongeacht of het betrokken besluit van de Commissie al dan niet definitief wordt, kan er derhalve in beginsel vanaf de datum van bekendmaking van de samenvatting ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie en mits de betrokken inbreuk is beëindigd, redelijkerwijs van worden uitgegaan dat de benadeelde persoon over alle gegevens beschikt die hij nodig heeft om zijn schadevordering binnen een redelijke termijn te kunnen instellen, inclusief de gegevens die nodig zijn om de omvang van de eventueel vanwege de betrokken inbreuk geleden schade te bepalen. Die bekendmaking maakt het immers over het algemeen mogelijk om het bestaan van een inbreuk vast te stellen. Bovendien kan de benadeelde de omvang van de eventueel vanwege deze inbreuk geleden schade bepalen op basis van die vaststelling en van de gegevens waarover hij beschikt.”
3.14
In de onderhavige liftenzaak staat feitelijk vast dat de inbreuk in 2004 is beëindigd en dat in 2008 een samenvatting van de Beschikking in het Publicatieblad van de EU is gepubliceerd. Dat betekent dat ervan uit mag worden gegaan dat de verjaringstermijn in 2008 is gaan lopen. Op grond hiervan faalt de klacht.
3.15
Subonderdeel I.1.3 behelst een voortbouwklacht die gelet op vorenstaande bespreking faalt.
3.16
De klachten in subonderdelen I.2.1 t/m I.2.4 zijn gericht op rov. 6.29 van het bestreden arrest. Deze overweging, de daaraan voorafgaande en de daarop volgende overwegingen luiden:
“6.28 Het hof neemt dus artikel 3:310 BW en artikel 3:316 BW als uitgangspunt voor de beoordeling van de verjaring. In deze zaak gaat het met name om de bepaling dat een rechtsvordering tot vergoeding van schade verjaart door verloop van vijf jaar na aanvang van de dag, volgende op die waarop de benadeelde zowel met de schade als met de daarvoor aansprakelijke persoon bekend is geworden. Kone doet een beroep op verjaring, dus Kone moet de daarvoor benodigde feiten en omstandigheden stellen en zo nodig bewijzen. Kone heeft (in hoger beroep) gesteld dat de verjaringstermijn is aangevangen op 21 februari 2007 met de publicatie van het persbericht [over de Beschikking; A-G], althans op 4 maart 2008 toen de openbare versie van de Beschikking op de website van de Commissie is geplaatst, en meer subsidiair op 26 maart 2008, de datum van de publicatie van de samenvatting van de Beschikking in het Publicatieblad.
6.29
Het verweer van SECC dat de verjaringstermijn van artikel 3:310 BW pas is gaan lopen na het arrest van het Hof van Justitie van de EU van 24 oktober 2013 in de beroepsprocedure tegen de Beschikking faalt, omdat een uitleg van deze wetsbepaling conform de Kartelschaderichtlijn niet aan de orde is, zoals hiervoor uiteengezet in 6.25 tot en met 6.27. Het hof volgt SECC wel in haar stelling dat het persbericht onvoldoende aanknopingspunten bevatte voor het instellen van een vordering tot schadevergoeding, omdat daarin nog niet de inbreukperiode per lidstaat en per karteldeelnemer was vermeld. Die informatie was wel opgenomen in de Beschikking en in de samenvatting daarvan. Op het moment van de plaatsing van de openbare versie van de Beschikking op de website van de Commissie (4 maart 2008), dan wel op het moment van de bekendmaking van de samenvatting van de Beschikking in het Publicatieblad (26 maart 2008), beschikten mogelijke benadeelden dus over voldoende informatie om daadwerkelijk een vordering tot vergoeding van de door hen geleden schade in te stellen (vgl. het arrest van het Hof van Justitie van de EU van 22 juni 2022 in zaak C-267/20, Volvo en DAF/RM, punt 64 en verder). Het kan in het midden blijven op welk van deze twee momenten de verjaring een aanvang heeft genomen omdat dat voor de beoordeling geen verschil maakt.
6.30
Het is niet noodzakelijk om voor iedere individuele claimhouder na te gaan wanneer deze bekend was met de schade en de daarvoor aansprakelijke persoon. De op grond van artikel 3:310 BW vereiste bekendheid met de schade en de daarvoor aansprakelijke persoon kan worden afgeleid uit de relevante feiten en omstandigheden, behoudens door de benadeelde te leveren tegenbewijs. De vereiste bekendheid kan dus worden aangenomen op grond van de beschikbaarheid van de informatie in de (samenvatting van de) Beschikking, tenzij SECC aantoont dat een claimhouder ondanks de beschikbaarheid van die informatie niet bekend was met de schade en de daarvoor aansprakelijke persoon. Het verweer van SECC dat het instellen van vorderingen tot vergoeding van schade wegens een schending van het mededingingsrecht complexe feitelijke en economische analyses vereist, is daarvoor niet genoeg. De aanvang van de verjaring kan immers niet afhankelijk worden gemaakt van het tijdstip waarop de benadeelde een juiste beoordeling heeft gemaakt van de beschikbare informatie (vgl. het arrest van de Hoge Raad van 4 mei 2018,ECLI:NL:HR:2018:677). Het gaat erom dat benadeelden de benodigde kennis en het benodigde inzicht hadden om de gemaakte afspraken te beoordelen (vgl. het arrest van de Hoge Raad van 12 januari 2024, ECLI:NL:HR:2024:19). Die benodigde kennis en inzicht konden de claimhouders ontlenen aan de (samenvatting van de) Beschikking. Andere feiten of omstandigheden waaruit kan worden afgeleid dat individuele claimhouders ondanks de publicatie van de (samenvatting van de) Beschikking over onvoldoende informatie beschikten om een vordering in te stellen, heeft SECC niet aangevoerd.”
3.17
Subonderdeel I.2.1 klaagt dat het (onderstreepte) oordeel in rov. 6.29 onjuist is, omdat het hof daar zou hebben miskend dat voor de aanvang van de subjectieve verjaringstermijn van art. 3:310 BW daadwerkelijke (in de zin van: feitelijke) bekendheid van de benadeelde is vereist met zowel zijn schade als de daarvoor aansprakelijke persoon. De enkele plaatsing van een openbare versie van de Beschikking op de website van de Commissie of de bekendmaking van de samenvatting van de Beschikking in het Publicatieblad van de EU zou niet de bedoelde daadwerkelijke bekendheid opleveren. Verder zou het aangevochten oordeel onbegrijpelijk althans onvoldoende zijn gemotiveerd, omdat het hof geen inzicht biedt in zijn gedachtegang waarom deze publicaties de daadwerkelijke bekendheid opleveren. Uit het oordeel volgt niet dat de benadeelden van de publicaties kennis hebben genomen en aldus bekend zijn geraakt met de (samenvatting van de) Beschikking.
3.18
Ook deze klachten stuiten af op het arrest Heureka/Google. In de punten 64-71 van dat arrest heeft het Hof, voortbouwend op het Volvo/RM-arrest (punten 58-72), geoordeeld dat de bekendmaking van de samenvatting van een inbreukbesluit in het Publicatieblad in beginsel samenvalt met het tijdstip waarop van een benadeelde kan worden verwacht dat hij op de hoogte is geraakt van de noodzakelijke informatie om een schadevergoedingsvordering in te stellen.37.Van dit uitgangspunt kan worden afgeweken (in de zin dat de verjaringstermijn al eerder is gaan lopen) indien door Kone wordt aangetoond dat de benadeelde eerder van alle noodzakelijke informatie kennis heeft kunnen nemen. Van genoemd uitgangspunt kan in beginsel alleen in door eiser aan te voeren uitzonderlijke omstandigheden worden afgeweken om te betogen dat de verjaringstermijn later is gaan lopen dan de datum van publicatie van (de samenvatting van) een dergelijk besluit. Het oordeel van het hof is juist, niet onbegrijpelijk en niet onvoldoende gemotiveerd.
3.19
Uit het voorgaande volgt ook dat het hof niet hoefde te onderzoeken wanneer (de achterban van) SECC feitelijk bekend is geraakt met de (mogelijke) schade en de dader en dat al helemaal niet per individuele claimhouder hoefde te doen. Zou dat wel moeten worden onderzocht, dan zou dat sterk uiteenlopende data kunnen opleveren, wat ertoe kan leiden dat het begin van de verjaringstermijn per benadeelde zou variëren. Zeker in een setting van gebundelde vorderingen kan dat leiden tot een onwerkbare situatie en arbitraire verschillen in behandeling van benadeelden. Ik verwijs verder naar hetgeen het hof met juistheid overweegt in rov. 6.30. Daaruit blijkt ook dat SECC de mogelijkheid heeft gehad om aan te tonen (tegenbewijs te leveren) waarom in dit geval daadwerkelijke bekendheid toch niet kon worden verondersteld. Dat bewijs heeft SECC niet geleverd.
3.20
Subonderdeel I.2.3 klaagt dat het oordeel in rov. 6.29 in ieder geval onjuist is omdat het hof veronderstelt dat van benadeelden kan worden verlangd dat zij uit eigen beweging in de gaten houden of de Commissie een beschikking heeft gepubliceerd. Het subonderdeel klaagt verder dat het hof geen inzicht heeft geboden in zijn gedachtegang waar het oordeelt dat van iedere benadeelde partij onderzoek naar het moment van publicatie van de (samenvatting van de) Beschikking mag worden verwacht.
3.21
Het betoog, dat deels een herhaling vormt van de voorafgaande klachten, treft geen doel. Dit is geen onjuiste veronderstelling van het hof. Dat er in dit kader een bepaalde zorgvuldigheidsplicht38.voor benadeelden bestaat, is door verschillende advocaten-generaal bij het Hof van Justitie overigens al tot uitdrukking gebracht.39.Het hof was bovendien niet gehouden tot een verdere motivering. Voor wat het waard is verwijs ik nog naar een beschikking (ordonnance) waarin het Hof van Justitie oordeelt dat om het moment te bepalen waarop een verjaringstermijn voor benadeelden gaat lopen, geen onderscheid moet worden gemaakt tussen consumenten en professionele partijen dat dit tegen het beginsel van rechtszekerheid in zou gaan.40.
3.22
De voortbouwklacht in subonderdeel I.2.4 faalt in het voetspoor van de bespreking van subonderdelen I.2.1 t/m I.2.3.
3.23
De volgende klachten richten zich op rov. 6.30 (geciteerd in 3.16).
3.24
Subonderdeel I.2.5 klaagt dat het aldaar gegeven oordeel onjuist is omdat het hof de stelplicht- en bewijslastverdeling in het kader van een beroep op verjaring zou hebben miskend. Het vereiste dat sprake moet zijn van een daadwerkelijke bekendheid van de benadeelde met zijn schade en de daarvoor aansprakelijke persoon brengt mee dat Kone voor iedere individuele claimhouder afzonderlijk moet stellen en bewijzen dat en wanneer zij met hun schade en met Kone als de daarvoor aansprakelijke persoon bekend zijn geraakt.
3.25
Naar mijn mening berust een dergelijke eis op een onjuiste rechtsopvatting. Degene die zich op de verjaringstermijn van vijf jaren beroept (hier: Kone), zal de feiten en omstandigheden moeten stellen en zo nodig bewijzen op grond waarvan mag worden aangenomen dat de schuldeiser daadwerkelijk bekend was of geacht kon worden te zijn met de schade en met de daarvoor aansprakelijke persoon.41.Volgens de Hoge Raad neemt deze hoofdregel niet weg dat:42.
“[…] de rechter, indien de benadeelde zulks betwist, die bekendheid zal kunnen afleiden uit bepaalde ten processe gebleken feiten en omstandigheden. De rechter zal in een zodanig geval tot de slotsom kunnen komen dat op grond van die feiten en omstandigheden voorshands, dat wil zeggen behoudens door de benadeelde te leveren tegenbewijs, moet worden aangenomen dat de benadeelde daadwerkelijk bekend was met de schade en de daarvoor aansprakelijke persoon.”
3.26
Het hof heeft uit de publicatie van (de samenvatting van) de Beschikking voorshands afgeleid dat alle claimhouders in de achterban van SECC in maart 2008 daadwerkelijk bekend waren met de schade en de daarvoor aansprakelijke persoon. Het hof heeft verder geoordeeld dat SECC niet is geslaagd in het leveren van tegenbewijs. Daarmee heeft het hof dus niet de stelplicht- en bewijslastverdeling miskend omdat de stelplicht en bewijslast op Kone is blijven rusten als de partij die zich op verjaring heeft beroepen. Het door het hof gehanteerde vermoeden leidt tot een afwijking van de hoofdregel van art. 150 Rv voor wat betreft de bewijsleveringslast en verlicht daarmee het bewijsrisico.43.
3.27
In subonderdeel I.2.6 wijst SECC erop dat het hof in rov. 6.30 overweegt dat SECC zou moeten aantonen dat een claimhouder ondanks de beschikbaarheid van de informatie niet bekend was met de schade en de daarvoor aansprakelijke persoon. Ook dit zou duiden op een miskenning van de stelplicht- en bewijslastverdeling. Bovendien zou het hof te hoge eisen stellen aan het tegenbewijs.
3.28
Deze klacht faalt. Uit de laatste zin van rov. 6.30 blijkt dat het hof met de term ‘aantoont’ niet iets anders bedoelt dan dat feiten en omstandigheden moeten worden aangevoerd waaruit kan worden afgeleid dat de betrokken claimhouders ondanks de publicatie van de Beschikking over onvoldoende informatie beschikten. Dit duidt niet op een miskenning van de stelplicht- en bewijslastverdeling en ook niet op een te hoge lat voor het leveren van tegenbewijs.
3.29
Het subonderdeel klaagt verder dat het hof heeft miskend dat het gegeven dat de Beschikking op de website van de Commissie is gezet en een samenvatting van de Beschikking in het Publicatieblad van de Europese Unie staat, niet tot het (bewijs)vermoeden kan leiden dat afnemers van liften/claimanten bekend zijn met de inhoud daarvan respectievelijk met hun schade en de daarvoor aansprakelijke persoon.
3.30
De klacht is tevergeefs voorgesteld. Zoals hiervóór uiteengezet heeft het Hof van Justitie in het Heureka/Google-arrest, daarbij voortbouwend op het Volvo/RM-arrest, geoordeeld dat de bekendmaking van de samenvatting van een inbreukbesluit in het Publicatieblad van de Europese Unie in beginsel samenvalt met het tijdstip waarop een benadeelde kan worden geacht op de hoogte te zijn van de noodzakelijke informatie om een vordering in te stellen.44.Op grond hiervan kan (en moet) de nationale rechter het (bewijs)vermoeden hanteren dat de gelaedeerde bekend is met de schade en met de aansprakelijke persoon.
3.31
Subonderdeel I.2.7-1.2.8 bevatten herhalingen en voorbouwklachten.
3.32
Subonderdeel I.2.9 richt zich op rov. 6.31. Deze overweging luidt als volgt:
“Ten overvloede wijst het hof erop dat SECC namens de eerste groep benadeelden heeft gedagvaard op 30 december 2010. Die groep benadeelden was toen dus wel bekend met de schade en de daarvoor aansprakelijke ondernemingen. Tegen die achtergrond kan van SECC worden verlangd dat zij aangeeft waarom andere benadeelden toen (nog) niet over deze kennis beschikten. Dat heeft SECC niet gedaan.”
3.33
Bij (het slagen van) klachten tegen deze overweging heeft SECC geen belang omdat het geen twijfel kan lijden dat de rov. 6.28 t/m 6.30 zelfstandig het oordeel van het hof kunnen dragen dat de verjaringstermijn in maart 2008 is aangevangen (zie rov. 6.32, eerste zin).
3.34
Subonderdeel I.2.10 bevat al weer een voortbouwklacht.
3.35
Subonderdelen I.3.1 t/m I.3.3 richten zich op rov. 6.32-6.33. Die luiden als volgt:
“6.32 Er kan dus van worden uitgegaan dat de verjaringstermijn in maart 2008 is aangevangen. Dat is voldoende voor de conclusie dat de vorderingen van de 14 claimhouders opgesomd in rechtsoverweging 4.14 van het eindvonnis zijn verjaard. De rechtbank heeft verjaring van deze vorderingen immers aangenomen op grond van het feit dat de vorderingen van deze claimhouders niet zowel bij brief van 17 februari 2012 als bij brief van 13 februari 2017 zijn gestuit.
6.33
Het hof verwerpt de stelling van SECC dat een stuitingshandeling van een entiteit die deel uitmaakt van een groep, ook de verjaring stuit ten aanzien van andere entiteiten van dezelfde groep. Een recht op schadevergoeding wegens een inbreuk op het mededingingsrecht van de Europese Unie moet worden uitgeoefend volgens nationaal recht. Naar Nederlands recht komt een recht op schadevergoeding toe aan een (rechts)persoon, niet aan een economische eenheid als een ‘onderneming’ in de zin van het mededingingsrecht. Die (rechts)persoon zal, als hij verjaring van de vordering tot schadevergoeding wil voorkomen, de verjaring moeten stuiten. Een andere (rechts)persoon kan dat namens hem doen. Maar een (rechts)persoon kan niet, zonder uitdrukkelijk te vermelden namens welke (rechts)personen hij nog meer optreedt, de verjaring van vorderingen behorende aan andere (rechts)personen stuiten op grond van het feit dat beide (rechts)personen tot dezelfde economische eenheid behoren. De redelijkheid en billijkheid leiden niet tot een ander oordeel. Het kan niet van een karteldeelnemer worden gevraagd dat hij na het verstrijken van de verjaringstermijn rekening blijft houden met schadevergoedingsvorderingen van alle rechtspersonen behorende tot eenzelfde economische eenheid vanwege een stuitingshandeling van één van hen. Vaak zal hij niet eens weten welke entiteiten deel uitmaken van een economische eenheid.”
3.36
In subonderdeel I.3.1 betoogt SECC dat een schadevergoedingsvordering wegens inbreuk op het mededingingsrecht toekomt aan een onderneming als economische eenheid in de zin van het mededingingsrecht. Het doeltreffendheidsbeginsel brengt volgens haar met zich dat een nationale regeling waarin wordt vastgelegd vanaf welke datum de verjaringstermijn gaat lopen en hoe lang en onder welke voorwaarden de schorsing of stuiting ervan plaatsvindt, afgestemd moet zijn op het specifieke karakter van het mededingingsrecht. In die context is een stuitingshandeling uitgebracht door een rechtspersoon die onderdeel vormt van een onderneming als economische eenheid, ook een rechtsgeldige stuitingshandeling namens alle rechtspersonen die onderdeel uitmaken van die onderneming. Het hof stelt te hoge eisen aan de stuitingshandeling door te eisen dat in de stuitingshandeling wordt vermeld namens welke rechtspersoon nog meer wordt gestuit.
3.37
De klachten slagen niet. Een recht op schadevergoeding is een verbintenis uit de wet. Het is een rechtsverhouding tussen twee partijen, de schuldenaar en de schuldeiser. Deze partijen zijn een natuurlijke persoon of een rechtspersoon, die vermogensrechten kunnen bezitten (vgl. art. 2:5 BW). De schuldeiser heeft een prestatie te vorderen van de schuldenaar. Met het materiële recht van de schuldeiser gaat de bevoegdheid gepaard dat recht geldend te maken (ius agendi).45.Dit ius agendi kan door verjaring vervallen. Er blijft dan een natuurlijke verbintenis over. Stuiting van deze bevrijdende verjaring vindt plaats wanneer de schuldeiser op een bepaalde wijze aanspraak maakt op zijn recht of de schuldenaar zijn schuld erkent.46.Een lopende verjaring wordt afgebroken door stuiting ervan waardoor een nieuwe termijn begint te lopen (anders dan bij schorsing van de verjaring, waar ‘de klok wordt stilgezet’ en de termijn weer gaat lopen als de schorsing eindigt).47.
3.38
Op grond van art. 3:317 lid 1 BW kan de verjaring van een rechtsvordering tot nakoming van een (schadevergoedings)verbintenis worden gestuit door een schriftelijke aanmaning of een schriftelijke mededeling waarin de schuldeiser zich ondubbelzinnig zijn recht op nakoming voorbehoudt. De schriftelijke mededeling moet een voldoende duidelijke waarschuwing aan de schuldenaar inhouden dat hij, ook na het verstrijken van de verjaringstermijn, ermee rekening moet houden dat hij de beschikking houdt over zijn gegevens en bewijsmateriaal, opdat hij zich tegen een dan mogelijkerwijs alsnog door de schuldeiser ingestelde vordering behoorlijk kan verweren.48.Vereist is dat de vordering zodanig is omschreven dat de schuldenaar daaruit kan begrijpen welk recht op nakoming wordt voorbehouden en waartegen hij zich eventueel heeft te verweren.49.
3.39
De vereisten die gelden voor stuiting door een schriftelijke mededeling zijn ook van toepassing op de stuiting van een vordering tot schadevergoeding voor een inbreuk op het kartelverbod. Dat verbod, het doeltreffendheidsbeginsel dan wel een combinatie van beide verplicht er niet toe een rechtsregel buiten toepassing te laten. Het is waar dat rechtssubject van het mededingingsrecht een ‘onderneming’ is, in de zin van een economische eenheid, en niet een juridische entiteit. In het Skanska-arrest oordeelde het Hof dat dit ruime begrip ‘onderneming’ ook van toepassing is op schadevergoedingsvorderingen in het kader van de privaatrechtelijke handhaving van het mededingingsrecht.50.Het Skanska-arrest, zoals nadien uitgewerkt in het Sumal-arrest51., gaat over de vraag tegen welke rechtspersoon een vordering tot vergoeding van kartelschade kan worden ingesteld. Deze rechtspraak gaat niet over de vraag die het middel aan de orde stelt, namelijk door welke vennootschap een vordering tot vergoeding van kartelschade kan worden ingesteld, en daaraan voorafgaand, namens wie de verjaring van een dergelijke rechtsvordering kan worden gestuit.52.
3.40 ‘
‘Eenieder’ moet vergoeding kunnen vorderen van de schade die hem is veroorzaakt door een inbreuk op het Europese mededingingsrecht, zo heeft het Hof van Justitie reeds in 2001 geoordeeld.53.Met ‘eenieder’ is niet bedoeld dat ‘een ieder’ voor een ander een vordering kan instellen. Bedoeld is dat geen enkele natuurlijke of rechtspersoon op voorhand mag worden uitgesloten van de mogelijkheid zijn door het Unierecht erkende recht op schadevergoeding voor zichzelf (of op grond van een overeenkomst namens een ander) uit te oefenen.
3.41
De vraag wie in een concreet geval de procesbevoegdheid heeft om bij de rechter een vordering in te stellen wordt bepaald op grond van het nationale recht. In Nederland is in beginsel eenieder bevoegd eisend of verwerend in rechte op te treden en aldus voor zijn rechten en belangen ten overstaan van de rechter op te komen.54.Dit geldt voor natuurlijke personen en voor rechtspersonen.55.Uit art. 112 lid 1 Grondwet volgt dat een beroep op de burgerlijke rechter steeds mogelijk is als de eiser vraagt om in een gepretendeerd burgerlijk recht te worden beschermd.56.Alleen natuurlijke personen en rechtspersonen kunnen het recht van schadevergoeding (een burgerlijk recht) bezitten. Een ‘onderneming’ in de zin van een economische eenheid heeft als zodanig geen rechtspersoonlijkheid. De verjaring van een vordering tot schadevergoeding van een rechtspersoon wordt alleen gestuit als een stuitingshandeling door of kenbaar namens die rechtspersoon is verricht.
