Einde inhoudsopgave
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/7.3.6.2.2
7.3.6.2.2 In strafrechtelijke zin onrechtmatig verkregen bewijs
mr. drs. A. Heidekamp, datum 13-10-2023
- Datum
13-10-2023
- Auteur
mr. drs. A. Heidekamp
- JCDI
JCDI:ADS940238:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
HR 1 juli 1992, BNB 1992/306, r.o. 3.2.2.
HR 1 juli 1992, BNB 1992/306, r.o. 3.2.3.
Zie ook het hierna te bespreken bevestigingsarrest HR 20 maart 2015, V-N 2015/16.6, BNB 2015/173, r.o. 2.7.2-2.7.3 in verbinding met r.o. 2.3.1.
HR 1 juli 1992, BNB 1992/306, r.o. 3.2.4.
Alleen als de inspecteur het bewijs ook op andere wijze, met gebruikmaking van de reguliere controlebevoegdheden, had kunnen verwerven, is een (flagrante) schending die ‘zozeer indruist’ noodzakelijk. A-G Wattel lijkt hier anders over te denken, zie zijn Conclusie van 28 mei 2014, V-N 2014/34.3, genomen voor het bevestigingsarrest HR 20 maart 2015, V-N 2015/16.6, BNB 2015/173.
HR 1 juli 1992, BNB 1992/306, r.o. 3.2.5.
HR 20 maart 2015, V-N 2015/16.6, BNB 2015/173, r.o. 2.3.1-2.3.4. Het bewijs was niet strafrechtelijk onrechtmatig jegens belanghebbende verkregen. Een inhoudelijke toets van de ernst van de schending (de tweede voorwaarde) kon reeds daarom achterwege blijven, zie r.o. 2.7.2-2.7.3.
HR 20 maart 2015, V-N 2015/16.6, BNB 2015/173, r.o. 2.5.2.
Haas & Jansen 2015. Als de belastingrechter afwijkt van een vrijspraak door de strafrechter, zal hij wel uiterst voorzichtig moeten formuleren, aangezien dan mogelijk strijd ontstaat met de onschuldpresumptie, zie HR 20 maart 2015, V-N 2015/16.6, BNB 2015/173, r.o. 2.6.6 en paragraaf 14.3.1. Zie voorts paragraaf 7.3.9.3.1 en paragraaf 11.4.2.2.
HR 2 juni 2017, V-N 2017/28.3, BNB 2017/181, r.o. 2.4.1 e.v., HR 14 april 2017, V-N 2017/24.8, BNB 2017/223, r.o. 2.2, HR 20 maart 2015, V-N 2015/16.6, BNB 2015/173, r.o. 2.6.2. Dat betekent overigens niet dat de belastingrechter dat oordeel ambtshalve moet geven, zie daarover nader paragraaf 9.4.10.
HR 20 maart 2015, V-N 2015/16.6, BNB 2015/173, r.o. 2.6.3 (‘evenmin gebonden’).
HR 8 november 2019, V-N 2019/54.26, BNB 2020/41, r.o. 3.5.9. Na verwijzing hebben partijen een compromis gesloten, zie Hof Amsterdam 2 december 2020, V-N 2021/10.21.25.
HR 8 november 2019, V-N 2019/54.26, BNB 2020/41, r.o. 3.5.10. De opvatting dat over de bruikbaarheid van door een tipgever overhandigd materiaal pas kan worden beslist na een onderzoek naar de aard of ernst van het strafbaar handelen waardoor de tipgever dat materiaal in handen heeft gekregen, is dan ook onjuist (zie ook Hof Arnhem-Leeuwarden 26 mei 2020, V-N 2020/41.15, r.o. 4.18).
