De autonomie van de leraar
Einde inhoudsopgave
De autonomie van de leraar (SteR nr. 64) 2024/6.2.1:6.2.1 Toelating tot het voortgezet onderwijs in historisch perspectief
De autonomie van de leraar (SteR nr. 64) 2024/6.2.1
6.2.1 Toelating tot het voortgezet onderwijs in historisch perspectief
Documentgegevens:
J.S. Buiting, datum 07-02-2024
- Datum
07-02-2024
- Auteur
J.S. Buiting
- JCDI
JCDI:ADS949495:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In 1863 werd de wetgever bij de totstandkoming van de Wet op het middelbaar onderwijs voor het eerst geconfronteerd met de vraag hoe bepaald zou moeten worden of een leerling toelaatbaar is tot de school van voortgezet onderwijs. De wijze van toelating is vervolgens in de loop der jaren diverse keren ingrijpend gewijzigd. In deze paragraaf wordt beschreven hoe de wijze waarop de toelaatbaarheid van de leerling tot het voortgezet onderwijs zich heeft ontwikkeld van vrije toegang tot het voortgezet onderwijs, naar toelating bij besluit van de school voor voortgezet onderwijs, naar uiteindelijk toelaatbaarheid van de leerling op basis van het schooladvies van de basisschool. Dit is van belang omdat hieruit duidelijk wordt dat bij de afsluiting van het primair onderwijs voornamelijk de overstap naar een bepaalde vorm van voortgezet onderwijs centraal staat.
6.2.1.1 De Wet op het middelbaar onderwijs 18636.2.1.2 Van verplicht toelatingsexamen naar verklaring van de lagere school6.2.1.3 Gedeelde verantwoordelijkheid voor toelating van de lagere- en hoogere burgerschool6.2.1.4 De Wet op het voortgezet onderwijs6.2.1.5 De Wet op het basisonderwijs6.2.1.6 De eerste fase van het voortgezet onderwijs