3.42
Staat deze systematiek op gespannen voet staat met het doeltreffendheidbeginsel? Ik meen van niet. Bedacht zij ook dat het Nederlandse recht op het punt van verjaring en de mogelijkheid tot stuiting daarvan zonder meer schuldeiservriendelijk is te noemen. De verjaring van een rechtsvordering tot schadevergoeding kan worden gestuit. Dat kan bovendien bij simpele en vormvrije brief; een exploot is niet nodig en er geldt niet de eis dat de gepretendeerde rechtsvordering binnen een bepaalde termijn moet worden ingesteld. In vergelijking met andere rechtsstelsels is het stuiten van een verjaringstermijn naar Nederlands recht een fluitje van een cent.57.Daar komt bij dat de verjaring meerdere malen na elkaar kan worden gestuit, waarbij de vijfjaarstermijn steeds opnieuw vanaf het begin ingaat. In een stuitingsbrief kan gemakkelijk worden vermeld dat mede wordt gestuit namens de holdingvennootschap en eventueel andere gelieerde (concern)vennootschappen. Dat SECC in haar in rov. 6.32 genoemde stuitingsbrieven kennelijk niet ook gelieerde vennootschappen van Kone heeft genoemd, komt voor haar risico.
3.43
Subonderdeel I.3.2 betoogt dat de vraag namens wie een stuitingshandeling is verricht, niet alleen afhangt van de formulering van de stuitingsmededeling, maar ook van de context waarin de mededeling wordt gedaan en van alle overige omstandigheden van het geval. Relevant is onder meer of de rechtspersoon deel uitmaakt van een concern. Mede in dat licht zou het hof te hoge eisen aan de stuitingshandeling hebben gesteld. Ook aan deze rechtsklacht koppelt SECC een motiveringsklacht: niet inzichtelijk is gemaakt waarom in dit geval vermeld moest worden namens welke rechtspersoon de schuldeiser nog meer optreedt c.q. de stuitingshandeling verricht.
3.44
Ik herhaal dat het hof in rov. 6.32 en 6.33 is uitgegaan van een juiste rechtsopvatting. Op juiste en niet onbegrijpelijke wijze komt het hof tot het oordeel dat van een schuldenaar – in dit geval Kone – niet kan worden verwacht dat hij begrijpt dat stuiting van de verjaring door een rechtspersoon die deel uitmaakt van een concern, automatisch zou gelden voor de overige rechtspersonen die behoren tot dat concern. Volgens het hof is daarvoor nodig dat die overige rechtspersonen worden aangeduid. Dit oordeel houdt al rekening met concernverhoudingen omdat daar impliciet uit volgt dat binnen een concernverhouding geen verdere eisen aan de vertegenwoordiging van de andere rechtspersonen hoeven te worden gesteld. Uit het middel blijk niet waarom deze zaak wegens bijzondere kenmerken daarvan tot een andere beoordeling zou nopen.
3.45
Volgens subonderdeel I.3.3 heeft het hof miskend dat een stuitingshandeling op grond van ‘vaste rechtspraak’58.kan worden toegerekend aan de gerechtigde en dat daarvoor niet vereist is dat een (rechtspersoon) moet vermelden namens wie nog meer wordt gestuit. Toerekening dient plaats te vinden als de stuitingshandeling is verricht binnen een concern, aldus SECC.
3.46
Ook hier faalt zowel de rechtsklacht als de daaraan gekoppelde motiveringsklacht. Het hof ontkent niet dat een stuitingshandeling zou kunnen worden toegerekend aan een andere vennootschap dan de vennootschap die de stuitingshandeling verricht. Het hof oordeelt dat in dit geval onvoldoende aanknopingspunten bestaan om te kunnen aannemen dat namens andere concernvennootschappen van een claimhouder is gestuit, ook niet op basis van toerekening. Bovendien bestaat er geen rechtsregel die bij stuiting door één concernvennootschap voorschrijft dat die stuiting moet worden toegerekend (“dient plaats te vinden”) aan andere concernvennootschappen. Anders dan het onderdeel aanvoert, heeft het hof in rov. 6.33 wel degelijk gerespondeerd op de bedoelde stelling over stuiting en toerekening. Dit betoog is (impliciet) verworpen in de eerste zin van rov. 6.33. Daar verwerpt het hof de stelling van SECC dat een stuitingshandeling van een entiteit die deel uitmaakt van een groep, ook de verjaring stuit ten aanzien van andere entiteiten van dezelfde groep.
3.47
Subonderdeel I.3.4 bevat een voortbouwklacht.
Onderdeel II: het mededingingsrechtelijke begrip ‘onderneming’
3.48
In dit onderdeel ontwikkelt het middel een betoog dat in het verlengde ligt van het voorafgaande betoog: ook hier wordt het mededingingsrechtelijke ondernemingsbegrip als haakje gebruikt om de kring van rechtspersonen uit te breiden die een vordering tot schadevergoeding wegens inbreuk op het Europese mededingingsrecht kunnen instellen.
3.49
SECC richt klachten tegen rov. 6.33 (reeds geciteerd in 3.35) en rov. 6.53. Deze laatste overweging luidt:
“6.53 SECC kan evenmin worden gevolgd in haar stelling dat een recht op vergoeding van kartelschade toekomt aan ‘ondernemingen’ in de zin van het mededingingsrecht, en dat iedere entiteit behorende tot een onderneming dat recht voor de gehele onderneming geldend kan maken. Zoals het hof hiervoor heeft overwogen in verband met de verjaring van vorderingen van claimhouders, moet een recht op schadevergoeding wegens een inbreuk op het mededingingsrecht van de Europese Unie worden uitgeoefend volgens nationaal recht. Naar Nederlands recht komt een recht op schadevergoeding toe aan een (rechts)persoon, niet aan een economische eenheid als een ‘onderneming’ in de zin van het mededingingsrecht. Die (rechts)persoon zal, als hij de schadevergoeding in een schadestaatprocedure wil laten opmaken, eerst in de hoofdprocedure aannemelijk moeten maken dat hij mogelijk schade heeft geleden. Hij kan zijn vordering overdragen aan een andere (rechts)persoon. In dat geval zal de verkrijger van de vordering de mogelijkheid van schade aannemelijk moeten maken. Een (rechts)persoon kan echter niet zonder meer een vordering behorende aan een andere (rechts)persoon geldend maken op grond van het feit dat beide (rechts)personen tot dezelfde economische eenheid behoren. De rechtspraak van het Hof van Justitie van de EU of de Kartelschaderichtlijn leiden niet tot een ander oordeel. Uit het Skanska-arrest volgt dat in de context van vorderingen tot vergoeding van schade voor schending van de mededingingsregels van de Europese Unie uitgegaan moet worden van het begrip ‘onderneming’ in de zin van artikel 101 VWEU. In het Skanska-arrest gaat het echter om de aansprakelijkheid van de onderneming die inbreuk heeft gemaakt op het mededingingsrecht, niet om het recht op schadevergoeding van benadeelden. Overigens kunnen schadevergoedingsvorderingen ook niet tégen een onderneming in de zin van het mededingingsrecht worden gericht. Ook in die verhouding zal het recht op schadevergoeding moeten worden uitgeoefend jegens een (rechts)persoon die voor de gedragingen van de onderneming verantwoordelijk kan worden gehouden.”
3.50
Subonderdeel II.1.1 klaagt dat het hof miskent dat schadevergoeding wegens inbreuk op het mededingingsrecht toekomt aan een onderneming als economische eenheid.
3.51
Ik ben dat niet met SECC eens. Het begrip ‘onderneming’ is relevant voor de vraag welke entiteiten kunnen worden aangesproken voor schadevergoeding, maar niet voor de omgekeerde vraag welke entiteiten schadevergoeding kunnen vorderen. Het standpunt dat het begrip onderneming ook in omgekeerde richting kan worden toegepast, werd (in een iets andere context) verworpen in het arrest MOL/Mercedes-Benz.59.Het Hof van Justitie overweegt daar het volgende:
“35 In casu betoogt MOL dat, aangezien een inbreuk op het mededingingsrecht leidt tot hoofdelijke aansprakelijkheid van de gehele economische eenheid, een omgekeerde toepassing van hetzelfde beginsel moet gelden in geval van een vordering tot vergoeding van schade als gevolg van een inbreuk op het mededingingsrecht die een lid van de economische eenheid treft.
36 Volgens MOL kan de betekenis van het begrip ‘economische eenheid’ niet verschillend zijn naargelang de betrokken onderneming als verzoeker dan wel als verweerder optreedt. […]
37 Zoals de advocaat-generaal in […] zijn conclusie aangeeft, moet worden opgemerkt dat de argumentatie van MOL ten eerste geen steun vindt in de rechtspraak van het Hof […].”
3.52
In de conclusie van A-G Emiliou in die zaak staat onder meer (citaat zonder voetnoten):
“67. Ik ben van mening dat het Hof meer in het algemeen (en los van de bevoegdheidsvraag) het idee van een „omgekeerde toepassing” van het begrip „economische eenheid” terzijde heeft geschoven door te oordelen dat dit begrip niet van toepassing is in de (uiteraard andere) context van een schadevordering waarbij de niet-contractuele aansprakelijkheid van de Europese Unie krachtens artikel 340, lid 2, VWEU wordt ingeroepen. Ter verduidelijking, in het arrest Europese Unie/Guardian Europe heeft het Gerecht in wezen uitgesloten dat een moedermaatschappij een vordering instelt wegens winstderving die is geleden doordat zij een door de Commissie opgelegde boete moest betalen, die vervolgens gedeeltelijk nietig werd verklaard, terwijl de last van de geldboete in werkelijkheid werd gedragen door haar dochterondernemingen. In hogere voorziening heeft het Hof zich aangesloten bij het oordeel van het Gerecht dat deze „omgekeerde” uitlegging van het begrip „economische eenheid” diende te worden verworpen en heeft het uiteengezet dat op een beroep wegens niet-contractuele aansprakelijkheid van de Europese Unie „de algemene procedureregels van toepassing zijn, die […] losstaan van de logica achter de aansprakelijkheid in het mededingingsrecht”.
3.53
Daar heb ik niets aan toe te voegen.
Onderdeel III: drempel voor verwijzing naar schadestaatprocedure
3.54
In dit onderdeel richt SECC haar pijlen primair op rov. 6.49-6.51 en 6.60 van het bestreden arrest. Deze overwegingen luiden als volgt (citaat zonder voetnoot):
“6.49 Voor verwijzing naar de schadestaatprocedure gelden volgens vaste rechtspraak drie vereisten:
i) de grondslag voor de aansprakelijkheid moet vaststaan; in de hoofdprocedure moet worden vastgesteld dat en waarom (op grond waarvan) een partij aansprakelijk is;
ii) de mogelijkheid van schade moet aannemelijk zijn;
iii) de rechter moet niet reeds in de hoofdprocedure de schade kunnen begroten.
6.50
Met de rechtbank is het hof van oordeel dat de grondslag voor de aansprakelijkheid van Kone is gelegen in de onrechtmatige deelname aan het kartel. Met betrekking tot de reikwijdte van het kartel heeft het hof reeds vastgesteld dat de effecten van de “single and continuous infringement” omschreven in de Beschikking niet beperkt bleven tot opdrachten ten aanzien waarvan het verdelingsmechanisme concreet werd toegepast, maar dat de verdeling van opdrachten onderdeel was van een “overall scheme to share and regulate the market” (randnummer 561 van de Beschikking). Anders dan door Kone wordt gesteld, is het dus niet nodig om voor iedere afzonderlijke transactie tussen een claimhouder en een karteldeelnemer na te gaan of onrechtmatig is gehandeld. Ook als een opdracht niet werd aanbesteed, maar één-op-één aan een karteldeelnemer werd gegund, viel zij binnen de reikwijdte van het kartel en is de mogelijkheid van schade aannemelijk. De deelname aan het kartel kan dus tot schade hebben geleid zonder dat hoeft te worden vastgesteld dat het gaat om een transactie waarbij het verdelingsmechanisme daadwerkelijk is toegepast.
6.51
Als tweede vereiste geldt dat aannemelijk moet zijn dat een claimhouder mogelijk schade heeft geleden als gevolg van het kartel. Het hof sluit zich aan bij het oordeel van de rechtbank dat aan dit vereiste is voldaan als een claimhouder tijdens de inbreukperiode ten minste één overeenkomst heeft gesloten met betrekking tot de installatie of afname van minimaal één product of dienst van een van de karteldeelnemers. Dat kan een overeenkomst zijn met een karteldeelnemer of een overeenkomst met een derde, waarbij een claimhouder indirect een product of dienst van een karteldeelnemer heeft afgenomen. In dat geval is de mogelijkheid dat die claimhouder schade heeft geleden als gevolg van het kartel immers aannemelijk, wat voldoende is voor de vestiging van aansprakelijkheid. In de schadestaatprocedure kan dan de omvang van de schade worden vastgesteld, waarbij ook andere schadeposten in aanmerking kunnen worden genomen. Het standpunt van SECC dat als in de hoofdprocedure de mogelijkheid van schade niet aannemelijk kan worden gemaakt, alsnog de gelegenheid zou moeten worden geboden om in de schadestaatprocedure schadeposten op te voeren, vindt geen steun in het recht. De stelling van SECC dat zij in de hoofdprocedure met alle mogelijke middelen aannemelijk kan maken dat (mogelijk) schade is geleden, is wel juist. De rechtbank heeft dat ook niet uitgesloten. Maar daarvoor is niet genoeg dat een claimhouder tijdens de inbreukperiode een liftinstallatie in eigendom of in gebruik had. Die liftinstallatie kan immers buiten de inbreukperiode zijn gekocht, afkomstig zijn van een ander dan een karteldeelnemer of door een ander dan een karteldeelnemer zijn onderhouden of gemoderniseerd. Het feit dat liftinstallaties regelmatig “in storing gaan” en het feit dat onderdelen regelmatig moeten worden vervangen, maken dat niet anders. Andere ‘algemene feiten’ waaruit kan worden opgemaakt dat mogelijk schade is geleden heeft SECC niet aangevoerd.
[…]
6.60
Het hof concludeert met de rechtbank dat als drempel voor verwijzing naar de schadestaatprocedure kan worden gehanteerd of een claimhouder tijdens de inbreukperiode ten minste één overeenkomst heeft gesloten met betrekking tot de installatie of afname van minimaal één product of dienst van een van de karteldeelnemers. De daartegen gerichte grieven van Kone en SECC falen. Zoals hierna wordt overwogen (zie onder 6.123) is de relevante inbreukperiode voor Kone de periode van 1 juni 1999 tot 5 maart 2004.”
3.55
Subonderdeel III.1.1 klaagt dat het hof uitgaat van een te hoge drempel voor verwijzing naar de schadestaatprocedure. Alleen in het geval dat van tevoren vaststaat dat de schadestaatprocedure niet tot toewijzing van enig schadebedrag kan leiden, bestaat aanleiding om de vordering in de hoofdzaak af te wijzen.60.Dit betoog kan relevant zijn voor de ruime meerderheid van claimhouders op de lijst (zie 2.11) voor wie kennelijk geen afdoende bewijs was geleverd dat zij in de kartelperiode ooit enige transactie hadden afgesloten die door het kartel werd geraakt (zie voetnoot 23).
3.56
De klacht faalt. Voor verwijzing naar de schadestaatprocedure is nodig dat de mogelijkheid van schade aannemelijk is geworden. Dit is al een lage drempel.61.In essentie is vereist dat eiser een onderbouwing moet geven waaruit naar ervaringsregels volgt dat niet onwaarschijnlijk is dat schade is geleden. Ik zie niet dat het hof dit zou hebben miskend. Het heeft in rov. 6.30 en 6.31 de juiste maatstaf aangelegd.
3.57
In subonderdeel III.1.2 betoogt SECC in de eerste plaats dat het hof in rov. 6.51 en 6.60 zou hebben miskend dat voor verwijzing naar de schadestaatprocedure vereist is dat de mogelijkheid van schade aannemelijk moet zijn. Het is volgens SECC in dit kader genoeg om feiten te stellen waaruit in het algemeen het geleden zijn van schade kan worden afgeleid. De rechter kan bovendien algemene ervaringsregels in acht nemen zonder daarbij beperkt te zijn tot feiten en omstandigheden die door ieder van de partijen zijn aangevoerd.
3.58
De klacht slaagt niet. Het kan inderdaad voldoende zijn om feiten te stellen waaruit in het algemeen kan worden afgeleid dat schade is geleden. Als deze stelling echter voldoende wordt betwist door de gedaagde, zal de eiser die stelling nader moeten onderbouwen.62.Kone heeft uitgebreid verweer gevoerd63.tegen de grief van SECC over de volgens haar te hoge drempel die de rechtbank heeft gehanteerd.64.Dat het hof in die situatie meer verlangt van SECC dan een algemene stelling over eigendom of gebruik van een lift, is juist. Het feit dat de rechter de mogelijkheid heeft algemene ervaringsregels toe te passen, doet daar niet aan af. Ook in de schadestaatprocedure gelden de commune regels inzake de stelplicht.65.
3.59
SECC betoogt in de tweede plaats dat het hof zich ten onrechte heeft beperkt tot een beoordeling van de stellingen van SECC over de vraag of per claimhouder ten minste één overeenkomst is gesloten met betrekking tot de installatie of afname van minimaal één product of dienst van één van de karteldeelnemers. In plaats daarvan had het hof moeten onderzoeken of de mogelijkheid van schade aannemelijk is geworden op grond van algemenere, ten processe gebleken feiten en omstandigheden.
3.60
De klacht faalt omdat dit een schijntegenstelling betreft. Dat het hof zich beperkt tot de door SECC bedoelde beoordeling als ondergrens voor verwijzing naar de schadestaatprocedure (zie rov. 6.51), betekent immers nog niet dat het hof bij het uitvoeren van die beoordeling en het toepassen van die ondergrens heeft verzuimd de ten processe gebleken (‘algemenere’) feiten en omstandigheden in zijn oordeel de betrekken (conform art. 149 lid 1, eerste zin, Rv). Welke feiten en omstandigheden dat hier zijn, maakt SECC overigens niet duidelijk.
3.61
Subonderdeel III.1.3 klaagt dat het oordeel in rov. 6.51 onvoldoende (begrijpelijk) is gemotiveerd, omdat de omstandigheden die het hof (aan het einde van de overweging) noemt wél zouden leiden tot de conclusie dat de mogelijkheid van schade aannemelijk is. Dit geldt temeer omdat de omstandigheden slechts eventualiteiten zijn die zouden kunnen maken dat de claimhouders geen schade hebben geleden. Die eventualiteiten sluiten evenzeer de mogelijkheid in dat wél schade is geleden.
3.62
De klacht treft geen doel. De achtergrond van het hofoordeel is dat door SECC feiten moeten worden gesteld die zich hebben voorgedaan als gevolg van het onrechtmatig handelen van de liftfabrikanten.66.Als causaal verband ontbreekt, heeft de onrechtmatige gedraging geen nadeel tot gevolg en is geen schade geleden.67.De omstandigheden die het hof in rov. 6.51 opsomt, brengen mee dat het causaal verband tussen het onrechtmatig handelen en de gestelde schade niet aannemelijk is gemaakt. Mede in het licht van de betwisting van Kone op dit punt van de causaliteit68., heeft het hof op begrijpelijke wijze kunnen oordelen dat de mogelijkheid van de gestelde schade (de meerprijs) niet aannemelijk is gemaakt met de enkele stelling dat liften in eigendom of gebruik waren bij de claimhouders.
3.63
SECC betoogt in subonderdeel III.1.4 dat het oordeel van het hof in rov. 6.51 en rov. 6.60-6.108 onjuist en/of onbegrijpelijk is, want innerlijk tegenstrijdig, voor zover het hof enerzijds in rov. 6.51 overweegt dat moet zijn gebleken dat een claimhouder tijdens de inbreukperiode ten minste één overeenkomst heeft gesloten met betrekking tot de installatie of afname van minimaal één product of dienst van een van de karteldeelnemers, maar anderzijds ook overweegt dat de stelling van SECC dat zij in de hoofdprocedure met alle mogelijke middelen aannemelijk kan maken dat (mogelijk) schade is geleden, juist is en dat de rechtbank dat ook niet heeft uitgesloten, om in de daaropvolgende overwegingen met betrekking tot de stellingen van SECC over de individuele claimhouders aan eerstgenoemd criterium te toetsen. Bovendien is daardoor onzeker aan de hand van welke maatstaf het hof de vorderingen van de individuele claimhouders heeft beoordeeld. Het hof had steeds op basis van de beschikbare feiten moeten onderzoeken of in het algemeen het geleden zijn van schade voor de individuele claimhouders mogelijk is, aldus het middel.
3.64
De klachten treffen geen doel. Het hof heeft de juiste maatstaf voor verwijzing naar de schadestaatprocedure gehanteerd en die terecht zo ingevuld dat moet zijn gebleken dat een claimhouder tijdens de inbreukperiode ten minste één overeenkomst heeft gesloten met betrekking tot de installatie of afname van minimaal één product of dienst van ten minste één van de karteldeelnemers. SECC heeft de gelegenheid gehad aan een dergelijke invulling met alle mogelijke middelen voldoen.
3.65
Subonderdeel III.1.5 betoogt dat bij schadevergoedingsvorderingen voor inbreuk op het Unierechtelijke kartelverbod op grond van het doeltreffendheidsbeginsel een bewijsvermoeden geldt dat schade is geleden door de benadeelde. Dit vermoeden is ingegeven door de structurele informatie-asymmetrie tussen kartellisten en benadeelden.
3.66
In dit geval is de Kartelschaderichtlijn temporeel niet van toepassing (vgl. rov. 6.14 van het bestreden arrest). Het in art. 17 lid 2 van die richtlijn opgenomen bewijsvermoeden69.geldt dan niet, omdat dit vermoeden een materiële bepaling.70.Dit zou anders kunnen zijn als het kartel nog niet zou zijn beëindigd op 27 december 2016, de implementatiedatum. In dit geval eindigde het kartel volgens de Beschikking op 5 maart 2004.
3.67
Informatie-asymmetrie ten nadele van gelaedeerden kan een relevant gezichtspunt zijn bij toetsing van een nationale rechtsregel aan het doeltreffendheidsbeginsel.71.Mijns inziens moet het dan wel gaan om informatie die voor de benadeelde afnemers moeilijker is te achterhalen dan voor de aangesproken karteldeelnemer. Een aan een kartel toe te rekenen prijsverhoging kan daarvan een voorbeeld zijn. Een informatie-asymmetrie zie ik daarentegen niet snel ontstaan ten aanzien van de zuiver feitelijke vraag of een benadeelde in de relevante periode producten heeft afgenomen van een karteldeelnemer. Dergelijke informatie ligt in beginsel in het domein van de benadeelden. SECC is naar het oordeel van de rechtbank en het hof desondanks niet in staat gebleken die informatie te produceren voor een groot aantal claimhouders. Dit kan in mijn ogen slechts bevestigen waarom het noodzakelijk is dat per ‘claimhouder’ moet worden onderbouwd dat schade kan zijn geleden. Er is geen plaats voor claims van partijen die in de relevante periode niet aantoonbaar producten hebben afgenomen die binnen de reikwijdte van het liftenkartel vielen.
3.68
SECC houdt vast aan het doeltreffendheidsbeginsel, waar zij betoogt dat bij de beoordeling of de mogelijkheid van schade aannemelijk is gemaakt, de rechter rekening moet houden met het feit dat een kartel gedurende een lange tijdsperiode heimelijk pleegt te worden uitgevoerd. Gelet op het tijdsverloop in deze zaak en het heimelijk karakter van het liftenkartel zou niet kunnen worden gevergd van een claimhouder dat deze zijn administratie met betrekking tot een installatie eenvoudig toegankelijk heeft bewaard.