Zie bijvoorbeeld de Aantekening van de Redactie Vakstudie-Nieuws bij CRvB 11 juli 2002, V-N 2002/57.2. Zie voorts Hof ’s-Hertogenbosch 20 februari 2018, V-N 2018/12.3, r.o. 4.26. Het Hof stelt daar onomwonden dat uit de arresten van de Hoge Raad volgt dat bewijsuitsluiting slechts is aangewezen indien is voldaan aan het ‘zozeer indruist’-criterium. Tegelijkertijd is er volgens het Hof geen sprake van een art. 47-situatie (zie r.o. 4.27.1). De Hoge Raad greep in cassatie niet (ambtshalve) in, maar constateerde droogjes dat het Hof zijn onderzoek had gericht op het ‘zozeer indruist’-criterium (HR 8 november 2019, V-N 2019/54.26, BNB 2020/41, r.o. 3.5.5). Zie ook Hof Den Haag 23 april 2019, V-N 2019/38.23, r.o. 6.3, en Hof ‘s-Hertogenbosch 23 juli 2020, V-N 2021/11.16, r.o. 4.22 e.v., waarin zonder verdere toelichting het ‘zozeer indruist’-criterium wordt aangelegd. De Redactie van Vakstudie-Nieuws acht dat (blijkens de Aantekening bij V-N 2021/11.16) juist.
Vgl. CRvB 11 juli 2002, V-N 2002/57.2.
De Hoge Raad stelt de vraag of het gaat om bewijsstukken die de inspecteur ook anderszins rechtmatig had kunnen verzamelen, dan ook niet wanneer (het uitgangspunt is dat) aan het ‘zozeer indruist’-criterium wordt voldaan, zie HR 9 september 1992, BNB 1992/366, r.o. 3.8.
Feteris 2007, p. 301.
Embregts 2005, par. 2.
Zie ook paragraaf 7.3.6.2.3 hierna.
Zie bijvoorbeeld Hof ‘s-Hertogenbosch 23 juli 2020, V-N 2021/11.16, waarin de onrechtmatigheid niet zozeer schuilde in de verkrijging en het gebruik voor strafrechtelijke doeleindendoor het OM, maar in het daaropvolgende gebruik voor belastingdoeleinden door de inspecteur. Het Hof lijkt de strafrechtelijke onrechtmatigheid te baseren op de onrechtmatige verstrekking door het OM aan de inspecteur (zie r.o. 4.23). Die verstrekking maakt de daaraan voorafgaande verkrijging door het OM naar mijn mening echter niet (strafrechtelijk) onrechtmatig. Ook de Staatssecretaris van Financiën zit op deze lijn en wijst er – naar mijn mening terecht – op dat bovendien geen sprake is van een gedraging jegens de belastingplichtige (zie de Toelichting op het niet instellen van cassatie in V-N 2021/11.16).
HR 12 november 2021, V-N 2021/51.7.
HR 12 november 2021, V-N 2021/51.7, r.o. 4.2.2.
HR 10 december 2021, V-N 2021/54.19, r.o. 5.3. Zie over dit arrest nader paragraaf 7.3.6.2.1 hiervoor. Als ik de Aantekening goed begrijp, leidt de Redactie Vakstudie-Nieuws (met afkeuring) uit het arrest af dat de Hoge Raad het ‘zozeer indruist’-criterium nu ook zuiver fiscaalrechtelijk toepast.
Vgl. de Conclusie van A-G IJzerman van 15 november 2022, V-N 2023/2.20 (par. 5.36) en de Redactie Vakstudie-Nieuws in de Aantekening daarbij. Volgens de Redactie is het ‘zozeer indruist’-criterium niet van toepassing omdat het in de betreffende casus om onrechtmatig handelen van de Belastingdienst zelf gaat. Het arrest van de Hoge Raad wierp geen nieuw licht op deze kwestie, zie HR 22 september 2023, V-N 2023/42.12.
Vgl. r.o. 4.2.1 (waarin de Hoge Raad de zuiver fiscale onrechtmatigheid in het kader van eventuele rechtstreekse strijd met de wettelijke informatiebevoegdheden lijkt te toetsen) en r.o. 4.2.2 (waarin de Hoge Raad, voor het geval het cassatiemiddel bewijsuitsluiting wegens ‘onbehoorlijk’ gebruik van de bevoegdheid zou verdedigen, aanvullend lijkt te toetsen of er sprake is van ‘zozeer indruisen’).
Zie bijvoorbeeld Hof Arnhem-Leeuwarden 26 mei 2020, V-N 2020/41.15, r.o. 4.19, HR 27 februari 2004, BNB 2004/225 en HR 29 april 2005, V-N 2005/33.4, waarin een beroep op de toepassing faalde.