3.69
Deze klacht, die is toegespitst op de onderhavige zaak, loopt stuk. Het is waar dat het voor de gemiddelde afnemer normaal gesproken niet mogelijk is het bestaan van een kartel te ontdekken. Dat is een taak voor de Commissie of de ACM. Dat ook het liftenkartel zich destijds in het geheim heeft afgespeeld, is voor de vraag hoeveel schade een afnemer kan hebben geleden echter zonder belang. Nadat de openbare versie van de Beschikking op 4 maart 2008 op de website van de Commissie was geplaatst en kort daarna de samenvatting van de Beschikking in het Publicatieblad (en dus in alle talen), was alle beschikbare informatie over het liftenkartel in de openbaarheid.
3.70
Wat het bewaren van facturen en andere bescheiden betreft wijs ik erop dat voor Nederlandse vennootschappen op grond van art. 2:10 lid 1 en 3 BW de verplichting geldt de administratie zeven jaar te bewaren.72.Ook alle door de administratieplichtige uitgestuurde en aangevraagde offertes alsmede getekende contracten behoren tot die administratie.73.De periode om administratie te bewaren voor vennootschappen lijkt naar vreemd recht niet heel anders te zijn.74.Het niet beschikken over de bewijsstukken die nodig zijn om aan te tonen dat schade is geleden ligt – nog los van deze administratieplicht – in de risicosfeer van de benadeelden en in dit geval van SECC als procespartij.75.Het doeltreffendheidbeginsel is niet een toverwoord om onder de verplichting tot bewijslevering uit te komen.
3.71
Subonderdelen III.1.6 en III.1.7 bevatten voortbouwklachten die falen in het voetspoor van de overige klachten van dit onderdeel.
Onderdeel IV: reikwijdte aansprakelijkheid Kone
3.72
Dit onderdeel ziet op de aansprakelijkheid van Kone in de periode dat Kone in Nederland nog niet aan het liftenkartel deelnam (zie 2.7). Het keert zich tegen rov. 6.50, 6.120 en 6.122:
“6.50 Met de rechtbank is het hof van oordeel dat de grondslag voor de aansprakelijkheid van Kone is gelegen in de onrechtmatige deelname aan het kartel. Met betrekking tot de reikwijdte van het kartel heeft het hof reeds vastgesteld dat de effecten van de “single and continuous infringement” omschreven in de Beschikking niet beperkt bleven tot opdrachten ten aanzien waarvan het verdelingsmechanisme concreet werd toegepast, maar dat de verdeling van opdrachten onderdeel was van een “overall scheme to share and regulate the market” (randnummer 561 van de Beschikking). Anders dan door Kone wordt gesteld, is het dus niet nodig om voor iedere afzonderlijke transactie tussen een claimhouder en een karteldeelnemer na te gaan of onrechtmatig is gehandeld. Ook als een opdracht niet werd aanbesteed, maar één-op-één aan een karteldeelnemer werd gegund, viel zij binnen de reikwijdte van het kartel en is de mogelijkheid van schade aannemelijk. De deelname aan het kartel kan dus tot schade hebben geleid zonder dat hoeft te worden vastgesteld dat het gaat om een transactie waarbij het verdelingsmechanisme daadwerkelijk is toegepast.
[…]
6.120 Op grond van artikel 6:166 BW zijn de deelnemers aan een groep hoofdelijk aansprakelijk voor schade veroorzaakt door onrechtmatige gedragingen van andere deelnemers, indien de kans op het aldus toebrengen van schade de deelnemers had behoren te weerhouden van hun gedragingen in groepsverband en deze gedragingen aan hen kunnen worden toegerekend. De bestrijding door Kone van aansprakelijkheid op grond van deze bepaling berust op het onjuiste uitgangspunt dat de grondslag van de aansprakelijkheid van de liftfabrikanten is gelegen in de concrete verdeling van opdrachten. Hiervoor heeft het hof al vastgesteld dat de grondslag voor de aansprakelijkheid is gelegen in de deelname aan het kartel (zie 6.50 van dit arrest). Deelname aan het kartel kon schade toebrengen aan de gebruikers, waaronder de claimhouders. Het kartel was er immers op gericht om de mededinging tussen de karteldeelnemers te beperken, waardoor de prijzen voor de gebruikers konden worden verhoogd. De karteldeelnemers wisten dat het kartel een prijsopdrijvend effect kon hebben, en hebben de kans aanvaard dat de gebruikers daardoor schade zouden lijden. Aangezien zij bewust aan het kartel hebben deelgenomen, kunnen de gedragingen van de andere karteldeelnemers ook aan hen worden toegerekend. Daarmee is voldaan aan de vereisten van artikel 6:166 BW en zijn de liftfabrikanten hoofdelijk aansprakelijk voor elkaars gedragingen in kartelverband.
[…]
6.122 Kone heeft er terecht op gewezen dat zij niet de gehele inbreukperiode in Nederland aan het kartel heeft deelgenomen. Volgens de Beschikking heeft het kartel geduurd van 15 april 1998 tot 5 maart 2004, terwijl Kone van 1 juni 1999 tot 5 maart 2004 aan het kartel heeft deelgenomen. Kone kan niet hoofdelijk aansprakelijk worden gehouden voor de schadelijke gevolgen van gedragingen van de andere liftfabrikanten in kartelverband in de periode vóór haar deelname. Het hof volgt SECC niet in haar andersluidende stelling. De grondslag van de (hoofdelijke) aansprakelijkheid van Kone is haar deelname aan het kartel. Een grondslag voor die aansprakelijkheid ontbreekt in de tijd waarin Kone niet aan het kartel heeft deelgenomen. Anders dan SECC stelt, kan die aansprakelijkheid ook niet worden afgeleid uit artikel 11 lid 1 van de Kartelschaderichtlijn. Afgezien van het feit dat het kartel niet valt binnen de temporele werkingssfeer van de Kartelschaderichtlijn, voorziet artikel 11 lid 1 van deze richtlijn in hoofdelijke aansprakelijkheid voor ondernemingen die door “gemeenschappelijk optreden” inbreuk op het mededingingsrecht hebben gemaakt. In de periode waarin Kone niet aan het kartel heeft deelgenomen, was er geen “gemeenschappelijk optreden” van Kone met de andere karteldeelnemers waarvoor Kone hoofdelijk aansprakelijk kan worden gehouden. Het arrest van de Hoge Raad in Parkeergarage Zandvoort leidt niet tot een ander oordeel. In die zaak bestond onzekerheid over het aanvangstijdstip van de verjaring. Met het oog op de rechtszekerheid heeft de Hoge Raad in dat geval aangenomen dat de verjaringstermijn is gaan lopen op het tijdstip waarop de schadeveroorzakende gebeurtenis is opgehouden te bestaan. Het hof kan niet inzien wat de relevantie van dat oordeel is voor de onderhavige zaak.”
3.73
Subonderdeel IV.1.1 (in de procesinleiding per abuis aangeduid als IV.3.1)76.betoogt dat het hof heeft miskend dat een partij ook aansprakelijk kan zijn voor de schadelijke gevolgen die dateren van vóór de deelname van die partij.
3.74
De klacht slaagt niet. Om vast te stellen dat art. 101 lid 1 VWEU door een onderneming is overtreden, moet worden aangetoond dat die onderneming (in dit geval: Kone) met een of meer andere ondernemingen heeft deelgenomen aan door dit artikel verboden gedragingen. De duur van de deelname is een objectief element en heeft onder meer invloed op de hoogte van de boete die een deelnemer krijgt opgelegd.77.De Commissie stelt dan ook gewoonlijk per deelnemer vast hoelang de deelname heeft geduurd.78.Ook bij een single and continuous infringement moet in temporeel opzicht worden gedifferentieerd tussen de verschillende karteldeelnemers. Zo lang aan een kartel wordt deelgenomen is sprake van een overtreding van het kartelverbod en, vertaald naar het nationale aansprakelijkheidsrecht, van onrechtmatig handelen, maar vóór die tijd is dat niet zo.79.Zonder nadere stellingen van SECC over de duur van de deelname van Kone is de aansprakelijkheid van Kone beperkt tot de periode waarover zij is beboet door de Commissie.80.
3.75
Ook art. 6:166 BW biedt geen soelaas aan SECC. Noodzakelijk is dat de benadeelde stelt en zo nodig bewijst dat de aangesprokene heeft deelgenomen aan een groep.81.De deelnemer is slechts aansprakelijk voor schade die gedurende de tijd van zijn deelneming aan het betreffende groepsoptreden is toegebracht; in beginsel dus niet voor schade die ontstond vóór het moment waarop hij ging deelnemen.82.
3.76
Subonderdeel IV.2.2 klaagt dat het hof heeft miskend dat in geval van een enkele en voortdurende inbreuk alle deelnemers daaraan hoofdelijk aansprakelijk zijn voor alle schade die het gevolg is van die inbreuk ongeacht wanneer een deelnemer betrokken is geraakt.
3.77
De klacht gaat uit van een onjuiste rechtsopvatting. Bij deelname aan een enkele en voortdurende inbreuk kan een onderneming aansprakelijk zijn voor de gehele duur van haar deelneming aan die inbreuk voor de gedragingen van andere ondernemingen in het kader van diezelfde inbreuk.83.Schade die is ontstaan in de periode vóórdat een onderneming bij de inbreukmakende gedragingen betrokken raakte, kan aan die onderneming niet worden toegerekend en kan daarom op die onderneming niet worden verhaald.
3.78
De klacht in subonderdeel IV.1.3 houdt in dat het hof heeft miskend dat een enkele voortdurende inbreuk geldt als één enkele en onrechtmatige daad van alle deelnemers, zodat die deelnemers (hoofdelijk) aansprakelijk zijn voor alle schade als gevolg van die onrechtmatige daad. Het is dan niet relevant op welk moment (vóór of ná deelname) die schade is ontstaan of veroorzaakt.
3.79
Ik zie dat anders. De door de Commissie vastgestelde enkele voortdurende inbreuk op het mededingingsrecht kwalificeert weliswaar als één onrechtmatige handeling van Kone, maar daarmee staat nog niet de aansprakelijkheid vast voor alle daardoor veroorzaakte schade tijdens de gehele duur van die inbreuk, met inbegrip van de periode waarin Kone nog niet aan het kartel deelnam en dus nog geen inbreuk pleegde.
3.80
Subonderdeel IV.1.4 bouwt hierop voort en faalt op de gronden als hiervóór bij de bespreking van subonderdeel IV.1.1 uiteengezet.
3.81
Subonderdeel IV.1.5 bevat motiveringsklachten die falen. Zoals gezegd betekent het concept van een enkele en voortdurende inbreuk niet dat niet hoeft te worden gekeken naar de periode van deelname door een individuele onderneming. Het bestreden arrest bevat op dit punt geen tegenstrijdigheid (zie de terugwijzing in rov. 6.120 naar rov. 6.50).
Slotsom
3.82
Nu geen van de aangevoerde klachten doel treft, dient het beroep van SECC te worden verworpen. Er bestaat geen aanleiding om prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie, nu de in het middel opgeworpen Unierechtelijke rechtsvragen in de rechtspraak voldoende zijn opgehelderd (acte éclairé).
4. Conclusie
De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 06‑06‑2025
Gebaseerd op par. 3 van het bestreden arrest: Hof Den Haag 23 januari 2024, ECLI:GHDHA:2024:132.
Indirecte afnemers zijn partijen die liftinstallaties afnemen via bijvoorbeeld een aannemer of projectontwikkelaar.
Beschikking van de Commissie van 21 februari 2007, C (2007) 512 final. Deze beschikking is in de Engelse taal te raadplegen op: https://ec.europa.eu/competition/antitrust/cases/dec_docs/38823/38823_1340_4.pdf.
In die tijd werd nog gesproken van een ‘beschikking’. Met de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon per 1 december 2009 is deze term vervangen door de term ‘besluit’. Zie art. 288, 4e alinea, VWEU.
In deze conclusie zal ik consequent verwijzen naar art. 101 VWEU, zoals geldend sinds 1 december 2009. Voordien was deze bepaling genummerd als art. 85 EEG en vanaf de inwerkingtreding van het Verdrag van Amsterdam op 1 mei 1999 als art. 81 EG. Die laatste nummering wordt gebruikt in de Beschikking.
Dit persbericht is te raadplegen op: https://ec.europa.eu/commission/presscorner/detail/nl/ip_07_209
Pb. C 75 van 26 maart 2008, p. 19–24.
Gerecht 13 juli 2011, T‑151/07, ECLI:EU:T:2011:365 (Kone/Commissie).
HvJ 24 oktober 2013, C‑510/11 P, ECLI:EU:C:2013:696 (Kone/Commissie).
Deze brief is overgelegd als (onderdeel van) productie 16 bij de conclusie van repliek.
Deze brief is overgelegd als (onderdeel van) productie 17 bij de conclusie van repliek van 21 maart 2018.
Productie 18 bij conclusie van repliek.
Het procesverloop is gebaseerd op par. 4 en 5 van het bestreden arrest. Aanvankelijk waren ook entiteiten van ThyssenKrupp betrokken in deze procedure. Uit de rolbeslissing van 10 maart 2021 blijkt dat SECC bij brief van 19 februari 2021 aan de rechtbank heeft medegedeeld een minnelijke regeling te hebben getroffen met ThyssenKrupp. Het bedrag dat ThyssenKrupp heeft betaald, heeft SECC niet bekend gemaakt.
Rb. Rotterdam 23 oktober 2019, ECLI:NL:RBROT:2019:8230.
HvJ 14 maart 2019, C-724/17, ECLI:EU:C:2019:204, NJ 2020/58 m.nt. J.S. Kortmann.
Rb. Rotterdam 23 juni 2021, ECLI:NL:RBROT:2021:6636.
Umbrella pricing is het fenomeen dat producenten die niet deelnemen aan een kartel hun prijzen als gevolg van dat kartel op een hoger niveau hebben vastgesteld dan zonder dat kartel het geval zou zijn geweest. De betaalde meerprijs vormt schade. Daarvoor kunnen niet die andere aanbieders aansprakelijk worden gehouden omdat zij geen inbreuk hebben gemaakt en dus niet onrechtmatig hebben gehandeld. Deze schade wordt toegerekend aan de ondernemingen die wel aan het kartel hebben deelgenomen.
In rov. 4.29 motiveert de rechtbank in detail waarom voor een groot aantal van de opgevoerde claimhouders SECC onvoldoende had onderbouwd dat in hun geval de mogelijkheid dat zij schade hebben geleden aannemelijk was. De rechtbank heeft dat op grond van de door SECC overgelegde stukken per claimhouder onderzocht.
De rechtbank besliste in het tussenvonnis en eindvonnis in twee aparte procedures. Kone stelde in de ene procedure hoger beroep in (zaaknummer hof: 200.304.621) en SECC in de andere (zaaknummer hof: 200.304.673). Er hoefde daarom geen incidenteel appel te worden ingesteld.
Hof Den Haag 23 januari 2024, ECLI:NL:GHDHA:2024:132.
Richtlijn 2014/104/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 november 2014 betreffende bepaalde regels voor schadevorderingen volgens nationaal recht wegens inbreuken op de bepalingen van het mededingingsrecht van de lidstaten en van de Europese Unie, Pb L 349 van 5 december 2014, p. 1-19. Deze richtlijn wordt soms aangeduid als ‘Schaderichtlijn’ (Damages Directive). Omdat ‘Schaderichtlijn’ door niet-specialisten mogelijk niet wordt geassocieerd met inbreuken op het mededingingsrecht vind ik de term ‘Kartelschaderichtlijn’ duidelijker. Dat de richtlijn van toepassing is op schadevergoedingsvorderingen na mededingingsinbreuken in het algemeen en niet alleen na een kartel, laat onverlet dat veruit de meeste zaken betrekking hebben op schade veroorzaakt door een kartel.
Daarmee wordt bedoeld het fenomeen dat in sommige gevallen inbreuken op het mededingingsrecht ook nadat zij zijn beëindigd nog enige tijd schade kunnen blijven veroorzaken zo lang de ex-karteldeelnemers in staat zijn om individueel hogere prijzen te hanteren, totdat de ‘normale’ concurrentieverhoudingen zijn hersteld.
Deze twee claimhouders zijn dus in hoger beroep afgevallen. Van de 122 claimhouders op de lijst zijn er in eerste aanleg 14 afgevallen op grond van verjaring en (108-19=) 89 op de grond dat de mogelijkheid van schade onvoldoende aannemelijk was gemaakt. Daar zijn in hoger beroep dus nog twee afvallers bijgekomen. Uiteindelijk blijven er (19-2)=17 claimhouders over die aanspraak kunnen maken op schadevergoeding.
HR 8 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1483, NJ 2017/262 m.nt. S.D. Lindenbergh & J.S. Kortmann, JOR 2016/322 m.nt. M.M.C. van de Moosdijk, AA 2017/41 m.nt. W.H. van Boom (TenneT/ABB).
HvJ 22 juni 2022, C-267/20, ECLI:EU:C:2022:494, NJ 2024/187 m.nt. J.S. Kortmann onder NJ 2024/188, B.J. Drijber, M&M 2023/2, p. 76 e.v. (Volvo & DAF Trucks/RM), punt 46-47.
Art. 22 lid 1 luidt: “De lidstaten zorgen ervoor dat geen terugwerkende kracht wordt gegeven aan de nationale maatregelen die krachtens artikel 21 worden vastgesteld ter naleving van de materiële bepalingen van deze richtlijn.”
Art. III van de Implementatiewet regelt conform art. 22 lid 2 van de richtlijn dat de implementatiebepalingen van procedurele aard niet van toepassing zijn op zaken die vóór 26 december 2014 bij de rechter aanhangig zijn gemaakt (Kamerstukken II 2015/16, 34 490, nr. 3 (MvT), p. 26). Die bepaling ziet onder meer op art. 6:193r BW (mogelijk aanhouding procedure bij de rechter als partijen betrokken zijn bij buitengerechtelijke geschillenbeslechting) en niet op art. 6:193s BW over verjaring. Aanvankelijk stond in art. III Implementatiewet echter abusievelijk art. 6:193s BW vermeld (zie ook de s.t. van Kone, voetnoot 85). Die redactionele fout is hersteld bij de Verzamelwet Justitie en Veiligheid 2018, Stb. 2018, 228, waarvan art. XVIII luidt: “In artikel III van de Implementatiewet richtlijn privaatrechtelijke handhaving mededingingsrecht wordt «Artikel 193s» vervangen door «Artikel 193r».” Duidelijk is dus dat art. 6:193s BW tot de materiële bepalingen behoort.
Zie rov. 4.3.4: “Hoewel de Richtlijn temporeel niet het onderhavige geval bestrijkt en het beoordelingskader dus wordt gevormd door het Nederlandse recht – met inachtneming van het gelijkwaardigheidsbeginsel en het doeltreffendheidsbeginsel zoals hiervoor in 4.3.1 vermeld – is het wenselijk om dat recht zo uit te leggen dat het leidt tot uitkomsten die verenigbaar zijn met de Richtlijn en het hiervoor in 4.3.3 vermelde wetsvoorstel. […].”
HvJ (Grote Kamer) 18 april 2024, C-605/21, ECLI:EU:C:2024:324 (Heureka/Google).
In zijn gecombineerde NJ-noot in NJ 2024/188 zet annotator Kortmann deze drie arresten in perspectief.
HvJ 28 maart 2019, C-637/17, ECLI:EU:C:2019:263, NJ 2024/186, m.nt. J.S. Kortmann, M&M 2019/3, p. 120-124, m.nt. B.J. Drijber (Cogeco).
Ook in de arresten Volvo/RM en Heureka/Google baseert het Hof zijn oordeel dat een nationale verjaringsregel niet door de Unierechtelijke beugel kan op de dubbele grondslag van de geschonden mededingingsbepaling én het doeltreffendheidsbeginsel.
HvJ 22 juni 2022, C-267/20, ECLI:EU:C:2022:494, (Volvo & DAF Trucks/RM).
HvJ (Grote Kamer) 18 april 2024, C-605/21, ECLI:EU:C:2024:324, ECLI:EU:C:2024:324, NJ 2024/188 m.nt. J.S. Kortmann (Heureka/Google). Dit arrest is o.a. besproken door: A.A. Koeman & R.J.G. Lamberti, ‘Heureka-arrest: meer duidelijkheid over de verjaring van kartelschadevorderingen onder het oude recht’, M&M 2024/4, p. 170-174; T.S. Hoyer, ‘Verjaring van schadevorderingen wegens een inbreuk op het Europees mededingingsrecht. De stand van zaken na Google/Heureka’, MvV 2025/3, p. 105-110; C. Kersting, ‘Cartel damages claims: limitation periods after Heureka: a case note on ECJ 18 April 2024 Heureka Group a.s. v Google LLC (C-605/21) ECLI:EU:C:2024:324’, European Competition Law Review 2025/3, p. 86-94; A. Ronzano, ‘Actions indemnitaires: La Cour de justice de l’Union européenne clarifie les règles relatives à la prescription pour les actions en dommages-intérêts résultant d’infractions au droit de la concurrence (Heureka Group / Google)’, Concurrences : revue des droits de la concurrence 2024/3, p. 1-8.
Zie ook de noot van J.S. Kortmann, NJ 2024/188, nr. 21.
Het concept dat bij een voortdurend onrechtmatig handelen de verjaringstermijn mogelijk pas kan ingaan wanneer dat onrechtmatig handelen is beëindigd, is ook in ons nationaal verjaringsrecht aanvaard. Zie HR 22 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:412, NJ 2019/388 m.nt. J.L. Smeehuijzen en JBPr 2019/31 m.nt. I.M.A. Lintel (Parkeergarage Zandvoort), rov. 3.5.2: “[…] Daarom moet in een geval als dit worden aangenomen dat de termijn van twintig jaren begint te lopen zodra de gebeurtenis waardoor de schade is veroorzaakt, is opgehouden te bestaan […].”
Zie over dit aspect: C. Kersting, European Competition Law Review 2025/3, p. 89-92.
In de Engelse, Franse en Duits taalversies is ‘zorgvuldigheidsplicht’ als volgt opgeschreven: “duty of due dilligence” of “duty of diligence”, “devoir de diligence”, “Sorgfaltspflicht”.
Punt 122 van de conclusie van 28 oktober 2021 van A-G Rantos (ECLI:EU:C:2021:884) vóór het Volvo/AB-arrest en punt 130 van de conclusie van 21 september 2023 van A-G Kokott (ECLI:EU:C:2023:695) vóór het Heureka/Google-arrest.
HvJ 6 maart 2023, C-198/22 en C-199/22, ECLI:EU:C:2023:166 (Deutsche Bank), punt 50: « […], il y a lieu de considérer que le fait d’établir une distinction entre les personnes lésées, aux fins de la détermination du moment auquel le délai de prescription commence à courir, risquerait de créer une incertitude dans la mise en œuvre des articles 101 et 102 TFUE, ce qui irait à l’encontre du principe de sécurité juridique. » Op de website van het Hof staat geen Nederlandse taalversie, vandaar dat ik de Franse taalversie citeer, de werktaal van het Hof.
F.J.P. Lock, in: Stelplicht & Bewijslast, commentaar op art. 3:310 (actueel t/m 18 mei 2020).
HR 6 april 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB0900, NJ 2002/383 m.nt. H.J. Snijders ([…] /Wilton Feijenoord), rov. 3.4.2.