HR 9 september 1992, BNB 1992/366, r.o. 3.8. Zie ook HR 9 september 1992, BNB 1992/367, r.o. 3.6.
HR 12 maart 1997, BNB 1997/146, r.o. 3.5. De FIOD had in het kader van een strafrechtelijk onderzoek stukken die bij een accountant lagen in beslag genomen, terwijl die accountant door de advocaten van de belastingplichtige was ingeschakeld. N.B. Het ging in dit arrest dus om het zogenoemde afgeleide verschoningsrecht (afgeleid van het formele verschoningsrecht van de advocaat). Zie daarover nader HR 27 april 2012 (civiele kamer), BNB 2012/231. Zie omtrent het (in)formele verschoningsrecht nader paragraaf 7.3.6.2.1 onder 1.
HR 20 maart 2015, V-N 2015/16.6, BNB 2015/173, r.o. 2.5.2 in verbinding met r.o. 2.5.3.
HR 21 maart 2008, V-N 2008/16.5, BNB 2008/159.
HR 14 november 2006 (strafkamer), NJ 2007, 179, V-N 2007/2.3, r.o. 3.9.
HR 14 november 2006 (strafkamer), NJ 2007, 179, V-N 2007/2.3, r.o. 3.5.
HR 8 november 2019, V-N 2019/54.26, BNB 2020/41, r.o. 3.5.7.
Zie de aan HR 21 maart 2008, BNB 2008/159, gehechte Hofuitspraak van Hof Amsterdam 18 juni 2006, r.o. 5.1.4.
HR 21 maart 2008, V-N 2008/16.5, BNB 2008/159, r.o. 3.4.1 en 3.4.2.
Aldus ook de Redactie Vakstudie-Nieuws in de Aantekening bij Hof ‘s-Hertogenbosch 23 juli 2020, V-N 2021/11.16.
In Hof ‘s-Hertogenbosch 23 juli 2020, V-N 2021/11.16, oordeelde het Hof dat gekeken moet worden naar ‘de handelwijze van alle in Nederland betrokken overheidsorganen’ (r.o. 4.25). Voor zover het Hof daarmee heeft willen zeggen dat eventuele onrechtmatige gedragingen van buitenlandse overheidsorganen irrelevant zijn, acht ik dat dus onjuist.
HR 30 september 2016, V-N 2016/57.4, r.o. 3.6.2.
Het omgekeerde (dat het Unierecht een beperkende werking heeft ten opzichte van de nationale regels) is ook denkbaar: het Unierecht kan ervoor zorgen dat bewijs dat naar nationaal recht onrechtmatig is verkregen, toch moet worden toegelaten. Zie daarover nader paragraaf 11.4.2.3.
Zie daaromtrent nader paragraaf 7.3.7.3.1 en paragraaf 8.2.2.1.
Zie HvJ EU 17 december 2015 (WebMindLicences Kft.), nr. C-419/14, V-N 2016/6.14.
Zie HvJ EU 17 december 2015 (WebMindLicences Kft.), nr. C-419/14, V-N 2016/6.14, m.n. r.o. 91.
HvJ EU 24 oktober 2019 (I.N. en J.M.), V-N 2019/54.29. Zie paragraaf 7.3.7.3.1 voor de situaties waarin het EU-recht van toepassing is.
Van de hiervoor behandelde gevallen waarin de bewijsvergaring rechtstreeks in strijd kan komen met (fiscaal-juridische) rechtsnormen, moet worden onderscheiden de categorie gevallen waarin er sprake is van strafrechtelijke onrechtmatigheid. Om te bepalen of bewijs dat strafrechtelijk onrechtmatig is verkregen, ook fiscaal als onrechtmatig heeft te gelden, heeft de Hoge Raad namelijk een geheel eigen toetsingskader ontwikkeld.
Beoordelingskader Hoge Raad
Bewijs dat naar de normen van het strafrecht op onrechtmatige wijze is verkregen, is niet per definitie ook in fiscalibus als zodanig aan te merken. De Hoge Raad overwoog in het standaardarrest BNB 1992/306 dat er geen rechtsregel bestaat, die ieder gebruik verbiedt van strafrechtelijk onrechtmatig verkregen bewijsmiddelen voor het vaststellen van de uit de wet voortvloeiende belastingschuld.1 Onder omstandigheden kan er echter tevens sprake zijn van onrechtmatigheid in fiscale zin. De (cumulatieve) vereisten voor een dergelijke samenloop, zoals ik die uit dat standaardarrest afleid, zijn:
Het bewijs moet jegens belanghebbende op strafrechtelijk onrechtmatige wijze zijn verkregen.