Asser Procesrecht/Asser 3 2023/290. Zie ook P.A. Fruytier, in: J.W. de Groot, E.M. Hoogervorst & B.T.M. van der Wiel (red.), Civiel bewijsrecht voor de rechtspraktijk, Apeldoorn-Antwerpen: Maklu 2025, p. 163: “[…] In het geval van verlichten van de hoofdregel op grond van een vermoeden blijft aldus de bewijslast waar hij volgens de regels van het materiële recht thuishoort. […]. De partij die van het vermoeden profiteert heeft dus een voorsprong door het vermoeden: zij wordt geacht reeds in het bewijs te zijn geslaagd. […].”
Zie uitgebreid over dit aspect: C. Kersting, ‘Cartel damages claims: limitation periods after Heureka: a case note on ECJ 18 April 2024 Heureka Group a.s. v Google LLC (C-605/21) ECLI:EU:C:2024:324’, European Competition Law Review 2025/3, p. 89-92.
Zie ook J.L. Smeehuijzen, De bevrijdende verjaring (R&P nr. 162) 2008/23.1.
Zie bijv. HR 18 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2741, NJ 2015/382 (International Strategies Group/Royal Bank of Scotland), rov. 3.3.
HR 8 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM9615, NJ 2010/545 ([…] e.a./Chipshol en Forward), rov. 3.5, tweede alinea.
HvJ 14 maart 2019, C-724/17, ECLI:EU:C:2019:204 (Skanska), punt 31.
HvJ (Grote Kamer) 6 oktober 2021, C-882/19, ECLI:EU:C:2021:800 (Sumal). Dit arrest heeft veel pennen in beweging gebracht. Zie o.a. S.A. van Dijk, JOR 2022/22; T.S. Hoyer, ‘Aspecten van civiele aansprakelijkheid wegens een inbreuk op het Europees mededingingsrecht. De stand van zaken na Skanska, Cogeco, Otis en Sumal’, MvV 2021, nr. 11, p. 363-373; Chr.F. Kroes, ‘Rolled into one: de “onderneming” als rechtssubject bij “privaatrechtelijke handhaving” van het mededingingsrecht’, MvO 2022, nr. 3, p. 62-72; O.V. Korneeva & W. VerLoren van Themaat, ‘Het Sumal-arrest. Doorbraak in aansprakelijkheid van de onderneming voor mededingingsinbreuken’, NtER 2022, nr. 3-4, p. 68-73; en B. Freund, ‘Heralds of Change: In the Aftermath of Skanska (C-724/17) and Sumal (C-882/19)’, International Review of Intellectual Property and Competition Law 2022, nr. 53, p. 246-263. Zie, in iets breder verband, ook B.J. Drijber, ‘Dit gebeurt al jaren: hoe het mededingingsrecht concernverhoudingen op hun kop zet’, Ondernemingsrecht 2024-6, nr. 29.
In het Duitse procesrecht wordt dit onderscheid tussen ‘tegen wie’ en ‘door wie’ uitgedrukt met de begrippen Passivlegitimation en Aktivlegitimation.
HvJ 20 september 2001, C-453/99, ECLI:EU:C:2001:465, (Courage/Crehan), punt 26 en HvJ 13 juli 2006, C-295/04 e.a., ECLI:EU:C:2006:461 (Manfredi), punt 61.
Hugenholtz/Heemskerk, Hoofdlijnen van Nederlands burgerlijk procesrecht, Dordrecht: Convoy Uitgevers 2024/21 (p. 31). Daarbij past de kanttekening dat wie handelingsonbevoegd is, ook de bevoegdheid mist om procespartij te zijn (legitima persona standi in judicio).
In het burgerlijk procesrecht is de gelijkstelling tussen natuurlijke personen en rechtspersonen aanvaard, zie bijv. Asser/Kroeze 2-I 2021/55.
Asser Procesrecht/Giesen 1 2024/165, met verwijzing naar o.a. A. Knigge, Effectieve toegang tot het civiele geding (diss. Groningen), Deventer: W.E.J. Tjeenk Willink 1998, p. 2. Zie sinds kort (Stb. 2022, 331) ook art. 17 lid 1 Grondwet: “Ieder heeft bij het vaststellen van zijn rechten en verplichtingen of bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde vervolging recht op een eerlijk proces binnen een redelijke termijn voor een onafhankelijke en onpartijdige rechter.”
Zie o.a. J.L. Smeehuizen, ‘Verjaring van civiele schadeclaims wegens schending van het mededingingsrecht’, MP 2015/122 (onder 3): “Het Nederlandse recht had het zonder de bijzondere stuitingsregel van artikel 10 lid 4 van de [Kartelschaderichtlijn] gekund. Naar Nederlands recht kan de benadeelde eenvoudig zelf de verjaring stuiten. Binnen vijf jaar nadat hij tot ageren in staat is geraakt, moet hij een stuitingsbriefje sturen (artikel 3:317 BW). Dat is alles. Wellicht moeten we hier voor ogen houden dat in vergelijking met andere Europese landen naar Nederlandse recht erg gemakkelijk gestuit kan worden (met een drieregelig briefje immers). Artikel 10 lid 4 van de [Kartelschaderichtlijn] is wél van nut in jurisdicties waarin de verjaring alleen door een daad van rechtsvervolging kan worden afgewend – of waar een andere materiële handeling vereist is. […].”
De ‘vaste rechtspraak’ die het middel aanhaalt bestaat uit één enkel arrest: HR 3 december 2010, ECLI:NL:HR:2010:BO0183, NJ 2010/652 (Far/Edco I), rov. 3.3.2. Dit arrest ziet overigens op art. 3:316 BW en niet op het hier centraal staande art. 3:317 BW (zie over dit aspect de s.t. van SECC, nr. 91).
HvJ 4 juli 2024, C-425/22, ECLI:EU:C:2024:578, NJ 2024/285 (MOL/Mercedes-Benz).
Ter onderbouwing van deze rechtsopvatting wordt in de procesinleiding in voetnoot 26 verwezen naar punt 2 van de noot van C.J.H. Brunner onder HR 25 maart 1983, ECLI:NL:HR:1983:AG4558, NJ 1984/629 (Steengaassteller).
W.H. Heemskerk meent dat deze drempel het absoluut minimum is: noot onder HR 13 juni 1980, ECLI:NL:HR:1980:AC3099, NJ 1981/185 ([…] /Fargion).
Hugenholtz/Heemskerk, Hoofdlijnen van het Nederlands Burgerlijk Procesrecht, Dordrecht: Convoy Uitgevers 2024, par. 194 (p. 302).
Memorie van antwoord in incidenteel appel, par. 2.
Memorie van antwoord tevens houdende incidenteel appel, punt 139 e.v.
Aldus ook A-G Wesseling-van Gent in punt 2.5 van haar conclusie (ECLI:NL:PHR:2018:209) voor HR 4 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:669, RvdW 2018/569 (81 RO).
T.F.E. Tjong Tjin Tai, De schadestaatprocedure (BPP nr. 14), par. 4.4.2 (nr. 423). Zie ook al T.F.E. Tjong Tjin Tai, ‘De ambivalente regeling van de schadestaatprocedure’, TCR 2008/1, p. 3-4: “Dat de mogelijkheid van causaal verband met enige schade-elementen aannemelijk moet zijn gemaakt volgt uit het feit dat het nodig is de mogelijkheid van schade als gevolg van de fout aannemelijk te maken.” De auteur verwijst ter vergelijking naar HR 16 januari 1981, ECLI:NL:HR:1981:AG4132, NJ 1981/426 m.nt. C.J.H. Brunner (…] / [….).
Zie in deze zin T.F.E. Tjong Tjin Tai, De schadestaatprocedure (BPP nr. 14), par. 2.2 (nr. 205).
Memorie van antwoord zijdens Kone, punt 3.18.
Art. 17 lid 2 van de Kartelschaderichtlijn luidt: “Kartelinbreuken worden geacht schade te berokkenen. De inbreukpleger heeft het recht dit vermoeden te weerleggen.”. Art. 6:193l BW implementeert deze bepaling en luidt: “Een kartel, dat een inbreuk op het mededingingsrecht vormt, wordt vermoed schade te veroorzaken.”
Zie HvJ 22 juni 2022, C-267/20, ECLI:EU:C:2022:494 (DAF Trucks), punt 98. Zie naar aanleiding van o.a. dit arrest: S.L. Boersen, ‘De klokken staan gelijk, maar wie weet hoe laat het is?’, MvV 2022/11, p. 398-405.
Zie o.a. het arrest Heureka/Google, punt 57.
De termijn van tien jaar die lid 3 vanaf 1 januari 1994 noemde, is bij Wet van 26 maart 1998, Stb. 1998, 184, in werking getreden op 1 juni 1998, vervangen door zeven jaar. Ook de bewaartermijn van art. 52 lid 4 Algemene Wet Rijksbelastingen is overigens met dezelfde wet aangepast van tien naar zeven jaar.
C.M. Harmsen, Administratieplicht en aansprakelijkheid voor het boedeltekort (diss. Nijmegen), Deventer: Wolters Kluwer 2019, p. 213.
Zie bijvoorbeeld het rapport Comparative Information Series (2004), p. 52-53 (Table 11). Dit rapport is beschikbaar op: https://www.oecd.org/content/dam/oecd/en/publications/reports/2012/06/tax-administration-in-oecd-countries-comparative-information-series-2004_0feec2c1/abbd5904-en.pdf
Een claimvehikel zou als een potentieel benadeelde zich aanmeldt hem verzoeken om contracten, facturen en andere documentatie te bewaren en beschikbaar te houden of te stellen.
Zie schriftelijke toelichting SECC, voetnoot 105.
Zie hierover bijv. J. Koivusalo, ‘It ain’t over until it’s over – when do infringements of EU competition law end?’ European Competition Journal 2024, p. 243-273 (op p. 244-245).
Ook in de beschikking van de Commissie die de aanleiding vormt voor deze kartelschadezaak is vastgesteld wat de duur is van de deelname van Kone (punten 519-522).
Zie in deze zin ook Hof Arnhem-Leeuwarden 28 augustus 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:7753 (Alstom c.s./TenneT c.s.), rov. 3.39: “[…] Wel is de aansprakelijkheid van Alstom Holdings voor de door TenneT c.s. daardoor geleden schade beperkt tot de periode waarover Areva T&D Holding SA in de Beschikking is beboet, namelijk 9 januari tot 11 mei 2004. […].”
R.J.B. Boonekamp, in: Stelplicht & Bewijslast, commentaar op art. 6:166 BW (actueel t/m 2 oktober 2017).
HvJ 26 januari 2017, C-614/13 P, ECLI:EU:C:2017:63 (Masco Corp. c.s. v. Commissie), punt 23 en HvJ 26 januari 2017, C-609/13 P, ECLI:EU:C:2017:46 (Duravit AG c.s. v. Commissie), punt 118.
Beroepschrift 23‑04‑2025
PROCESINLEIDING VORDERINGSPROCEDURE IN CASSATIE
23 april 2024
Eisers:
- 1.
Kone B.V.,
een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid gevestigd te Voorburg, en
- 2.
Kone Oyj,
een vennootschap naar buitenlands recht gevestigd te Espoo (Finland),
hierna gezamenlijk: ‘Kone’.
De advocaten bij de Hoge Raad mrs. A. Knigge en A. Stortelder (Houthoff, Gustav Mahlerplein 50, 1082 MA Amsterdam) vertegenwoordigen als zodanig Kone in deze cassatieprocedure.
Verweerder:
Stichting Elevator Cartel Claim,
een stichting gevestigd te Den Haag en kantoorhoudende aan de Schiphol Boulevard 121, 1118 BG Schiphol (‘SECC’).
Bestreden uitspraak
Kone stelt cassatieberoep in tegen het arrest, uitgesproken op 23 januari 2024, van het gerechtshof te Den Haag (het ‘hof’), in de zaak met zaaknummer 200.304.621 tussen Kone als appellante en SECC als geïntimeerde en 200.304.673 tussen SECC als appellante en Kone als geïntimeerde (het ‘arrest’).
Verschijningsdatum verweerder
SECC wordt opgeroepen om ten laatste op 2 juli 2024 te verschijnen, vertegenwoordigd door een advocaat bij de Hoge Raad. De enkelvoudige civiele kamer behandelt de zaken, vermeld op het in artikel 15 van het Besluit orde van dienst gerechten bedoelde overzicht van zaken, op vrijdagen zoals vermeld in hoofdstuk 1 van het Procesreglement Hoge Raad der Nederlanden om 10.00 uur 's ochtends in diens gebouw aan het Korte Voorhout 8 te Den Haag.
Middel van cassatie
Kone voert tegen het arrest het volgende middel van cassatie aan:
Schending van het recht en/of verzuim van wezenlijke vormen doordat het hof heeft overwogen en beslist als in het arrest is weergegeven, zulks op de volgende, mede in hun onderlinge samenhang in aanmerking te nemen gronden.
A. Inleiding
1.
Deze zaak betreft een follow-on procedure naar aanleiding van een door de Europese Commissie (de ‘Commissie’) bij beschikking van 21 februari 2007 (de ‘Beschikking’) vastgestelde inbreuk (de ‘Inbreuk’) door vijf lift- en roltrapfabrikanten op (thans) artikel 101 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (‘VWEU’). SECC beoogt van Kone met deze procedure vergoeding te verkrijgen van door (directe of indirecte) afnemers geleden schade. SECC vordert, kort gezegd, te verklaren voor recht dat Kone hoofdelijk aansprakelijk is voor de schade op te maken bij staat, die de achterliggende partijen van SECC als gevolg van de Inbreuk zouden hebben geleden.
2.
In zijn arrest heeft het hof het tussenvonnis d.d. 23 oktober 2019 bekrachtigd, het eindvonnis d.d. 23 juni 2021 deels vernietigd en opnieuw rechtdoende evenals de rechtbank de vorderingen ten dele toegewezen. Aan deze toewijzing heeft het hof — kort gezegd — de Inbreuk ten grondslag gelegd, én aannemelijkheid dat de (overgebleven) achterliggende partijen gedurende de Inbreuk (direct of indirect) ieder ten minste één transactie zijn aangegaan met één van de geadresseerden van de Beschikking.
3.
Het hof heeft daarmee — in navolging van de rechtbank — in deze hoofdprocedure in feite helemaal niets vastgesteld. De mogelijke aansprakelijkheid van Kone jegens partijen die ten gevolge van de Inbreuk schade hebben geleden, volgt reeds uit de Inbreuk en de vaste rechtspraak van het HvJEU. Voor het overige is echter nog altijd onduidelijk (i) welke transacties de achterliggende partijen daadwerkelijk zijn aangegaan, (ii) of ter zake van die transacties aan de afnemers een meerprijs in rekening is gebracht, (iii) of die meerprijs ten laste van (het vermogen van) de achterliggende partijen is gekomen, dan wel (iv) of die meerprijs door de achterliggende partijen aan hun (indirecte) afnemers is doorberekend en (v) voor welk deel van de door achterliggende partijen beweerdelijk geleden schade door SECC reeds een minnelijke regeling is getroffen met ThyssenKrupp Liften B.V. en ThyssenKrupp AG (‘ThyssenKrupp’).
4.
Kone klaagt in essentie dat de vorderingen van SECC op deze beperkte basis niet konden worden toegewezen. De transacties ter zake waarvan de achterliggende partijen beweerdelijk schade hebben geleden behoren tot de in de hoofdprocedure vast te stellen grondslag voor aansprakelijkheid voor schadevergoeding nader op te maken bij staat. Ook een goede procesorde verzet zich ertegen dat de juridische én feitelijke grondslag — waaronder de beweerdelijke transacties ter zake waarvan aan de afnemer een meerprijs in rekening zou zijn gebracht — niet reeds in de hoofdprocedure, maar pas in de schadestaatprocedure worden vastgesteld.
5.
Ook de overige klachten van het middel houden in de kern in dat het hof op onjuiste gronden of zonder door Kone gevoerde verweren (op voldoende begrijpelijke wijze) te betrekken onvermijdelijke beslispunten naar de schadestaatprocedure verwijst. Verder klaagt het middel tegen het onjuiste en onbegrijpelijke oordeel van het hof dat de Inbreuk een prijsopdrijvend effect heeft gehad. Dat valt op de door het hof genoemde gronden niet aan te nemen.
B. Klachten
1. Onjuist en onbegrijpelijk oordeel dat de Inbreuk een prijsopdrijvend effect heeft gehad
1.1.
Het hof haalt in rov. 6.10 de overwegingen van de Commissie uit randnummers 668–669 van de Beschikking aan en oordeelt in rov. 6.11 dat uit deze overwegingen volgt dat de Inbreuk een effect heeft gehad op de markt, waaronder een opwaarts effect op de prijzen. Het hof voegt daar aan toe dat het een feit van algemene bekendheid is dat een beperking van de mededinging leidt tot hogere prijzen, ook als niet uitdrukkelijk een prijsverhoging wordt afgesproken. In rov. 6.12 wijst het hof onder aanhaling van randnummers 423 en 424 van de Beschikking op de informatie-uitwisseling tussen de inbreukplegers, en in rov. 6.13 verwerpt het hof de stelling van Kone dat uit de overwegingen in de Beschikking niet kan worden afgeleid dat de Inbreuk een prijsopdrijvend effect heeft gehad. Deze oordelen zijn onjuist. Immers, aldus miskent het hof dat artikel 81 EG-Verdrag (thans artikel 101 VWEU) onderscheid maakt tussen — kort gezegd — gedragingen die (i) ertoe strekken de mededinging binnen de interne markt te verhinderen (ook wel: ‘infringement by object’) en (ii) die tot gevolg hebben dat de mededinging binnen de interne markt wordt verhinderd (ook wel: ‘infringement by effect’) en/althans dat de Commissie in de Beschikking de Inbreuk heeft vastgesteld op basis van de mededingingsbeperkende strekking van de gedragingen van de liftfabrikanten (Beschikking randnummers 582 – 585 en 588) en dat dit betekent dat de Commissie niet heeft vastgesteld (en ook niet heeft willen vaststellen, zie Beschikking randnummer 660) dat de Inbreuk een effect op de markt heeft gehad.
1.2.
Het hof miskent met de in het vorige subonderdeel bestreden oordelen bovendien/althans dat de civiele rechter gebonden is aan het dispositief van de Beschikking en op grond van de Beschikking niet meer of minder mag aannemen dan hetgeen hieruit volgt. Dat brengt mee dat het de civiele rechter niet vrijstaat in een geval waarin de Commissie een ‘infringement by object’ heeft vastgesteld, aan te nemen dat de vastgestelde inbreuk (dus) een effect op de markt heeft gehad, laat staan een opwaarts effect op de prijzen. Voor zover de Commissie in de door het hof in rov. 6.10 – 6.12 aangehaalde overwegingen van de Beschikking ingaat op mogelijke gevolgen van de Inbreuk, is de nationale rechter daar dus bovendien niet aan gebonden. Die is immers gebonden aan het dispositief van de Beschikking en overwegingen die noodzakelijk zijn ter onderbouwing van dat dispositief. De aangehaalde overwegingen zijn niet noodzakelijk ter onderbouwing van het dispositief, waarin de Commissie immers een ‘infringement by object’ vaststelt.
1.3.
In ieder geval is 's hofs oordeel dat uit de Beschikking volgt dat de Inbreuk een effect op de markt heeft gehad, waaronder een opwaarts effect op de prijzen, onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd. Het hof reageert onvoldoende (begrijpelijk) op Kone's stellingen met de strekking dat uit de Beschikking niet volgt dat de Inbreuk ertoe heeft geleid dat de prijzen van liften en diensten gedurende de inbreukperiode hoger lagen dan daarna (of daarvoor)1. en dat uit de Beschikking wel volgt dat de Commissie de effecten van de Inbreuk niet heeft onderzocht althans vastgesteld.2. Uit de door het hof aangehaalde passages uit de Beschikking valt (bovendien) hooguit af te leiden dat de Commissie uitgaat van een effect, maar niet van een prijsopdrijvend effect. In de aangehaalde passages overweegt de Commissie namelijk ‘it is impossible to determine the precise effects with sufficient certainty (…)’ en (onderstreping toegevoegd) ‘it is obvious that the infringements did have an actual impact’. De Commissie overweegt aldus weliswaar dat er een effect is geweest, maar laat in het midden wat dit effect is. Dit hoeft niet een effect op de prijs te zijn geweest en kan bovendien ook bestaan uit het gelijk blijven of dalen van prijzen.
1.4.
Voor zover het hof de aangehaalde overwegingen uit de Beschikking aldus uitlegt dat hieruit alleen kan worden afgeleid dat de Commissie de precieze effecten van de Inbreuk op de markt niet heeft kunnen vaststellen, maar niet dat de Commissie in het geheel niet heeft vastgesteld of de Inbreuk tot prijsverhogingen heeft geleid, geldt dat dit oordeel ook onjuist althans onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd is om de redenen aangevoerd in de subonderdelen 1.1 t/m 1.3.
1.5.
Het hof oordeelt in rov. 6.11 dat het een feit van algemene bekendheid is dat een beperking van de mededinging leidt tot hogere prijzen, ook als niet uitdrukkelijk een prijsverhoging wordt afgesproken. Met dit oordeel geeft het hof blijk van een onjuiste rechtsopvatting, althans is dit oordeel niet (voldoende) begrijpelijk gemotiveerd. Het hof miskent immers dat sprake is van een feit van algemene bekendheid als het een feit betreft dat ieder normaal en algemeen ontwikkeld mens zonder nader onderzoek geacht wordt te kennen of zonder noemenswaardig onderzoek uit algemeen toegankelijke bronnen te weten kan komen en/althans dat daarvan in dit geval geen sprake is. Van een feit van algemene bekendheid is in ieder geval geen sprake als het feit uitsluitend kan worden vastgesteld door een complex (econometrisch) onderzoek. Zonder toelichting, die ontbreekt, is niet begrijpelijk waarom niettemin sprake is van een feit van algemene bekendheid.
1.6.
Ter onderbouwing van zijn oordeel dat het een feit van algemene bekendheid is dat een beperking van de mededinging een prijsopdrijvend effect heeft, verwijst het hof in rov. 6.11 naar de overweging in randnummer 576 van de Beschikking. Het hof miskent daarmee dat de Commissie niet bepaalt of van een feit van algemene bekendheid sprake is en dat het oordeel dat van een feit van algemene bekendheid sprake is ook niet op de overwegingen van de Commissie kan worden gebaseerd. Zonder nadere motivering, die ontbreekt, valt bovendien niet in te zien dat uit de aangehaalde overweging — waarin de Commissie zich slechts uitspreekt over de strekking van de Inbreuk (‘aimed’) — kan worden afgeleid dat het een feit van algemene bekendheid is dat gedragingen die ertoe strekken de mededinging te beperken (steeds) tot hogere prijzen leiden. Dit valt immers niet in die overwegingen te lezen. Dit volgt evenmin uit de door het hof in rov. 6.12 aangehaalde randnummers van de Beschikking, waarin de Commissie de uitwisseling van informatie vaststelt. Ook die overwegingen bieden geen steun aan de vaststelling dat sprake zou zijn geweest van prijsverhogingen of een prijsopdrijvend effect.
1.7.
Het hof oordeelt in rov. 6.14 dat ook de Richtlijn 2014/104/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 november 2014 betreffende bepaalde regels voor schadevorderingen volgens nationaal recht wegens inbreuken op de bepalingen van het mededingingsrecht van de lidstaten van de Europese Unie (de ‘Schaderichtlijn’) ervan uitgaat dat inbreuken op het mededingingsrecht tot een prijsverhoging leiden en op grond van dat uitgangspunt een bewijsvermoeden van schade introduceert. Het hof vervolgt dat hoewel deze richtlijn niet (direct) van toepassing is op de vorderingen van SECC, omdat de richtlijn op 10 februari 2017 in werking is getreden en geen terugwerkende kracht heeft, de economische principes die aan dit bewijsvermoeden ten grondslag liggen algemeen zijn aanvaard. Deze oordelen getuigen van een onjuiste rechtsopvatting althans zijn niet voldoende (begrijpelijk) gemotiveerd, omdat de Schaderichtlijn — en het door het hof genoemde bewijsvermoeden — niet ervan uitgaat dat inbreuken op het mededingingsrecht tot een prijsverhoging leiden en van een algemeen aanvaard economisch principe dat inbreuken op het mededingingsrecht tot prijsverhoging leiden geen sprake is. Zonder toelichting, die ontbreekt, is in ieder geval niet in te zien op welke grond het bestaan van een dergelijk principe aanneemt. Het bewijsvermoeden is in het leven geroepen om het probleem van informatieasymmetrie tussen partijen en sommige moeilijkheden in verband met het begroten van schade in mededingingszaken op te lossen. In ieder geval is dit bewijsvermoeden onvoldoende grond om vast te stellen dat de Inbreuk een prijsopdrijvend effect heeft gehad. Het hof heeft dit miskend of zijn oordeel dat de Inbreuk een prijsopdrijvend effect heeft gehad ook om deze reden niet (voldoende) begrijpelijk gemotiveerd.
1.8.
Het oordeel van het hof dat de Inbreuk een effect heeft gehad op de markt, waaronder een opwaarts effect op de prijzen is in ieder geval onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd in het licht van de economische rapporten die zijn overgelegd in deze procedure aan de hand waarvan Kone dat prijsopdrijvend effect heeft betwist.3. De overwegingen van het hof in rov. 6.15 dat het hof zonder nader (deskundigen)onderzoek niet in staat is de juistheid van de analyses in de economische rapporten te beoordelen en dat dat ook niet nodig is, omdat in deze (hoofd)procedure volstaat dat de mogelijkheid van schade voldoende aannemelijk is, vormen hierop geen voldoende begrijpelijke reactie. Het hof kon immers niet vaststellen dat de Inbreuk een effect op de markt heeft gehad, waaronder een opwaarts effect op de prijzen, zonder de op deze economische rapporten gebaseerde stellingen te betrekken.
1.9.
De oordelen in rov. 6.9, 6.15, 6.16, 6.36, 6.50–6.51, 6.60, 6.69, 6.73, 6.76, 6.78, 6.81 t/m 6.84, 6.90, 6.95, 6.96, 6.98, 6.102, 6.105 en 6.108, 7.1 en het dictum bouwen voort op de door de voorgaande subonderdelen bestreden oordelen. Indien een of meer klachten tegen deze oordelen slagen, kunnen de oordelen in rov. 6.9, 6.15, 6.16, 6.36, 6.50–6.51, 6.60, 6.69, 6.73, 6.76, 6.78, 6.81 t/m 6.84, 6.90, 6.95, 6.96, 6.98, 6.102, 6.105 en 6.108, 7.1 en het dictum dus evenmin in stand blijven.
2. Onjuist en onbegrijpelijk oordeel verhouding hoofdprocedure en schadestaatprocedure
2.1.
Het hof oordeelt in rov. 6.50 dat de voor verwijzing naar de schadestaatprocedure vast te stellen grondslag voor aansprakelijkheid is gelegen in de onrechtmatige deelname aan de Inbreuk. Het hof miskent dat de grondslag voor aansprakelijkheid de conclusie dient te kunnen dragen dat een verbintenis bestaat tussen twee partijen, uit hoofde waarvan de ene partij jegens de andere partij verplicht is tot vergoeding van schade. Daarvoor is nodig dat in de hoofdprocedure wordt vastgesteld dat aan de vereisten voor aansprakelijkheid op grond van bijvoorbeeld onrechtmatige daad is voldaan, zij het dat voor wat betreft de vereiste schade voldoende is dat de mogelijkheid van schade aannemelijk is. De (enkele) onrechtmatige deelname aan de Inbreuk is onvoldoende voor aansprakelijkheid van Kone jegens een achterliggende partij en/althans onvoldoende om de conclusie te kunnen dragen dat tussen Kone en een achterliggende partij een verbintenis bestaat uit hoofde waarvan Kone verplicht is tot vergoeding van schade. Daarvoor is tevens — in het onderhavige geval — vereist dat de partij jegens wie die aansprakelijkheid voor schade wordt aangenomen een transactie is aangegaan waarover een meerprijs is berekend, althans waarvoor die mogelijkheid voldoende aannemelijk is. De vaststelling van die transactie(s) maakt deel uit van de (feitelijke) grondslag waarop de aansprakelijkheid berust en dient dus in de hoofdprocedure plaats te vinden. Dat betekent ook dat in de hoofdprocedure per achterliggende partij de transacties moeten worden vastgesteld waarop de aansprakelijkheid berust en ter zake waarvan een schadevergoedingsverplichting is ontstaan, waarvan inhoud en omvang in de schadestaatprocedure kunnen worden vastgesteld.
2.2.
Het hof sluit zich in rov. 6.51 aan bij het oordeel van de rechtbank dat is voldaan aan het vereiste dat de mogelijkheid dat een claimhouder schade heeft geleden als gevolg van de Inbreuk aannemelijk is, indien een claimhouder tijdens de inbreukperiode ten minste één overeenkomst heeft gesloten met betrekking tot de installatie of afname van minimaal één product of dienst van een van de inbreukplegers. Het hof vervolgt hierop dat in de schadestaatprocedure de omvang van de schade kan worden vastgesteld, waarbij ook andere schadeposten in aanmerking kunnen worden genomen. Voor zover het hof bedoelt dat in de schadestaatprocedure schade kan worden toegewezen ter zake van transacties die niet in de hoofdprocedure zijn vastgesteld, miskent het hof ook met dit oordeel dat de transacties deel uitmaken van de grondslag waarop aansprakelijkheid berust en moeten worden vastgesteld in de hoofdprocedure om de conclusie te kunnen dragen dat tussen Kone en een achterliggende partij een verbintenis bestaat uit hoofde waarvan Kone verplicht is tot schadevergoeding. Alleen voor zover transacties ten grondslag liggen aan de in de hoofdprocedure vastgestelde aansprakelijkheid, kan de ter zake van die transacties geleden schade in de schadestaatprocedure in aanmerking worden genomen.
2.3.
Met de in de vorige subonderdelen bestreden oordelen miskent het hof bovendien dat ook het prijsopdrijvend effect van de Inbreuk op de betreffende transacties deel uitmaakt van de (feitelijke) grondslag waarop de aansprakelijkheid berust en moet worden vastgesteld in de hoofdprocedure en/althans dat zonder de vaststelling van het prijsopdrijvend effect van de Inbreuk op de betreffende transacties de mogelijkheid van schade geleden door een achterliggende partij nog niet aannemelijk is. Het hof miskent dit ook met de overwegingen in rov. 6.50 dat de effecten van de Inbreuk niet beperkt bleven tot opdrachten ten aanzien waarvan het verdelingsmechanisme concreet werd toegepast en dat ook als een opdracht niet werd aanbesteed, zij binnen de reikwijdte van de Inbreuk viel en de mogelijkheid van schade dus aannemelijk is. Het enkele gegeven dat een transactie binnen de reikwijdte van de Inbreuk viel maakt immers nog niet dat ook sprake is geweest van een prijsopdrijvend effect, of dat de mogelijkheid daarvan voldoende aannemelijk is. Voor zover het hof dit niet heeft miskend, is zijn oordeel onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd, nu uit de overwegingen van het hof niet blijkt dat, althans op basis waarvan, het hof het prijsopdrijvend effect van de Inbreuk op de door de achterliggende partijen aangegane transacties heeft vastgesteld. Het hof heeft zijn oordeel in ieder geval onvoldoende gemotiveerd, nu Kone het prijsopdrijvend effect van de Inbreuk op de transacties aan de hand van economische rapporten heeft betwist4. en het hof deze stellingen en de daaraan ten grondslag liggende economische rapporten niet in zijn beoordeling heeft betrokken.
2.4.
Met zijn in de vorige subonderdelen bestreden oordelen geeft het hof voorts blijk van een onjuiste rechtsopvatting omdat een verbintenis tot vergoeding van schade ontstaat bij het aangaan van een transactie waarover een meerprijs is berekend, en aldus ieder van deze transacties resulteert in een afzonderlijke verbintenis, ter zake waarvan (per verbintenis en dus per transactie) moet worden bezien of verwijzing naar de schadestaatprocedure is aangewezen.
2.5.
In rov. 6.9 oordeelt het hof dat in het midden kan blijven of de Inbreuk daadwerkelijk alle transacties op de markten voor de installatie, het onderhoud en de modernisering van liftinstallaties omvatte. Het hof vervolgt dat niet nodig is dat reeds in de hoofdprocedure wordt vastgesteld of een bepaalde transactie wel of niet door de Inbreuk is geraakt en dat dit van belang is voor de omvang van de schade die in de schadestaatprocedure moet worden vastgesteld. Deze oordelen lijden ook aan de met subonderdelen 2.1 t/m 2.4 aangevoerde gebreken en delen het lot van de met die subonderdelen bestreden oordelen.
2.6.
Het hof heeft althans bij de beoordeling van de vraag of naar de schadestaatprocedure kon worden verwezen (of elders) niet of onvoldoende gereageerd op stellingen van Kone (die ten grondslag lagen aan grief IV). Kone heeft immers aangevoerd dat de vraag of een partij meer dan één overeenkomst heeft gesloten de grondslag en omvang van de aansprakelijkheid beïnvloedt en moet worden onderscheiden van de vraag naar de inhoud en omvang van de schadevergoedingsverplichting die pas in de schadestaatprocedure aan de orde komt.5. Het hof verwerpt in rov. 6.50 enkel de stelling van Kone dat voor iedere transactie tussen een claimhouder en een inbreukpleger moet worden nagegaan of daarmee onrechtmatig is gehandeld. Dit vormt geen, althans geen voldoende begrijpelijke reactie op de stellingen van Kone met de strekking dat de transacties zelf moeten worden vastgesteld in de hoofdprocedure. Indien het hof de stellingen van Kone zo heeft uitgelegd dat haar standpunt beperkt zou zijn tot de stelling dat voor iedere transactie moet worden nagegaan of daarmee onrechtmatig is gehandeld, heeft het hof een onbegrijpelijke uitleg gegeven aan deze stellingen. Een dergelijke uitleg is niet alleen onbegrijpelijk gelet op de stellingen zelf, maar ook gelet op het feit dat Kone deze stellingen juist heeft ingenomen voor het geval het hof van oordeel zou zijn dat voldoende is dat de onrechtmatige gedraging de deelname aan de Inbreuk is (en Kone dus niet volgt in haar betoog dat voor de vaststelling van de schadevergoedingsverbintenis ook de vaststelling noodzakelijk is van de transacties ter zake waarvan onrechtmatig is gehandeld).6. Daarmee zijn de oordelen (i) dat de grondslag voor de aansprakelijkheid is gelegen in de onrechtmatige deelname aan de Inbreuk (rov. 6.50), (ii) dat met de rechtbank wordt geconcludeerd dat als drempel voor verwijzing naar de schadestaatprocedure kan worden gehanteerd of een claimhouder tijdens de inbreukperiode ten minste één overeenkomst heeft gesloten met betrekking tot de installatie of afname van minimaal één product of dienst van een van de Inbreukplegers (rov. 6.51 en 6.60) en (iii) dat de daartegen gerichte grieven van Kone falen (rov. 6.60), in ieder geval onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd.
2.7.
De in de subonderdelen 2.1 t/m 2.6 bestreden oordelen van het hof zijn bovendien onjuist, omdat een verwijzing naar de schadestaatprocedure op basis van enkel de onrechtmatige deelname door Kone aan de Inbreuk en de vaststelling dat een claimhouder tijdens de inbreukperiode ten minste één overeenkomst heeft gesloten met betrekking tot de installatie of afname van minimaal één product of dienst van een van de inbreukplegers in strijd is met de goede procesorde. Zonder dat door SECC (voldoende gemotiveerd) is gesteld welke transacties de achterliggende partijen zijn aangegaan waarop de Inbreuk betrekking had, kan Kone zich immers niet behoorlijk tegen de door SECC ingestelde vorderingen verweren, terwijl bovendien niet valt in te zien waarom SECC deze feiten niet in deze fase van de procedure zou kunnen stellen (en later in de schadestaatprocedure wel).7. Het hof heeft ook artikel 24 Rv geschonden en/althans zijn oordelen onvoldoende gemotiveerd door het beroep van Kone op de goede procesorde niet (kenbaar) in de beoordeling te betrekken.
2.8.
De oordelen van het hof in rov. 6.9, 6.60, 6.69, 6.73, 6.76, 6.78, 6.81 t/m 6.84, 6.90, 6.95, 6.96, 6.98, 6.102, 6.105. 6.108, 6.112–6.115, 6.120, 6.129, 7.1 en het dictum bouwen voort op met voorgaande subonderdelen bestreden oordelen van het hof. Indien een of meer klachten tegen deze oordelen slagen, kunnen de oordelen in rov. 6.9, 6.60, 6.69, 6.73, 6.76, 6.78, 6.81 t/m 6.84, 6.90, 6.95, 6.96, 6.98, 6.102, 6.105. 6.108, 6.112–6.115, 6.120, 6.129, 7.1 en het dictum evenmin in stand blijven.
3. Beoordeling van Kone's doorberekeningsverweer
3.1.
Het hof oordeelt in rov. 6.112 dat het doorberekeningsverweer slechts een beletsel vormt voor verwijzing naar de schadestaatprocedure als op voorhand zou moeten worden aangenomen dat mogelijke prijsverhogingen als gevolg van de Inbreuk integraal zijn doorberekend. Dit oordeel geeft blijk van de toepassing van een onjuiste want te strenge maatstaf voor de beoordeling van een doorberekeningsverweer in de hoofdprocedure. Het hof miskent dat een doorberekeningsverweer aan verwijzing naar de schadestaatprocedure in de weg kan staan indien op basis van door partijen ingenomen stellingen aannemelijk is dat de mogelijke prijsverhogingen als gevolg van de Inbreuk zijn doorberekend.
4. Geen hoofdelijke aansprakelijkheid op grond van artikel 6:166 BW
4.1.
Het hof oordeelt in rov. 6.120 dat is voldaan aan de vereisten van artikel 6:166 BW. Dit oordeelt getuigt van een onjuiste rechtsopvatting indien het hof miskent dat voor aansprakelijkheid op grond van artikel 6:166 BW sprake moet zijn schade die het gevolg is van een onrechtmatige daad van één van de tot de groep behorende personen. Ook voor aansprakelijkheid op grond van artikel 6:166 BW moet (dus) voldaan zijn aan de vereisten voor aansprakelijkheid op grond van onrechtmatige daad. Voor zover het hof dit ook reeds miskent met zijn oordeel in rov. 6.50 dat de grondslag voor aansprakelijkheid is gelegen in de deelname aan de Inbreuk, is ook dit oordeel onjuist.
4.2.
Het oordeel in rov. 6.129 bouwt voort op het met het vorige subonderdeel bestreden oordeel. Indien een of meer klachten tegen dit oordeel slagen, kan het oordeel in rov. 6.129 dus evenmin in stand blijven.
5. Vorderingen SECC na eisvermindering onvoldoende concreet en bepaalbaar
5.1.
Het hof verwerpt in rov. 6.129 grief XI van Kone die ertoe strekt dat de vorderingen van SECC als gevolg van de eisvermindering van SECC onvoldoende concreet en bepaalbaar zijn om voor toewijzing in aanmerking te komen. Volgens het hof is deze grief gebaseerd op het onjuiste uitgangspunt dat de aansprakelijkheid van de liftfabrikanten berust op de ad hoc verdeling van afzonderlijke projecten. Het hof vervolgt dat de aansprakelijkheid van Kone voortvloeit uit de onrechtmatige deelname aan de Inbreuk en dat Kone dus hoofdelijk aansprakelijk is voor de door de Inbreuk veroorzaakte schade. Daarom is de eisvermindering volgens het hof niet van belang voor de grondslag van de aansprakelijkheid van Kone, maar voor de omvang van de schadevergoeding waarop SECC jegens Kone aanspraak kan maken. Dit oordeel is onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd gelet op stellingen die Kone aan grief XI ten grondslag heeft gelegd.8. Kone heeft aangevoerd dat de door SECC gevorderde verklaringen voor recht na de eisvermindering onvoldoende concreet en bepaalbaar zijn, omdat SECC de voor recht te verklaren aansprakelijkheid van Kone heeft verminderd met het deel waarvoor ThyssenKrupp in verhouding tot Kone draagplichtig zou zijn en SECC over die interne draagplicht niets heeft gesteld.9. De eisvermindering raakt de omvang van de aansprakelijkheid, niet slechts de schadebegroting, en dient dus in de hoofdprocedure te worden vastgesteld.10. Om dit te illustreren, heeft Kone vervolgens voorbeelden gegeven van manieren waarop de interne draagplicht kan worden vastgesteld, uitgaande van het ad hoc karakter van de Inbreuk.11. 's Hofs oordeel dat grief XI van Kone berust op de ad hoc verdeling van afzonderlijke projecten geeft een onbegrijpelijke uitleg aan deze stellingen en ook de verdere overwegingen van het hof vormen geen voldoende (begrijpelijke) reactie op deze stellingen van Kone met de strekking dat de vorderingen van SECC als gevolg van de eisvermindering onvoldoende concreet en bepaalbaar zijn om te worden toegewezen.
Conclusie
Kone vordert op grond van dit middel de vernietiging van het arrest, met zodanige verdere beslissing, mede ten aanzien van de kosten, als de Hoge Raad juist zal achten, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van betaling tot de dag van terugbetaling. Kone vordert voorts dat de toe te wijzen proceskostenvergoeding wordt vermeerderd met de wettelijke rente daarover, te rekenen vanaf veertien dagen na de datum van het arrest van de Hoge Raad.
Advocaten
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 23‑04‑2025
MvG Kone § 2.8. Zie ook CvA § 8.9 – 8.21.
MvG Kone § 2.3(ii). Zie ook CvA § 8.9 – 8.21.
MvA Kone § 3.15 onder verwijzing naar productie 25; Plta II Kone § 1.10.
MvA Kone § 3.15 onder verwijzing naar productie 25; Plta II Kone § 1.10.
MvG Kone § 4.1 – 4.3 en 4.16. Zie ook MvA Kone § 1.3 en 3.5; Plta II § 3.9.
MvG Kone § 4.16. Zie ook MvA Kone § 1.3.
MvG Kone § 4.20–4.21; zie ook MvA Kone § 1.3 en § 3.19.
MvG Kone § 7. Zie ook MvA Kone § 1.3.
MvG Kone § 7.7, 7.10–7.11; zie ook MvA Kone § 1.3 en Plta II § 3.10.
MvG Kone § 7.9
MvG Kone § 7.8.
Beroepschrift 23‑04‑2024
PROCESINLEIDING VORDERINGSPROCEDURE BIJ DE HOGE RAAD
Eiseres,
STICHTING ELEVATOR CARTEL CLAIM, gevestigd te Den Haag, in deze cassatieprocedure vertegenwoordigd door de advocaten bij de Hoge Raad mrs. P.A. Fruytier en H. Boom (BarentsKrans Coöperatief U.A.), kantoorhoudende te (2514 EA) Den Haag aan het Lange Voorhout 3, hierna SECC,
stelt cassatieberoep in tegen het op 23 januari 2024 door het hof Den Haag onder zaaknummer 200.304.621 en 200.304.673 gewezen arrest.
Verweerders zijn:
- 1.
KONE B.V., gevestigd te Voorburg, en
- 2.
KONE OYJ, gevestigd te Espoo (Finland),
in deze zaak in de vorige instantie laatstelijk woonplaats gekozen hebbende ten kantore van de door hen laatstelijk vertegenwoordigende advocaat mr. J.M. Luycks (Clifford Chance LLP), kantoorhoudende te (1013 GE) Amsterdam aan de Droogbak 1a, hierna: Kone,
Verweerders kunnen in deze cassatieprocedure ten laatste verschijnen op 20 juni 2024.
De enkelvoudige civiele kamer van de Hoge Raad behandelt de zaken, vermeld op het in artikel 15 van het Besluit orde van dienst gerechten bedoelde overzicht van zaken, op de vrijdagen die worden genoemd in hoofdstuk 1 van het Procesreglement Hoge Raad der Nederlanden om 10:00 uur. De behandeling vindt plaats in het gebouw van de Hoge Raad aan het Korte Voorhout 8 te Den Haag.
Eiseres voert tegen het aangevallen arrest aan het navolgende
Middel van cassatie
Schending van het recht en/of verzuim van op straffe van nietigheid in acht te nemen vormen, doordat het hof heeft overwogen en beslist als is vervat in het ten deze bestreden arrest, zulks ten onrechte om één of meer van de navolgende, mede in onderlinge samenhang te lezen redenen:
Inleiding
1
Deze zaak heeft betrekking op civiele schadevergoedingsvorderingen van een groot aantal benadeelden van het Europese kartel met betrekking tot de installatie en het onderhoud van liften en roltrappen zoals vastgesteld door de Europese Commissie (hierna: de Commissie). Niet alleen Kone, maar ook vier andere grote lift- en roltrapfabrikanten, te weten Otis, Schindler, ThyssenKrupp en Mitsubishi Elevator Europe maakten onderdeel uit van de groep karteldeelnemers die door de Commissie zijn beboet. Bij beschikking van 21 februari 2007 (hierna: de Beschikking) heeft de Commissie in totaal een boete van EUR 992 miljoen aan voornoemde fabrikanten opgelegd wegens overtreding van het kartelverbod van artikel 81 EG-verdrag/101 VWEU. Deze beschikking is definitief geworden na het arrest van het Hof van Justitie EU (HvJ EU) van 24 oktober 2013.1.
2
In Nederland heeft het kartel geduurd van 15 april 1998 tot 5 maart 2004. Kone heeft in Nederland deelgenomen aan het kartel van 1 juni 1999 tot 5 maart 2004.
3
SECC heeft op grond van cessieovereenkomsten, gesloten met een groot aantal gedupeerden van dit kartel, vorderingen tegen Kone ingesteld voor de Nederlandse rechter.
4
Het hof heeft in het bestreden arrest met betrekking tot 23 gedupeerden voor recht verklaard dat Kone in strijd heeft gehandeld met artikel 81 EG-verdrag/artikel 101 VWEU en dat zij hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de door de gedupeerden geleden schade.
5
Het hof heeft met betrekking tot een veertiental gedupeerden overwogen dat de door SECC ingestelde vorderingen zijn verjaard (zie rov. 6.17–6.35 van het bestreden arrest). Bovendien heeft het hof met betrekking tot een aantal andere gedupeerden overwogen dat de mogelijkheid van schade onvoldoende aannemelijk is geworden, zodat de vordering van SECC in zoverre moet worden afgewezen (zie rov. 6.36–6.108). Tot slot heeft het hof geoordeeld dat Kone niet hoofdelijk aansprakelijk kan worden geacht over de gehele inbreukperiode, maar slechts vanaf het moment dat zij is gaan deelnemen aan het kartel, dus vanaf 1 juni 1999 (rov. 6.116–6.124).
6
Deze voor SECC ongunstige oordelen bevatten verschillende fundamentele juridische onjuistheden en motiveringsgebreken, die SECC in haar hierna volgende cassatieklachten aan de orde zal stellen.
I. Klachten tegen het verjaringsoordeel van het Hof
I.1. Het hof miskent in rov. 6.25–6.28 dat een nationale verjaringsregel qua uitkomst verenigbaar moet zijn met de Kartelschaderichtlijn
In rov. 6.25–6.28 overweegt het hof dat het artikel 3:310 BW en artikel 3:316 BW als uitgangspunt neemt voor de beoordeling van de verjaring. Het hof oordeelt — samengevat — als volgt.
Toepassing van de Kartelschaderichtlijn is volgens het hof niet in overeenstemming met de bedoeling van de Uniewetgever omdat de Kartelschaderichtlijn eerst op 27 december 2016 in werking is getreden, terwijl de relevante feiten voor de beoordeling van verjaring in deze zaak zich alle vóór 27 december 2016 hebben afgespeeld. Dit terwijl artikel 6:193s BW, dat de verjaringsregeling uit de Kartelschaderichtlijn interpreteert, niet van toepassing is op zaken die vóór 26 december 2014 bij de rechter aanhangig zijn gemaakt. De dagvaardingen in deze zaak zijn alle vóór 26 december 2014 uitgebracht. Toepassing van de regeling van de verjaring in de Kartelschaderichtlijn in deze zaak is dus niet in overeenstemming met de bedoelingen van de Uniewetgever. Volgens het hof is richtlijnconforme interpretatie van de algemene verjaringsregel van artikel 3:310 lid 1 BW reeds daarom niet aan de orde (rov. 6.26).
Volgens het hof komt daarbij dat voor de verlenging van de verjaringstermijn op grond van artikel 10 lid 4 van de Kartelschaderichtlijn geen aanknopingspunt bestaat in het Nederlandse recht vóór de implementatie van de richtlijn. Toepassing van deze verlenging zou neerkomen op een uitleg contra legem van artikel 3:310 BW. Daarin verschilt deze zaak van de zaak TenneT/ABB. Voor het doorberekeningsverweer waar het in die zaak om ging waren reeds vergelijkbare grondslagen in de Nederlandse wetgeving aanwezig. Ten slotte kan SECC zich niet beroepen op het arrest van het HvJ EU in de zaak Cogeco. De Nederlandse verjaringsregels die van kracht waren vóór de implementatie van de Kartelschaderichtlijn zijn aanzienlijk minder streng dan de Portugese verjaringsregels die in die zaak aan de orde waren. Van de Nederlandse verjaringsregels kan niet worden gezegd dat zij de uitoefening van het recht op schadevergoeding wegens inbreuken op het mededingingsrecht onmogelijk of uiterst moeilijk maken (rov. 6.27).
In rov. 6.28–6.31 komt het hof tot de conclusie dat de vijfjarige verjaringstermijn van artikel 3:310 lid 1 BW ofwel aanvangt op de datum waarop de openbare versie van de Beschikking op de website van de Commissie verscheen (4 maart 2008), dan wel op het moment dat de bekendmaking van de samenvatting van de Beschikking in het publicatieblad van de EU is verschenen (26 maart 2008).
I.1.1
In de eerste plaats is het oordeel van het hof in rov. 6.26, dat richtlijnconforme interpretatie in deze zaak niet aan de orde zou kunnen zijn, rechtens onjuist. Het feit dat de Kartelschaderichtlijn en artikel 6:193s e.v. BW temporeel niet van toepassing zijn in deze procedure laat onverlet dat het beoordelingskader op grond van het Nederlandse recht — met inachtneming van het Unierechtelijke gelijkwaardigheidsbeginsel en het doeltreffendheidsbeginsel — zo moet worden uitgelegd dat het leidt tot uitkomsten die verenigbaar zijn met de Kartelschaderichtlijn en de betreffende Nederlandse implementatiewetgeving.2.
I.1.2
Meer in het bijzonder ziet het hof er in rov. 6.26–6.27 aan voorbij dat richtlijnconforme interpretatie van artikel 3:310 lid 1 BW niet slechts zou kunnen bestaan in een verlenging van de verjaringstermijn in het voetspoor van artikel 10 lid 4 Kartelschaderichtlijn. Vereist is dat het hof het Nederlandse verjaringsrecht — met inachtneming van het Unierechtelijke gelijkwaardigheids- en doeltreffendheidsbeginsel — zo dient uit te leggen dat wordt gekomen tot uitkomsten die verenigbaar zijn met de Kartelschaderichtlijn. Een dergelijke uitleg wordt niet alleen bereikt door binnen artikel 3:310 lid 1 BW een verlengingsgrond aan te nemen, maar ook door artikel 3:310 BW zo uit te leggen dat een benadeelde van een kartel pas daadwerkelijk in staat kan worden geacht om een rechtsvordering in te stellen tegen een inbreukpleger, en dus voldaan is aan het criterium van bekendheid met de schade en de daarvoor aansprakelijke persoon, nadat de beschikking van de Europese Commissie definitief is geworden. De verjaringstermijn van artikel 3:310 lid 1 BW neemt dan dus pas een aanvang nadat de beschikking van de Europese Commissie definitief is geworden, zoals SECC heeft bepleit.3. Er is dan geen sprake van de door het hof niet mogelijk geachte verlenging. Het oordeel van het hof is dus onjuist, omdat het heeft miskend dat richtlijnconforme interpretatie van artikel 3:310 lid 1 BW, althans een uitleg van artikel 3:310 lid 1 BW die leidt tot uitkomsten die verenigbaar zijn met de Kartelschaderichtlijn, slechts zou kunnen bestaan in een verlenging van deze verjaringstermijn. Om die reden concludeert het hof bovendien ten onrechte dat deze zaak zou verschillen van TenneT/ABB, omdat, net als in Tennet/ABB, wel degelijk grondslagen in de Nederlandse wetgeving aanwezig zijn voor een interpretatie van het betreffende Nederlandse recht die verenigbaar is met de betreffende Europese richtlijn (de Kartelschaderichtlijn). Ook in dit opzicht is het oordeel van het hof dus rechtens onjuist.
1.1.3
Het slagen van (één van) de voorgaande klacht(en) tast ook de daaropvolgende voortbouwende overwegingen van het hof in rov. 6.29 aan, nu het hof daarin tot uitdrukking brengt dat een uitleg van artikel 3:310 lid 1 BW conform de Kartelschaderichtlijn niet aan de orde is zodat de stelling van SECC dat de verjaringstermijn van artikel 3:310 lid 1 BW pas is gaan lopen na het arrest van het HvJ EU van 24 oktober 2013 strandt, alsmede de overwegingen van het hof in rov. 6.30–6.31.
I.2. Het hof miskent dat de vijfjarige verjaringstermijn van artikel 3:310 lid 1 BW pas een aanvang neemt op de dag na die waarop de benadeelde daadwerkelijk bekend is met zijn schade en de daarvoor aansprakelijke persoon (rov. 6.28–6.31)
In rov. 6.28 overweegt het hof dat het artikel 3:310 BW en artikel 3:316 BW tot uitgangspunt neemt voor de beoordeling van de verjaring. In deze zaak gaat het volgens het hof met name om de bepaling dat een rechtsvordering tot vergoeding van schade verjaart door verloop van vijf jaar na aanvang van de dag, volgende op die waarop de benadeelde zowel met de schade als met de daarvoor aansprakelijke persoon bekend is geworden.
Vervolgens overweegt het hof in rov. 6.29 dat het verweer van SECC dat de verjaringstermijn van artikel 3:310 lid 1 BW pas is gaan lopen na het arrest van het Hof van justitie van de EU van 24 oktober 2013 in de beroepsprocedure tegen de Beschikking faalt, omdat een uitleg van deze wetsbepaling conform de Kartelschaderichtlijn niet aan de orde is, zoals uiteengezet in rov. 6.25–6.27. Het hof volgt SECC wel in haar stelling dat het persbericht onvoldoende aanknopingspunten bevatte voor het instellen van een vordering tot schadevergoeding, omdat daarin nog niet de inbreukperiode per lidstaat en per karteldeelnemer was vermeld. Die informatie was wel opgenomen in de Beschikking en in de samenvatting daarvan. Op het moment van de plaatsing van de openbare versie van de Beschikking op de website van de Commissie (op 4 maart 2008) dan wel op het moment van de bekendmaking van de samenvatting van de beschikking (op 26 maart 2008) beschikten de benadeelden over voldoende informatie om daadwerkelijk een vordering tot vergoeding van de door hen geleden schade in te stellen. Volgens het hof kan in het midden blijven op welk van deze twee momenten de verjaring een aanvang heeft genomen omdat dat voor de beoordeling geen verschil maakt.
I.2.1
Het oordeel van het hof in rov. 6.29 is rechtens onjuist, omdat het hof miskent dat op grond van vaste rechtspraak van Uw Raad voor de aanvang van de subjectieve verjaringstermijn van artikel 3:310 lid 1 BW daadwerkelijke bekendheid van de benadeelde is vereist met zowel zijn schade als de daarvoor aansprakelijke persoon.4. In dat verband kan niet worden aangenomen, zoals het hof doet, dat de enkele plaatsing van de openbare versie van de Beschikking op de website van de Commissie (op 4 maart 2008) dan wel het moment van de bekendmaking van de samenvatting van de Beschikking in het Publicatieblad (op 26 maart 2008) daadwerkelijke bekendheid van de benadeelden met die beschikking oplevert. Althans is het oordeel van het hof onbegrijpelijk/onvoldoende gemotiveerd, nu het hof geen inzicht biedt in zijn gedachtegang waarom de enkele beschikbaarheid van de Beschikking op de website van de Commissie dan wel de beschikbaarheid van samenvatting van de Beschikking in het Publicatieblad daadwerkelijke bekendheid met die beschikking bij de benadeelden oplevert. Die motivering was wel vereist, omdat uit die omstandigheden nog niet volgt dat de claimanten/benadeelden van die publicaties kennis hebben genomen en aldus bekend zijn geraakt met de inhoud van de (samenvatting van) de Beschikking.
I.2.2
Bovendien is het oordeel van het hof in rov. 6.29 onjuist, omdat op basis van de enkele beschikbaarheid van de Beschikking en/of de samenvatting daarvan niet zonder meer kan worden aangenomen, zoals het hof kennelijk doet, dat de benadeelden daadwerkelijk bekend zijn met hun schade en de daarvoor aansprakelijke persoon. Het hof miskent in dit verband dat de rechter moet beoordelen of de benadeelde daadwerkelijk bekend is met de feiten en omstandigheden die betrekking hebben op de schade, dus dat nadeel wordt geleden als gevolg van foutief handelen van een derde,5. en wat de identiteit van die derde is. De enkele beschikbaarheid van de (samenvatting van de) Beschikking van de Commissie op de website van de Commissie resp. het publicatieblad van de EU levert als zodanig nog geen daadwerkelijke bekendheid op met het feit dat de benadeelde schade heeft geleden waarvoor hij (één van) de kartellisten kan aanspreken. Daarvoor zal de benadeelde eerst (intern) moeten onderzoeken of hij concreet is benadeeld als gevolg van het foutieve handelen zoals dat blijkt uit de Beschikking van de Commissie (bijvoorbeeld omdat hij liften of daarop betrekking hebbende diensten heeft afgenomen, bovendien tegen een hogere prijs dan zou hebben gegolden zonder het kartel). Niet voor niets wordt in de rechtspraak van het HvJ EU en de Kartelschaderichtlijn tot uitgangspunt genomen dat het instellen van vorderingen tot vergoeding van schade wegens schending van het mededingingsrecht complexe feitelijke en economische analyses vergt, zoals SECC ook heeft bepleit.6. Het hof heeft dit een en ander miskend. In ieder geval is zijn oordeel onbegrijpelijk, omdat het hof geen inzicht biedt in zijn gedachtegang waarom de benadeelden op grond van de enkele beschikbaarheid van de Beschikking en/of de samenvatting daarvan daadwerkelijk bekend zijn met het feit dat zij schade hebben geleden als gevolg van het handelen van één van de ondernemingen die in de Beschikking en/of samenvatting als inbreukpleger is aangemerkt.
I.2.3
In ieder geval is het oordeel van het hof onjuist omdat het, met zijn overweging dat de enkele beschikbaarheid van de Beschikking en/of de Samenvatting daadwerkelijke bekendheid van de benadeelde met de Beschikking en daarmee de schade en de daarvoor aansprakelijke persoon oplevert, ten onrechte veronderstelt dat van benadeelden kan worden verlangd dat zij eigener beweging onderzoeken of de Commissie een Beschikking zal geven of heeft gegeven en is gepubliceerd. Een dergelijke onderzoeksplicht verdraagt zich niet met het subjectieve karakter van de vijfjarige verjaringstermijn van artikel 3:310 lid 1 BW, waaruit nu juist voortvloeit dat in beginsel geen onderzoeksplicht op de benadeelde rust.7. In dit verband is van belang dat benadeelden in de regel geen aanleiding zullen hebben om te veronderstellen dat, zoals in dit geval, de leverancier en/of onderhoudspleger van hun lift of roltrap onderdeel was van een verboden kartel. Een kartel pleegt immers heimelijk te worden gevormd. Althans is het oordeel van het hof onbegrijpelijk, omdat het geen inzicht biedt in zijn gedachtegang waarom (kennelijk) van benadeelden mag worden verwacht dat zij eigener beweging onderzoeken of de Commissie op enig moment een voor hen relevante Beschikking zal geven of is gegeven en (de samenvatting daarvan) is gepubliceerd.
I.2.4
Het slagen van (één van) de voorgaande klacht(en) tast ook het oordeel van het hof in rov. 6.30–6.31 aan.
In rov. 6.30 overweegt het hof dat het niet noodzakelijk is om voor iedere claimhouder na te gaan wanneer deze bekend was geworden met de schade en de daarvoor aansprakelijke persoon. De op grond van artikel 3:310 BW vereiste bekendheid met de schade en de daarvoor aansprakelijke persoon kan volgens het hof worden aangenomen op grond van de beschikbaarheid van de informatie in de Beschikking, tenzij SECC aantoont dat een claimhouder ondanks de beschikbaarheid van die informatie niet bekend was met de schade en de daarvoor aansprakelijke persoon. Het verweer van SECC dat het instellen van vorderingen tot vergoeding van schade wegens een schending van het mededingingsrecht complexe feitelijke en economische analyses vereist, is daarvoor volgens het hof niet genoeg. De aanvang van de verjaring kan immers niet afhankelijk worden gemaakt van het tijdstip waarop de benadeelde een juiste beoordeling heeft gemaakt van de beschikbare informatie (vgl. het arrest van de Hoge raad van 4 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:677). Het gaat erom dat benadeelden de benodigde kennis en het benodigde inzicht hadden om de gemaakte afspraken te beoordelen (vgl. het arrest van de Hoge Raad van 12 januari 2024, ECLI:NL:HR:2024:19). Die benodigde kennis en inzicht konden de claimhouders ontlenen aan de (samenvatting van de) Beschikking. Andere feiten of omstandigheden waaruit kan worden afgeleid dat individuele claimhouders ondanks de publicatie van de (samenvatting van de) Beschikking over onvoldoende informatie beschikten om een vordering in te stellen, heeft SECC niet aangevoerd.
I.2.5
Dit oordeel is rechtens onjuist, omdat het hof de stelplicht- en bewijslastverdeling in het kader van een beroep op verjaring door een aangesproken partij miskent door te overwegen dat het niet noodzakelijk is om voor iedere individuele claimhouder na te gaan wanneer deze bekend was met de schade en de daarvoor aansprakelijke persoon en de vereiste bekendheid met de schade en de daarvoor aansprakelijke persoon kan worden afgeleid uit ‘de relevante feiten en omstandigheden’. De stelplicht en bewijslast ten aanzien van de stelling dat, en zo ja wanneer de benadeelde bekend raakte met zijn schade en de daarvoor aansprakelijke persoon, rust op de partij die een beroep op verjaring doet (in dit geval Kone).8. Het vereiste dat sprake moet zijn van een daadwerkelijke bekendheid van de benadeelde met zijn schade en de daarvoor aansprakelijke persoon brengt mee dat Kone voor iedere individuele claimhouder moeten stellen en bewijzen dat en wanneer zij met hun schade en Kone als daarvoor als aansprakelijke persoon bekend zijn geraakt. Aangezien Kone slechts op algemeen niveau hebben betoogd dat sprake zou zijn van verjaring en niet op het niveau van de individuele claimhouders hebben gesteld dat en wanneer zij bekend zijn geworden met hun schade en de daarvoor aansprakelijke persoon, had het hof geen andere keuze dan het verjaringsberoep van Kone, mede in het licht van de gemotiveerde betwistingen van SECC in dit verband,9. van de hand te wijzen.
I.2.6
Het hof heeft de stelplicht- en bewijslastverdeling in ieder geval miskend door in rov. 6.30 te overwegen dat de op grond van artikel 3:310 lid 1 BW vereiste bekendheid met de schade en de daarvoor aansprakelijke persoon kan worden afgeleid uit de relevante feiten en omstandigheden, behoudens door benadeelde te leveren tegenbewijs en dat de vereiste bekendheid dus kan worden aangenomen op grond van de beschikbaarheid van de informatie in de (samenvatting van) de Beschikking, tenzij SECC ‘aantoont’ dat een claimhouder ondanks de beschikbaarheid van die informatie niet bekend was met de schade en de daarvoor aansprakelijke persoon. Het hof miskent dat de stelplicht en bewijslast van omstandigheden op basis waarvan de benadeelde bekend was met zijn schade en de daarvoor aansprakelijke persoon blijven rusten op de laedens en dat de benadeelde niet het tegendeel hoeft te bewijzen. In ieder geval stelt het hof aldus te hoge eisen aan het tegenbewijs, omdat dat niet zover gaat dat de onbekendheid met de schade en aansprakelijke persoon moet worden aangetoond.
Het hof miskent voorts dat het gegeven dat de Beschikking op de website van de Commissie is gepubliceerd en een samenvatting in het publicatieblad van de EU is gepubliceerd nog niet tot het (bewijs)vermoeden kan leiden dat afnemers van liften/claimanten bekend zijn met de inhoud daarvan respectievelijk met hun schade en de daarvoor aansprakelijke persoon. Die conclusie volgt immers niet voorshands uit die omstandigheden, nu (i) niet kan worden verondersteld dat een afnemer/claimant direct kennisneemt van het publicatieblad van de EU en/of berichten op de website van de Commissie, (ii) daaruit nog niet kan worden afgeleid dat partijen bekend zijn met hun schade waarvoor zij een partij kunnen aanspreken die in deze publicaties is genoemd, en (iii) daaruit niet kan worden afgeleid dat de relevante partijen hebben onderzocht of zij concreet schade hebben geleden als gevolg van het daarin bekendgemaakte kartel, bijvoorbeeld omdat zij een lift of daarop betrekking hebbende dienst hebben afgenomen — tegen een hogere prijs dan zou hebben gegolden zonder het kartel.
I.2.7
Bovendien rust het oordeel van het hof op een onjuiste rechtsopvatting voor zover het overweegt dat de aanvang van de verjaring niet afhankelijk kan worden gemaakt van het tijdstip waarop de benadeelde een juiste beoordeling heeft gemaakt van de beschikbare informatie,10. maar dat het erom gaat dat benadeelden de benodigde kennis en het inzicht hadden om de gemaakte afspraken te beoordelen11. en dat daarom het verweer van SECC dat het instellen van vorderingen tot vergoeding van schade wegens een schending van het mededingingsrecht complexe feitelijke en economische analyses vereist van de hand moet worden gewezen. Het hof miskent in dit verband wederom dat de rechter moet beoordelen of de benadeelde daadwerkelijk bekend is met de feiten en omstandigheden die betrekking hebben op de schade, dus dat nadeel wordt geleden als gevolg van foutief handelen van een derde.12. De enkele beschikbaarheid van de Beschikking van de Commissie levert als zodanig nog geen daadwerkelijke bekendheid op met het feit dat de benadeelde schade heeft geleden waarvoor hij (één van) de kartellisten kan aanspreken. Daarvoor zal de benadeelde eerst (intern) moeten onderzoeken of hij concreet is benadeeld als gevolg van het foutieve handelen zoals dat blijkt uit de Beschikking van de Commissie. Niet voor niets wordt in de rechtspraak van het HvJ EU en de Kartelschaderichtlijn tot uitgangspunt genomen dat het instellen van vorderingen tot vergoeding van schade wegens schending van het mededingingsrecht complexe feitelijke en economische analyses vergt, zoals SECC ook heeft bepleit.13. Althans is het oordeel van het hof onbegrijpelijk, nu het geen inzicht biedt in zijn gedachtegang waarom de individuele claimhouders de benodigde kennis en het inzicht ten aanzien van de door hen geleden schade reeds konden ontlenen aan de (samenvatting van de) Beschikking.
I.2.8
Het slagen van (één van) de voorgaande klacht(en) tast ook de oordeelsvorming van het hof in rov. 6.31 aan.
In rov. 6.31 overweegt het hof ten overvloede dat SECC namens de eerste groep benadeelden heeft gedagvaard op 30 december 2010. Die groep benadeelden was toen dus wel bekend met de schade en de daarvoor aansprakelijke ondernemingen. Tegen die achtergrond kan van SECC worden verlangd dat zij aangeeft waarom andere benadeelden toen (nog) niet over deze kennis beschikten. Dat heeft SECC niet gedaan.
I.2.9
Dit oordeel is in de eerste plaats rechtens onjuist, omdat het hof opnieuw miskent dat voor het aannemen van verjaring op grond van artikel 3:310 lid 1 BW een daadwerkelijke, subjectieve bekendheid met de schade en de daarvoor aansprakelijke persoon aan de zijde van de benadeelde is vereist. In dat verband kan niet worden aangenomen, zoals het hof doet, dat de bekendheid met de schade en de daarvoor aansprakelijke persoon van de ene groep benadeelden met zich brengt dat van de eiseres in een procedure kan worden verlangd dat zij aangeeft waarom andere, daarvan losstaande benadeelden, toen niet over deze kennis beschikten. In ieder geval kan op grond van het gegeven dat door een stichting namens een bepaalde partij/bepaalde partijen is gedagvaard niet het voorshandse oordeel dragen dat ook andere partijen, die niet bij die dagvaarding zijn betrokken ten tijde van het uitbrengen daarvan ook reeds bekend waren met de schade en de daarvoor aansprakelijke persoon. Het dagvaarden namens die partijen zegt immers als zodanig niets over de kennis van de andere partijen. Het gegeven dat de vorderingen van de benadeelden (door cessie) via een stichting wordt ingesteld, maar dat niet anders, nu die constructie al niets zegt over de kennis van de niet in die dagvaarding betrokken claimanten ten tijde van de dagvaarding. In ieder geval is dat oordeel onbegrijpelijk, omdat de bekendheid van de ene (groep) benadeelde(n) met de schade en de daarvoor aansprakelijke persoon als zodanig niets zegt over de eventuele bekendheid daarmee van een andere (groep) benadeelde(n). Evenmin is dat voldoende voor het voorshands aannemen van bekendheid van de betreffende benadeelde(n) met de schade en de aansprakelijke persoon, voor zover het hof in rov. 6.31 een dergelijk voorshands oordeel zou hebben gegeven. Tot slot is dit oordeel ontoereikend gemotiveerd, omdat het hof ten onrechte geen acht heeft geslagen op de essentiële stelling van SECC met de strekking dat het overgrote deel van de benadeelden pas geruime tijd na publicatie van de Beschikking met die Beschikking bekend raakten, nadat zij daarover door SECC waren geïnformeerd.14.
I.2.10
Het slagen van (één van) de voorgaande klacht(en) tast ook het oordeel van het hof in rov. 6.32 aan, dat er dus van kan worden uitgegaan dat de verjaringstermijn in maart 2008 is aangevangen en dat dat voldoende is voor de conclusie dat de vorderingen van de 14 claimhouders, opgesomd in rechtsoverweging 4.14 van het eindvonnis, zijn verjaard.
I.3. Het hof miskent in rov. 6.32–6.35 dat de vorderingen van 14 claimhouders tijdig zijn gestuit
In rov. 6.32 overweegt het hof dat ervan kan worden uitgegaan dat de verjaringstermijn in maart 2008 is aangevangen. Volgens het hof is dat voldoende voor de conclusie dat de vorderingen van de 14 claimhouders opgesomd in rov. 4.14 van het eindvonnis zijn verjaard. De rechtbank heeft verjaring van deze vorderingen immers aangenomen op grond van het feit dat de vorderingen van deze claimhouders niet zowel bij brief van 17 februari 2012 als bij brief van 13 februari 2017 zijn gestuit.
In rov. 6.33 verwerpt het hof de stelling van SECC dat een stuitingshandeling van een entiteit die deel uitmaakt van een groep, ook de verjaring stuit ten aanzien van andere entiteiten van dezelfde groep. Het recht op schadevergoeding wegens een inbreuk op het mededingingsrecht van de EU moet worden uitgeoefend volgens nationaal recht. Naar Nederlands recht komt een recht op schadevergoeding toe aan een (rechts)persoon, niet aan een economische eenheid als een ‘onderneming’ in de zin van het mededingingsrecht. Die (rechts)persoon zal, als hij verjaring van de vordering tot schadevergoeding wil voorkomen, de verjaring moeten stuiten. Een andere (rechts)persoon kan dat namens hem doen. Maar een (rechts)persoon kan niet, zonder uitdrukkelijk te vermelden namens welke (rechts)personen hij nog meer optreedt, de verjaring van vorderingen behorende aan andere (rechts)personen stuiten op grond van het feit dat beide (rechts)personen tot dezelfde economische eenheid behoren. Volgens het hof leiden de redelijkheid en billijkheid niet tot een ander oordeel. Het kan niet van een karteldeelnemer worden gevraagd dat hij na het verstrijken van de verjaringstermijn rekening blijft houden met schadevergoedingsvorderingen van alle rechtspersonen behorende tot eenzelfde economische eenheid vanwege een stuitingshandeling van één van hen. Vaak zal hij niet eens weten welke entiteiten deel uitmaken van een economische eenheid.
I.3.1
Deze oordelen zijn rechtens onjuist. Het hof miskent in rov. 6.32–6.33 dat een schadevergoedingsvordering wegens een inbreuk op het mededingingsrecht toekomt aan een onderneming als economische eenheid in de zin van het mededingingsrecht.15. In dat verband geldt dat het Unierechtelijke doeltreffendheidsbeginsel meebrengt dat een nationale regeling waarin wordt vastgelegd vanaf welke datum de verjaringstermijn gaat lopen en hoe lang en onder welke voorwaarden de schorsing of stuiting ervan plaatsvindt, afgestemd moet zijn op het specifieke karakter van het mededingingsrecht.16. Bijgevolg geldt een stuitingshandeling met betrekking tot een schadevergoedingsvordering wegens een inbreuk op het mededingingsrecht, uitgebracht door een (rechts)persoon die onderdeel vormt van een onderneming als economische eenheid, als een rechtsgeldige stuitingshandeling namens alle rechtspersonen die onderdeel uitmaken van die onderneming. Een dergelijke stuitingshandeling regardeert dus niet slechts de betreffende entiteit van de onderneming die de stuitingshandeling verricht. In ieder geval geldt in dit licht dat het hof te hoge eisen stelt aan de stuitingshandeling door daarvan te vereisen dat de rechtspersoon die de stuitingshandeling mede namens andere rechtspersonen verricht uitdrukkelijk vermeldt namens welke (rechts)persoon hij nog meer optreedt/de stuitingshandeling verricht.
I.3.2
Bovendien miskent het hof dat de vraag namens wie een stuitingshandeling is verricht, niet alleen afhangt van de formulering van de betreffende stuitingsmededeling, maar ook van de context waarin die mededeling wordt gedaan en van alle overige omstandigheden van het geval.17. Daartoe is onder meer relevant of de rechtspersonen onderdeel uitmaken van hetzelfde concern. Ook in dat licht stelt het hof te hoge eisen aan de stuitingshandeling door daarvan te vereisen dat de rechtspersoon die de stuitingshandeling mede namens andere rechtspersonen verricht uitdrukkelijk vermeldt namens welke (rechts)persoon hij nog meer optreedt/de stuitingshandeling verricht. Dat geldt temeer voor zover het stuitingshandelingen betreft die betrekking hebben op vorderingen namens (rechts)personen die tot hetzelfde concern behoren. Althans is het oordeel van het hof onbegrijpelijk, omdat hof niet inzichtelijk maakt waarom in dit concrete geval (desondanks) in de stuitingsmededeling uitdrukkelijk moet worden vermeld namens welke (rechtspersonen de schuldeiser nog meer optreedt/de stuitingshandeling verricht.
I.3.3
In ieder geval miskent het hof dat een stuitingshandeling op grond van vaste rechtspraak van Uw Raad kan worden toegerekend aan de gerechtigde en dat daarvoor niet is vereist, zoals het hof in rov. 6.33 ten onrechte veronderstelt, dat een (rechts)persoon slechts namens een andere (rechts)persoon een rechtsgeldige stuitingshandeling kan uitbrengen op het moment dat hij uitdrukkelijk vermeldt namens welke (rechts)persoon hij nog meer optreedt.18. In dat verband geldt dat toerekening dient plaats te vinden als de stuitingshandeling is verricht door een vennootschap binnen een concern, zoals bij de betreffende 14 claimhouders in deze zaak aan de orde is.19. In ieder geval is 's hofs oordeel onvoldoende gemotiveerd, omdat SECC erop heeft gewezen dat er bij de betreffende 14 claimhouders telkens sprake is van de situatie waarin door een concernvennootschap een stuitingshandeling is verricht die om die reden moet worden toegerekend aan het betreffende concern resp. aan de verschillende rechtspersonen die daarvan onderdeel uitmaken.20. Het hof was gehouden om op die essentiële stelling van SECC te responderen, omdat die stelling tot de conclusie noopt dat de stuitingshandelingen van de betreffende 14 claimhouders voor toerekening aan andere vennootschappen binnen het betreffende concern in aanmerking komen.
I.3.4
Het slagen van (één van) de voorgaande klacht(en) tast(en) ook de daaropvolgende voortbouwende oordelen van het hof aan, waaronder de oordelen in de volgende overwegingen:
- i.
rov. 6.34, waarin het hof overweegt dat de grieven van SECC tegen de overwegingen van de rechtbank met betrekking tot verjaring ongegrond zijn;
- ii.
rov. 6.35, met betrekking tot de vraag of de vorderingen van H&M Hennes & Mauritz Netherlands B.V. zijn verjaard;
- iii.
rov. 6.65, waarin het hof oordeelt dat de vorderingen van ASR Vastgoed Vermogensbeheer B.V., N.V. Amersfoortse Algemene Verzekering Maatschappij en ASR Dutch Core Residential Custodian B.V. zijn verjaard;
- iv.
rov. 6.70, waarin het hof oordeelt dat de vordering van Strukton Groep N.V. is verjaard en dat de facturen en andere stukken waaruit blijkt dat Strukton Groep N.V. producten of diensten heeft afgenomen niet als bewijs van mogelijke schade kan dienen zoals geleden door hun aandeelhouder Strukton Groep N.V.;
- v.
rov. 6.71, waarin het hof overweegt dat de vordering van SPF Beheer B.V. is verjaard;
- vi.
rov. 6.75, waarin het hof overweegt dat de vordering van Delta Lloyd Vastgoed Fonds Nederland B.V. en Delta Lloyd Vastgoed Participaties B.V. is verjaard;
- vii.
rov. 6.79, waarin het hof oordeelt dat de vordering van H&M Hennes & Mauritz B.V. zijn verjaard;
- viii.
rov. 6.80, waarin het hof oordeelt dat de vordering van Delftse Poort C.V. niet kan zijn gestuit door andere entiteiten binnen de CBRE groep waartoe Delftse Poort C.V. behoort en een entiteit behorende tot de ‘onderneming’ CBRE geen vergoeding kan vorderen van schade geleden door die ‘onderneming’;
- ix.
rov. 6.132, waarin het hof heeft geoordeeld dat geen gerechtvaardigd belang bestaat bij SECC's 843a-vordering voor zover het claimhouders betreft ten aanzien waarvan de vorderingen door het hof verjaard zijn geacht en waarin het hof heeft geoordeeld dat SECC niet kon volstaan met het vermelden van concerns, zodat niet voldoende is gespecificeerd welke rechtspersoon door de inbreuk is geraakt, gelet op het door het hof in rov. 6.53 overwogene (welk oordeel ook op grond van deze voortbouwklacht wordt aangetast, zie onder (iii) hiervoor).
II. Klachten met betrekking tot de vraag of het mededingingsrechtelijke ondernemingsbegrip ook van toepassing is op de schuldeiser van een kartelschadevordering
In rov. 6.33 verwerpt het hof de stelling van SECC dat een stuitingshandeling van een entiteit die deel uitmaakt van een groep, ook de verjaring stuit ten aanzien van andere entiteiten van dezelfde groep. Het recht op schadevergoeding wegens een inbreuk op het mededingingsrecht van de EU moet worden uitgeoefend volgens nationaal recht. Naar Nederlands recht komt een recht op schadevergoeding toe aan een (rechts)persoon, niet aan een economische eenheid als een ‘onderneming’ in de zin van het mededingingsrecht. Die (rechts)persoon zal, als hij verjaring van de vordering tot schadevergoeding wil voorkomen, de verjaring moeten stuiten. Een andere (rechts)persoon kan dat namens hem doen. Maar een (rechts)persoon kan niet, zonder uitdrukkelijk te vermelden namens welke (rechts)personen hij nog meer optreedt, de verjaring van vorderingen behorende aan andere (rechts)personen stuiten op grond van het feit dat beide (rechts)personen tot dezelfde economische eenheid behoren.
In rov. 6.53 overweegt het hof dat SECC evenmin kan worden gevolgd in haar stelling dat een recht op vergoeding van kartelschade toekomt aan ‘ondernemingen’ in de zin van het mededingingsrecht, en dat iedere entiteit behorende tot een onderneming dat recht voor de gehele onderneming geldend kan maken. Zoals het hof hiervoor heeft overwogen in verband met de verjaring van vorderingen van claimhouders, moet een recht op schadevergoeding wegens een inbreuk op het mededingingsrecht van de Europese Unie worden uitgeoefend volgens nationaal recht. Naar Nederlands recht komt een recht op schadevergoeding toe aan een (rechts)persoon, niet aan een economische eenheid als een ‘onderneming’ in de zin van het mededingingsrecht. Die (rechts)persoon zal, als hij de schadevergoeding in een schadestaatprocedure wil laten opmaken, eerst in de hoofdprocedure aannemelijk moeten maken dat hij mogelijk schade heeft geleden. Hij kan zijn vordering overdragen aan een andere (rechts)persoon. In dat geval zal de verkrijger van de vordering de mogelijkheid van schade aannemelijk moeten maken. Een (rechts)persoon kan echter niet zonder meer een vordering behorende aan een andere (rechts)persoon geldend maken op grond van het feit dat beide (rechts)personen tot dezelfde economische eenheid behoren. De rechtspraak van het Hof van justitie van de EU of de Kartelschaderichtlijn leiden niet tot een ander oordeel. Uit het Skanska-arrest volgt dat in de context van de vorderingen tot vergoeding van schade voor schending van de mededingingsregels van de Europese Unie uitgegaan moet worden van het begrip ‘onderneming’ in de zin van artikel 101 VWEU. In het Skanska-arrest gaat het echter om de aansprakelijkheid van de onderneming die inbreuk heeft gemaakt op het mededingingsrecht, niet om het recht op schadevergoeding van benadeelden. Overigens kunnen schadevergoedingsvorderingen ook niet tégen een onderneming in de zin van het mededingingsrecht worden gericht. Ook in die verhouding zal het recht op schadevergoeding moeten worden uitgeoefend jegens een (rechts)persoon.
II.1.1
Deze oordelen zijn rechtens onjuist. Het hof miskent dat een schadevergoedingsvordering wegens een inbreuk op het mededingingsrecht toekomt aan een onderneming als economische eenheid in de zin van het mededingingsrecht. Een schadevergoedingsvordering die is gebaseerd op een inbreuk op artikel 81 EG-Verdrag/101 VWEU verschilt fundamenteel van een normale civielrechtelijke schadevergoedingsvordering. Een dergelijke vordering steunt op een uit de volle werking van artikel 101 en 102 VWEU voortvloeiend recht dat niet alleen het herstel beoogt van de door de betrokkene gestelde rechtstreekse schade, maar ook dat van de indirecte schade die is toegebracht aan de structuur en werking van de markt. De markt heeft immers niet zijn volle economische werking kunnen ontplooien als gevolg van de inbreuk op, in dit geval, artikel 81 EG-Verdrag/101 VWEU.21. Vorderingen tot schadevergoeding gegrond op een schending van het Europees mededingingsrecht maken integraal deel uit van het stelsel van handhaving van die regels.22. De claimant die een kartelschadevordering instelt wordt vanuit het Unierecht dan ook gezien als een ‘verdediger’ of ‘handhaver’ van die belangen, en wordt daardoor in die belangen door het Unierecht beschermd.23. Die bescherming brengt mee dat een vordering gegrond op schending van het mededingingsrecht toekomt aan de gehele gedupeerde ‘onderneming’ in de zin van het mededingingsrecht, en dus aan iedere entiteit behorende tot die onderneming. Een procedure als deze wordt niet voor niets ‘privaatrechtelijke handhaving’ van het mededingingsrecht genoemd.24. Voor zover het hof in rov. 6.53-slotzin ten overvloede nog overweegt dat schadevergoedingsvorderingen ook niet tegen een onderneming in de zin van het mededingingsrecht kunnen worden gericht, miskent het hof dat dit niet afdoet aan het feit dat uit een schending van artikel 81 EG-Verdrag/101 VWEU een hoofdelijke aansprakelijkheid voortvloeit voor alle entiteiten die onderdeel uitmaken van de ‘onderneming’ in de zin van het mededingingsrecht.25.
II.1.2
Het slagen van de voorgaande klacht tast ook de daarop voortbouwende oordelen van het hof aan, waaronder de oordelen in de volgende rechtsoverwegingen:
- i.
rov. 6.80, waarin het hof oordeelt dat de vordering van Delftse Poort C.V. niet kan zijn gestuit door andere entiteiten binnen de CBRE groep waartoe Delftse Poort C.V. behoort en een entiteit behorende tot de ‘onderneming’ CBRE geen vergoeding kan vorderen van schade geleden door die ‘onderneming’;
- ii.
rov. 6.85, waarin het hof oordeelt dat de stelling van SECC dat de ‘onderneming’ NH Hotels schade heeft geleden afstuit op het oordeel van het hof in rov. 6.53 (welk oordeel ook op grond van deze voortbouwklacht wordt aangetast, zie onder (iii) hiervoor);
- iii.
rov. 6.88, waarin het hof oordeelt dat IKEA Services B.V. niet als onderdeel van de onderneming IKEA mogelijk schade kan hebben geleden, gelet op het door het hof in rov. 6.53 overwogene (welk oordeel ook op grond van deze voortbouwklacht wordt aangetast, zie onder (iii) hiervoor).
III. Klachten over de drempel voor verwijzing naar de schadestaatprocedure
In rov. 6.49 overweegt het hof dat voor een verwijzing naar de schadestaatprocedure (i) de grondslag voor aansprakelijkheid moet vaststaan; (ii) de mogelijkheid van schade aannemelijk moet zijn en (iii) de rechter niet reeds in de hoofdprocedure de schade moet kunnen begroten.
In rov. 6.50 overweegt het hof de grondslag voor aansprakelijkheid is komen vast te staan.
In rov. 6.51 overweegt het hof dat als tweede vereiste geldt dat aannemelijk moet zijn dat een claimhouder mogelijk schade heeft geleden als gevolg van het kartel. Het hof sluit zich aan bij het oordeel van de rechtbank dat aan dit vereiste is voldaan als een claimhouder tijdens de inbreukperiode ten minste één overeenkomst heeft gesloten met betrekking tot de installatie of afname van minimaal één product of dienst van een van de karteldeelnemers. Dat kan een overeenkomst zijn met een karteldeelnemer of een overeenkomst met een derde, waarbij een claimhouder indirect een product of dienst van een karteldeelnemer heeft afgenomen. In dat geval is de mogelijkheid dat die claimhouder schade heeft geleden als gevolg van het kartel immers aannemelijk, wat voldoende is voor de vestiging van aansprakelijkheid. In de schadestaatprocedure kan dan de omvang van de schade worden vastgesteld, waarbij ook andere schadeposten in aanmerking kunnen worden genomen.
Het hof oordeelt in rov. 6.51 voorts dat wel juist is de stelling van SECC dat zij in de hoofdprocedure met alle mogelijke middelen aannemelijk kan maken dat (mogelijk) schade is geleden alsmede dat de rechtbank dat niet heeft uitgesloten. Volgens het hof is in dit verband niet genoeg dat een claimhouder tijdens de inbreukperiode een liftinstallatie in eigendom of in gebruik had. Die liftinstallatie kan immers buiten de inbreukperiode zijn gekocht, afkomstig zijn van een ander dan een karteldeelnemer of door een ander dan een karteldeelnemer zijn onderhouden of gemoderniseerd. Het feit dat liftinstallaties regelmatig ‘in storing gaan’ en het feit dat onderdelen regelmatig moeten worden vervangen, maken dat niet anders. Andere ‘algemene feiten’ waaruit kan worden opgemaakt dat mogelijk schade is geleden heeft SECC niet aangevoerd, aldus het hof.
In rov. 6.60 concludeert het hof met de rechtbank dat als drempel voor verwijzing naar de schadestaatprocedure kan worden gehanteerd of een claimhouder tijdens de inbreukperiode ten minste één overeenkomst heeft gesloten met betrekking tot de installatie of afname van minimaal één product of dienst van een van de karteldeelnemers. De daartegen gerichte grieven van Kone en SECC falen.
In rov. 6.61–6.108 toetst het hof per individuele claimhouder of verwijzing naar de schadestaatprocedure aangewezen is.
III.1.1
Het oordeel van het hof in rov. 6.50, 6.51 en 6.60 is rechtens onjuist, omdat het hof uitgaat van een te hoge drempel voor verwijzing naar de schadestaatprocedure. Het hof miskent dat slechts in het geval van tevoren vaststaat dat de schadestaatprocedure niet tot toewijzing van enig schadebedrag kan leiden, aanleiding bestaat om de vordering in het hoofdgeding af te wijzen.26.
III.1.2
In ieder geval is het oordeel van het hof in rov. 6.51 en 6.60 onjuist, omdat het hof miskent dat voor verwijzing naar de schadestaatprocedure slechts is vereist dat de mogelijkheid van schade aannemelijk moet zijn.27. Dat is een zeer lage drempel, die al geacht moet worden te zijn gehaald wanneer feiten worden gesteld waaruit in het algemeen het geleden zijn van schade kan worden afgeleid. Dat geldt zelfs als de gestelde schadeposten worden betwist.28. Het staat de rechter in dat kader vrij om zonder bewijs aannemelijk te achten dat (mogelijk) schade is geleden en een schadestaatprocedure te bevelen.29. Op grond van het Nederlandse bewijsrecht geldt bovendien dat de rechter algemene ervaringsregels in acht mag nemen op basis waarvan kan worden aangenomen dat zich in het algemeen besproken bepaalde feiten kunnen voordoen.30. De rechter is daarbij niet beperkt tot feiten en omstandigheden die door ieder van de partijen voor het door haar ingeroepen rechtsgevolg zijn aangevoerd.31. Bij die stand van zaken heeft het hof in rov. 6.51 en 6.60 een te strenge toets gehanteerd door in zijn algemeenheid van SECC te eisen dat zij voor iedere claimhouder aannemelijk maakt dat die claimhouder tijdens de inbreukperiode ten minste één overeenkomst heeft gesloten met betrekking tot de installatie of afname van minimaal één product of dienst van een van de karteldeelnemers, en dat in dit verband niet genoeg is dat een claimhouder tijdens de inbreukperiode een liftinstallatie in eigendom of in gebruik had. De mogelijkheid van schade kan immers heel wel aannemelijk zijn zonder dat vast komt te staan dat de claimhouder ten minste één overeenkomst heeft gesloten met betrekking tot de installatie. Bovendien kan die mogelijkheid wel komen vast te staan op basis van het gegeven dat een claimhouder een liftinstallatie in eigendom of gebruik had. Het hof heeft zich bovendien ten onrechte beperkt tot een beoordeling van de stellingen van SECC met betrekking tot de vraag of per claimhouder ten minste één overeenkomst is gesloten met betrekking tot de installatie of afname van minimaal één product of dienst van een van de karteldeelnemers. Het hof had in plaats daarvan moeten onderzoeken of de mogelijkheid van schade aannemelijk is geworden op grond van algemenere ten processe gebleken feiten en omstandigheden.
III.1.3
Voor zover het hof heeft geoordeeld dat de aannemelijkheid van de mogelijkheid van schade niet kan worden afgeleid uit het gegeven dat een claimhouder tijdens de inbreukperiode een liftinstallatie in eigendom of in gebruik had, omdat die liftinstallatie ook buiten de inbreukperiode kan zijn gekocht, afkomstig kan zijn van een ander dan een karteldeelnemer of door een ander dan een karteldeelnemer zijn onderhouden of gemoderniseerd alsmede dat het feit dat liftinstallaties regelmatig ‘in storing gaan’ en onderdelen regelmatig moeten worden vervangen dat niet anders maakt, is dat oordeel onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd. Uit die omstandigheden volgt immers wel dat de mogelijkheid bestaat dat die liften zijn gekocht of onderhouden door de claimhouders voor een hogere prijs dan zou hebben gegolden zonder het kartel, zodat zonder nadere ontbrekende motivering niet begrijpelijk is waarom die mogelijkheid van schade niet aannemelijk zou zijn. Dat geldt temeer omdat het hof zelf ook slechts eventuele omstandigheden noemt (buiten de inbreukperiode gekocht, afkomstig van of onderhouden door een ander dan een karteldeelnemer) die zouden kunnen maken dat de claimhouders ter zake geen schade hebben geleden. Die eventualiteiten sluiten immers evenzeer de mogelijkheid in dat zij ter zake wél schade hebben geleden, zodat daaruit niet de conclusie kan volgen dat de aannemelijkheid van de mogelijkheid van schade ontbreekt.
III.1.4
In ieder geval is het oordeel van het hof in rov. 6.51 en 6.60–6.108 onjuist en/of onbegrijpelijk, want innerlijk tegenstrijdig, voor zover het hof enerzijds in rov. 6.51 overweegt dat moet zijn gebleken dat een claimhouder tijdens de inbreukperiode ten minste één overeenkomst heeft gesloten met betrekking tot de installatie of afname van minimaal één product of dienst van een van de karteldeelnemers, terwijl het in rov. 6.51 anderzijds heeft overwogen dat de stelling van SECC dat zij in de hoofdprocedure met alle mogelijke middelen aannemelijk kan maken dat (mogelijk) schade is geleden, juist is en dat de rechtbank dat ook niet heeft uitgesloten, om vervolgens in de daaropvolgende overwegingen met betrekking tot de stellingen van SECC ten aanzien van de individuele claimhouders aan eerstgenoemd criterium te toetsten (zie rov. 6.61–6.108). Daardoor is bovendien ten minste onzeker met welke maatstaf het hof de vorderingen van de individuele claimhouders heeft beoordeeld. Het hof had steeds op basis van de beschikbare feiten moeten onderzoeken of in het algemeen het geleden zijn van schade door de individuele claimhouders mogelijk is.
III.1.5
Bovendien is het oordeel van het hof onjuist, omdat bij schadevergoedingsvorderingen wegens een inbreuk op artikel 81 EG-verdrag/101VWEU, zoals in deze zaak, op grond van het doeltreffendheidsbeginsel een bewijsvermoeden moet worden gehanteerd dat schade is geleden door de betreffende benadeelde.32. Dat bewijsvermoeden is ingegeven door de structurele informatie-asymmetrie tussen kartellisten en benadeelden. Althans geldt dat het hof met het oog op het Unierechtelijke doeltreffendheidsbeginsel bij de beoordeling of aan de maatstaf van de aannemelijkheid van de mogelijkheid van schade rekening had moeten houden met het feit dat een kartel gedurende een lange tijdsperiode heimelijk pleegt te worden uitgevoerd. Een kartel komt vaak pas vele jaren na de kartelperiode aan het licht. In deze zaak heeft kartelperiode geduurd van 15 april 1998 tot 5 maart 2004 (en voor Kone met ingang van 1 juni 1999). Eerst vier jaar daarna verscheen de Beschikking van de Commissie in het publicatieblad van de EU, waarna het nog vele jaren zou duren, tot en met 2013, totdat deze Beschikking definitief werd. Gelet op dat tijdsverloop en het heimelijke karakter van het kartel kan niet van iedere claimhouder worden gevergd dat hij zijn administratie met betrekking tot een installatie eenvoudig toegankelijk heeft bewaard. De potentieel benadeelde zal als gevolg van mogelijke fusies, overnames, herstructureringen binnen concerns en systeemwijzigingen meestal pas na een periode van onderzoek en het eventueel opvragen van informatie bij andere partijen uitsluitsel kunnen krijgen over de vraag of hij schade heeft geleden.33. Ook in het licht van dit een en ander is het onjuist om van SECC te verlangen dat zij van iedere claimhouder aannemelijk zou moeten maken dat ten minste één overeenkomst is gesloten met betrekking tot een installatie of afname van een product of dienst.
III.1.6
Het slagen van (één van) de voorgaande klacht(en) tast ook het oordeel van het hof in rov. 6.52 aan, dat voor de vraag of anderen dan directe of indirecte afnemers van een karteldeelnemer mogelijk schade hebben geleden niet volstaat dat een moedervennootschap schade kan lijden in de vorm van verminderde winst of extra kosten voor het aantrekken van vreemd vermogen, doordat een dochtervennootschap teveel heeft betaald voor producten of diensten afkomstig van het kartel en dat tenminste enige onderbouwing van die mogelijke schade moet worden gegeven, waarbij duidelijk zal moeten worden gemaakt hoe een vordering tot vergoeding van die schade van de moedervennootschap zich verhoudt tot een eventuele vordering tot schadevergoeding van de dochtervennootschap zelf.
III.1.7
Tot slot tast het slagen van (één van) de voorgaande klacht(en) de daarop voortbouwende oordelen van het hof aan, waaronder die in de volgende rechtsoverwegingen:
- i.
rov. 6.66–6.68, met betrekking tot vorderingen van ASR-entiteiten en rechtsvoorgangers daarvan;
- ii.
rov. 6.72, waarin het hof oordeelt dat onvoldoende aannemelijk is dat Stichting de Samenwerking/Pensioenfonds voor het Slagersbedrijf mogelijk schade heeft geleden;
- iii.
rov. 6.74, waarin het hof oordeelt dat de mogelijkheid dat Stichting Bedrijfstakpensioenfonds voor het Levensmiddelenbedrijf schade heeft geleden niet aannemelijk is geworden;
- iv.
rov. 6.77, waarin het hof oordeelt dat de mogelijkheid dat Delta Lloyd Vastgoed Ontwikkeling B.V. schade heeft geleden onvoldoende aannemelijk is geworden;
- v.
rov. 6.84, waarin het hof overweegt dat het voorbijgaat aan de stelling van SECC dat Xelat Recrea B.V. als moedermaatschappij van Apple Park Maastricht B.V. en Hotel Derlon B.V. schade heeft geleden;
- vi.
rov. 6.86, waarin het hof onvoldoende aannemelijk acht dat V&D B.V. mogelijk schade heeft geleden;
- vii.
rov. 6.87, waarin het hof onvoldoende aannemelijk acht dat ING Bank N.V. mogelijk schade heeft geleden;
- viii.
rov. 6.89, waarin het hof onvoldoende aannemelijk acht dat IKEA Services B.V. mogelijk schade heeft geleden;
- ix.
rov. 6.90, waarin het hof een conclusie geeft ten aanzien van de in de voorafgaande overwegingen besproken vorderingen van individuele claimhouders.
IV. Klachten met betrekking tot de reikwijdte van de aansprakelijkheid van Kone
Het hof oordeelt in rov. 6.120 jo. 6:50 en 6.122 als volgt:
- (i)
Op grond van artikel 6:166 BW zijn de deelnemers aan een groep hoofdelijk aansprakelijk voor schade veroorzaakt door onrechtmatige gedragingen van andere deelnemers, indien de kans op het aldus toebrengen van schade de deelnemers had behoren te weerhouden van hun gedragingen in groepsverband en deze gedragingen aan hen kunnen worden toegerekend (rov. 6.120).
- (ii)
De bestrijding door Kone van aansprakelijkheid op grond van deze bepaling berust op het onjuiste uitgangspunt dat de grondslag van de aansprakelijkheid van de liftfabrikanten is gelegen in de concrete verdeling van opdrachten. Hiervoor heeft het hof al vastgesteld dat de grondslag voor de aansprakelijkheid is gelegen in de deelname aan het kartel (zie 6.50 van dit arrest) (rov. 6.120).
- (iii)
In rov. 6.50 heeft het hof geoordeeld dat het hof met de rechtbank van oordeel is dat de grondslag voor aansprakelijkheid is gelegen in de onrechtmatige deelname aan het kartel. Het hof overweegt verder dat het met betrekking tot de reikwijdte heeft het hof reeds heeft vastgesteld dat de effecten van de single and continuous infringement zoals omschreven in de Beschikking niet beperkt is gebleven tot opdrachten waarop het verdelingsmechanisme werd toegepast, maar dat de verdeling van opdrachten onderdeel was van een ‘overall scheme to share and regulate the market’. Het hof verwijst hier kennelijk terug naar rov. 6.5–6.16 waarin het hof- samengevat — oordeelt dat het oordeel van de rechtbank dat sprake is geweest van een enkelvoudige voortdurende inbreuk op (thans) art. 101 VWEU in stand kan blijven (rov. 6.50).
- (iv)
Deelname aan het kartel kon schade toebrengen aan de gebruikers, waaronder de claimhouders. Het kartel was er immers op gericht om de mededinging tussen de karteldeelnemers te beperken, waardoor de prijzen voor de gebruikers konden worden verhoogd. De karteldeelnemers wisten dat het kartel een prijsopdrijvend effect kon hebben, en hebben de kans aanvaard dat de gebruikers daardoor schade zouden lijden. Aangezien zij bewust aan het kartel hebben deelgenomen, kunnen de gedragingen van de andere karteldeelnemers ook aan hen worden toegerekend. Daarmee is voldaan aan de vereisten van artikel 6:166 BW en zijn de liftfabrikanten hoofdelijk aansprakelijk voor elkaars gedragingen in kartelverband (rov. 6.120).
- (v)
Kone heeft er terecht op gewezen dat zij niet de gehele inbreukperiode in Nederland aan het kartel heeft deelgenomen. Volgens de Beschikking heeft het kartel geduurd van 15 april 1998 tot 5 maart 2004, terwijl Kone van 1 juni 1999 tot 5 maart 2004 aan het kartel heeft deelgenomen. Kone kan niet hoofdelijk aansprakelijk worden gehouden voor de schadelijke gevolgen van gedragingen van de andere liftfabrikanten in kartelverband in de periode vóór haar deelname. Het hof volgt SECC niet in haar andersluidende stelling (rov. 6.122).
- (vi)
De grondslag van de (hoofdelijke) aansprakelijkheid van Kone is haar deelname aan het kartel. Een grondslag voor die aansprakelijkheid ontbreekt in de tijd waarin Kone niet aan het kartel heeft deelgenomen. Anders dan SECC stelt, kan die aansprakelijkheid ook niet worden afgeleid uit artikel 11 lid 1 van de Kartelschaderichtlijn. Afgezien van het feit dat het kartel niet valt binnen de temporele werkingssfeer van de Kartelschaderichtlijn, voorziet artikel 11 lid 1 van deze richtlijn in hoofdelijke aansprakelijkheid voor ondernemingen die door ‘gemeenschappelijk optreden’ inbreuk op het mededingingsrecht hebben gemaakt. In de periode waarin Kone niet aan het kartel heeft deelgenomen, was er geen ‘gemeenschappelijk optreden’ van Kone met de andere karteldeelnemers waarvoor Kone hoofdelijk aansprakelijk kan worden gehouden (rov. 6.122).
- (vii)
Het arrest van de Hoge Raad in Parkeergarage Zandvoort leidt niet tot een ander oordeel. In die zaak bestond onzekerheid over het aanvangstijdstip van de verjaring. Met het oog op de rechtszekerheid heeft de Hoge Raad in dat geval aangenomen dat de verjaringstermijn is gaan lopen op het tijdstip waarop de schadeveroorzakende gebeurtenis is opgehouden te bestaan. Het hof kan niet inzien wat de relevantie van dat oordeel is voor de onderhavige zaak (rov. 6.122).
IV.3
Deze oordelen zijn in verschillende opzichten rechtens onjuist althans onbegrijpelijk gemotiveerd.
IV.3.1
Het hof miskent met voornoemd oordeel in rov. 6.122 (hiervoor weergegeven sub (v-vii)) dat de (hoofdelijke) aansprakelijkheid van een partij wegens deelname aan een door art. 101 VWEU34. verboden overeenkomst of onderling afgestemde feitelijke gedraging (de deelname aan een kartel) niet is beperkt tot de periode waarin die partij heeft deelgenomen aan de betreffende overeenkomst of onderling afgestemde feitelijke gedraging (het kartel). De deelnemende partijen zijn als uitgangspunt (hoofdelijk) aansprakelijk voor alle schadelijke gevolgen van die overeenkomst of onderling afgestemde feitelijke gedraging resp. dat kartel en daarmee ook voor de schadelijke gevolgen daarvan die dateren van voor de deelname van die partij daaraan.
IV.3.2
Althans miskent het hof dat in geval van deelname aan een overeenkomst of onderling afgestemde feitelijke gedraging resp. deelname aan een kartel dat geldt als single continuous infringement/enkelvoudige voortdurende inbreuk op art. 101 VWEU alle deelnemers daaraan (hoofdelijk) aansprakelijk zijn voor alle schade die het gevolg is van die enkelvoudige voortdurende inbreuk op art. 101 VWEU. Daarbij is niet relevant wanneer een deelnemer betrokken is geraakt bij die enkelvoudige voortdurende inbreuk op art. 101 VWEU. Dat geldt in ieder geval indien — zoals in dit geval — de overeenkomst of onderling afgestemde feitelijke gedragingen (het kartel) mede als gevolg van die deelname gelden als enkelvoudige voortdurende inbreuk op art. 101 VWEU. Een deelnemer is in voornoemde gevallen als uitgangspunt ook (hoofdelijk) aansprakelijk voor de schadelijke gevolgen van een enkelvoudige voortdurende inbreuk op art. 101 VWEU die zich hebben voorgedaan voordat die deelnemer aan de overeenkomst of onderling afgestemde feitelijke gedragingen ex art. 101 VWEU (het kartel) heeft deelgenomen.
IV.3.3
Althans heeft het hof miskend dat een enkelvoudige voortdurende inbreuk op art. 101 VWEU geldt als één enkelvoudige en voortdurende onrechtmatige daad van alle deelnemers aan de enkelvoudige voortdurende inbreuk op art. 101 VWEU. Om die reden zijn de deelnemers aan die enkelvoudige voortdurende inbreuk (hoofdelijk) aansprakelijk voor alle schade die het gevolg is van die enkelvoudige en voortdurende onrechtmatige daad. Voor de aansprakelijkheid van de verschillende deelnemers voor die schade is niet relevant of die schade is veroorzaakt of zich heeft voorgedaan voordat dan wel nadat een bepaalde deelnemer betrokken is geraakt bij die enkelvoudige voortdurende inbreuk op art. 101 VWEU.
IV.3.4
Althans miskent het hof dat indien vaststaat dat één of meer tot een groep behorende personen schade hebben toegebracht en het aldus toebrengen van schade deze personen hadden behoren te weerhouden van hun gedragingen in groepsverband en die gedragingen hen kunnen worden toegerekend, die personen ex art. 6:166 (jo. 6:162) BW hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade als gevolg van die gedraging. De omstandigheid dat een persoon pas is gaan deelnemen aan/behoren tot de groep toen de onrechtmatige gedraging — in casu: de enkelvoudige voortdurende inbreuk in de vorm van het kartel — al een aanvang had genomen, maakt niet dat die persoon niet aansprakelijk is voor de schadelijke gevolgen van die gedraging, ook voor zover die reeds voor aanvang van de deelname aan/behoren tot de groep zijn ingetreden of veroorzaakt. Dat geldt in ieder geval als het onrechtmatig handelen bestaat uit de deelname aan overeenkomsten of feitelijke onderlinge gedragingen in de zin van art. 101 VWEU die kwalificeren als een enkelvoudige voortdurende inbreuk op art. 101 VWEU. De aansprakelijkheid ex art. 6:166 (jo. 6:162) BW strekt zich in een dergelijk geval uit over de schade die het gevolg is van die enkelvoudige voortdurende inbreuk resp. de enkelvoudige en voortdurende onrechtmatige daad en bestrijkt derhalve de gehele duur daarvan. Daarvoor is dus niet relevant vanaf welk moment een partij is gaan deelnemen aan de enkelvoudige voortdurende inbreuk op art. 101 VWEU of aan het handelen in groepsverband.
IV.3.5
Indien het hof tot uitgangspunt heeft genomen dat in dit geval geen sprake is van een enkelvoudige voortdurende inbreuk op art. 101 VWEU is dat oordeel onbegrijpelijk, omdat het in rov. 6.50 en 6.5–6.16 heeft geoordeeld dat het kartel tussen de liftenfabrikanten kwalificeert als enkelvoudige voortdurende inbreuk en in rov. 3.6 vaststelt dat Kone daaraan vanaf 1 juni 1999 tot 5 maart 2024 heeft deelgenomen. Indien het hof heeft geoordeeld dat de gedragingen van Kone niet hebben bijgedragen aan het oordeel dat het kartel kwalificeert als enkelvoudige voortdurende inbreuk is dat oordeel onbegrijpelijk gemotiveerd, nu (i) de Commissie in haar Beschikking heeft vastgesteld dat de afspraken van alle karteldeelnemers — waaronder dus Kone — een single and continuous infringement op art. 101 VWEU opleveren,35. (ii) de rechtbank op basis van de Beschikking van de Commissie heeft vastgesteld dat sprake is van één enkele en complexe voortdurende inbreuk op art. 101 VWEU,36. (iii) het hof in met name rov. 6.6–6.10 ook op basis van de Beschikking heeft vastgesteld dat sprake was van een single and continuous infringement op art. 101 VWEU van de karteldeelnemers en (iv) het hof in rov. 6.5–6.16 de grieven gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat sprake is geweest van een enkelvoudige (complexe) voortdurende inbreuk op art. 101 VWEU heeft verworpen. Daaruit volgt dat sprake is geweest van een enkelvoudige voortdurende inbreuk op art. 101 VWEU die mede het gevolg is van de gedragingen van Kone.
IV.3.6
Het slagen van (één van) de voorgaande klacht(en) tast ook de daarop voortbouwende oordelen van het hof aan, waaronder die in de volgende rechtsoverwegingen:
- i.
rov. 6.60, waarin het hof oordeelt dat de relevante inbreukperiode voor Kone de periode van 1 juni 1999 tot 5 maart 2004 is;
- ii.
rov. 6.93, waarin het hof oordeelt dat de mogelijkheid van schade bij Magazijn De Bijenkorf B.V. en Rotterdam Electrische Tram N.V. niet aannemelijk is, omdat de betreffende overeenkomsten tussen ThyssenKrupp en deze claimhouders dateren van vóór het moment waarop Kone bij de inbreuk betrokken is geraakt;
- iii.
rov. 6.107, waarin het hof oordeelt dat de mogelijkheid van schade bij Golden Tulip Museum Quarter B.V. niet aannemelijk is, omdat de betreffende opdracht tussen Kone en deze claimhouder dateert van vóór het moment waarop Kone bij de inbreuk betrokken is geraakt;
- iv.
rov. 6.108, waarin het hof met betrekking tot Magazijn De Bijenkorf B.V., Rotterdam Electrische Tram N.V. en Golden Tulip Museum Quarter B.V. concludeert dat de mogelijkheid van schade niet aannemelijk is geworden.
Op grond van dit middel
Vordert eiseres dat de Hoge Raad het aangevallen arrest zal vernietigen, met zodanige verdere beslissing als de Hoge Raad juist zal achten; SECC vordert verder dat Kone wordt veroordeeld in de kosten van het geding, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf veertien dagen na de datum van het arrest.
Bijlagen:
- —
de uitspraak waartegen beroep in cassatie wordt ingesteld;
- —
de uitspraken in eerste aanleg;
- —
de aanbiedingsbrief.
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 23‑04‑2024
HvJ EU 24 oktober 2013, ECLI:EU:C:2013:696 (Kone/Commissie).
HR 8 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1483 (Tennet/ABB), rov. 4.3.4.
Zie memorie van grieven zijdens SECC, nr. 30–31.
Zie onder meer HR 6 april 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB0900, NJ 2002/383 (Vellekoop/Wilton Fijenoord); HR 24 januari 2003, NJ 2003/300 (BASF/Rensink); HR 31 oktober 2003, ECLI:NL:HR:2003:AL8168, NJ 2006/112 (Saelman); HR 26 november 2004, ECLI:NL:HR:2004:AN8903, NJ 2006/113 (Bosman/G.); HR 27 mei 2005, ECLI:NL:HR:2005:AS8455, NJ 2006/114; HR 24 maart 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU7942, NJ 2007/377 (Geldermalsen/Plameco); HR 4 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC3569, NJ 2008/203; HR 9 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ4850, NJ 2012/193 (Gemeente Stadskanaal/Deloitte & Touche); HR 3 december 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN6421, NJ 2012/196 (X/Betonmortelfabriek Bemoti) en verder HR 31 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:552, NJ 2017/165 (Mispelhoef/Staat); HR 24 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:667, NJ 2018/239 (TMG/Staat); HR 9 oktober 2020, ECLI:NL:HR:2020:1603, NJ 2021/187; HR 21 april 2023, ECLI:NL:HR:2023:653, NJ 2023/159; HR 12 januari 2024, ECLI:NL:HR:2024:18 (X/Deutsche Bank); HR 12 januari 2024, ECLI:NL:HR:2024:19 (Variety B.V. c.s./Deutsche Bank).
Zoals Uw Raad heeft verduidelijkt in HR 12 januari 2024, ECLI:NLHR:2024:19 (Variety B.V. c.s./Deutsche Bank), rov. 3.4.
Zie mvg zijdens SECC nr. 28–32, 35.
Zie in die zin Asser/Sieburgh 6-II 2021/415, met verwijzing naar HR 9 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ4850, NJ 2012/193 (Gemeente Stadskanaal/Deloitte & Touche) en HR 31 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:552, NJ 2017/165 (Mispelhoef/Staat); in dezelfde zin Conclusie A-G Hartkamp bij HR 20 april 2001, NJ 2004/382 (Wong — Mr. X), sub 8; zie ook HR 22 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:627, NJ 2022/170, rov. 3.3, waarin Uw Raad overweegt dat niet voldoende is dat men bekend had kunnen of moeten zijn met de schade.
HR 6 april 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB0900, NJ 2002/383 (Vellekoop/Wilton Feijenoord), rov. 3.4.2; F.J.P. Lock, Stelplicht & Bewijslast, commentaar op art. 3:310 BW.
Zie mvg zijdens SECC nr. 35–36.
Het hof verwijst hierbij naar HR 4 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:677.
Het hof verwijst hierbij naar HR 12 januari 2024, ECLI:NL:HR:2024:19.
Zoals Uw Raad heeft verduidelijkt in HR 12 januari 2024, ECLI:NL:HR:2024:19 (Variety B.V. c.s./Deutsche Bank), rov. 3.4.
Zie mvg zijdens SECC nr. 28–32, 35.
Zie Conclusie van Repliek zijdens SECC, nr. 83; zie ook pleitnota zijdens SECC in hoger beroep, nr. 10.
Zie ook de klachten van onderdeel III hierna.
Zie HvJ EU 28 maart 2019, ECLI:EU:C:2019:263 (Cogeco), punt 47.
Vgl. HR 18 september 2015, NJ 2015/382 (International Strategies Group/Royal Bank of Scotland); HR 3 juni 2016, NJ 2016/291Hengelo/Wevers), rov. 3.4.2; zie ook Asser/Sieburgh 6-II 2021/424.
Zie HR 3 december 2010, ECLI:NL:HR:2010:BO0813, NJ 2010/652 (Far/Edco I), rov. 3.3.2.
Idem, zie voorts de mvg zijdens SECC nr. 37–39 en de pleitnota zijdens SECC in hoger beroep, par. II.3.
Zie MvG zijdens SECC nr. 37–39 en de pleitnota zijdens SECC in hoger beroep, par. II.3.
Conclusie A-G Kokott 21 september 2023, ECLI:EU:C:2023:695, par. 107–108.
HvJ EU 18 april 2024, ECLI:EU:C:2024:324 (Google Shopping), punt 61; HvJ EU 6 oktober 2021, ECLI:EU:C:2021:800 (Sumal), punt 37.
Conclusie A-G Kokott 21 september 2023, ECLI:EU:C:2023:695, par. 107–108.
HvJ EU 18 april 2024, ECLI:EU:C:2024:324 (Google Shopping), punt 61; HvJ EU 6 oktober 2021, ECLI:EU:C:2021:800 (Sumal), punt 37.
HvJ EU 6 oktober 2021, ECLI:EU:C:2021:800 (Sumal), punt 39–40. Vgl. HvJ EU 29 juli 2019, ECLI:EU:C:2019:635 (Tibor/Trans), punt 36.
Zie de noot van C.J.H. Brunner bij HR 25 maart 1983, NJ 1984/629, onder 2.
HR 10 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1842.
Zie HR 13 juni 1980, NJ 1981/185.
Zie HR 28 juni 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC0304, NJ 1991/746 (P./Gemeente Amsterdam), rov. 3.3; Conclusie A-G Lindenbergh vóór HR 17 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:419 (art. 81 RO), par. 4.4; Conclusie A-G Hartlief vóór HR 18 februari 2022, ECLI:NL:HR:2022:272, par. 3.2.
Asser Procesrecht 3 2022/98.
Asser Procesrecht 3 2022/93.
Vgl. artikel 17 lid 2 Kartelschaderichtlijn, welk vermoeden op grond van het doeltreffendheidsbeginsel reeds geacht moet worden gelding te hebben in gevallen waarin de Kartelschaderichtlijn zelf temporeel niet van toepassing is.
Zie mvg nr. 35
Zie rov. 6.10 van het bestreden arrest.
Rb eindvonnis d.d. 23 juni 2021, rov. 4.24. Zie ook hof rov. 6.2.