Een onrechtmatige huiszoeking in een pand dat niet in gebruik is bij de belastingplichtige, is niet jegens de belastingplichtige onrechtmatig.2 Waar het om gaat, is dat de strafvorderlijke titel die achteraf onrechtmatig wordt bevonden, ten minste ook ten laste van de belastingplichtige zelf moet gelden. Als die titel (zoals een huiszoekingsbevel) alleen ten laste van een derde geldt, wordt niet aan dit vereiste voldaan;3
én
Door ter vaststelling van een belastingaanslag gebruik te maken van het jegens belanghebbende strafrechtelijk onrechtmatig verkregen bewijsmiddel, moeten de algemene beginselen van behoorlijk bestuur worden geschonden.
In het algemeen moet daardoor sprake zijn van een schending van (doorgaans) het zorgvuldigheidsbeginsel;4
In het specifieke geval dat het gaat om bewijsmiddelen die de inspecteur ook anderszins – in het bijzonder op grond van zijn informatiebevoegdheden uit art. 47 en verder van de AWR – wel had kunnen krijgen, geldt een verscherpte eis:5
Voor het geval de inspecteur ook op een andere, wél rechtmatige wijze aan het bewijsmateriaal zou (kunnen) zijn gekomen, is gebruik door de inspecteur slechts dan niet toegestaan, indien het is verkregen op een wijze die zozeer indruist tegen hetgeen van een behoorlijk handelende overheid mag worden verwacht, dat dit gebruik onder alle omstandigheden ontoelaatbaar moet worden geacht.6
Naar mijn mening gelden er dus altijd twee cumulatieve vereisten. Het eerste vereiste is in alle gevallen gelijk. De inhoud van het tweede vereiste hangt af van de vraag of de inspecteur ook op een andere (rechtmatige) wijze aan het bewijsmateriaal had kunnen komen, normaal gesproken door gebruik te maken van zijn informatiebevoegdheden (hierna: art. 47-situaties). In die art. 47-situaties is er dus minder snel sprake van fiscale onrechtmatigheid (alleen bij ‘zozeer indruisen’).
In 2015 heeft de Hoge Raad dit beoordelingskader, inclusief het ‘zozeer indruist’-criterium voor art. 47-situaties, expliciet bevestigd.7 Daarbij heeft de Hoge Raad duidelijk gemaakt dat de binnen het strafrecht ontwikkelde leer niet van overeenkomstige toepassing is binnen het belastingrecht en dat de belastingrechter en de strafrechter verschillende taken vervullen bij de beoordeling van strafrechtelijk onrechtmatig verkregen bewijs.8 Haas & Jansen zijn van mening dat de zelfstandige beoordeling door de belastingrechter betekent, dat de belastingrechter het oordeel van de strafrechter niet zonder meer mag volgen, ongeacht of er een vrijspraak of een veroordeling is gevolgd.9 De Hoge Raad stelt inderdaad voorop dat de belastingrechter zelfstandig dient te beoordelen welke feiten als vaststaand kunnen worden aangenomen, en dat hij daarom niet gebonden is aan een oordeel van de strafrechter (ook niet als dat oordeel op hetzelfde feitencomplex ziet).10 Evenzeer kan de belastingrechter zich een zelfstandig oordeel vormen over de vraag óf het bewijs strafrechtelijk onrechtmatig is verkregen (dus ongeacht het oordeel van de strafrechter).11 In het tweede tipgeversarrest uit 2019 heeft de Hoge Raad in het verlengde hiervan expliciet overwogen dat de belastingrechter geheel zelfstandig moet oordelen over de bruikbaarheid (rechtmatigheid) van de aan hem voorgelegde bewijsmiddelen.12 Voor de fiscale beoordeling van de bruikbaarheid van bewijsmateriaal is dus niet vereist dat op enigerlei wijze (bijvoorbeeld in een strafproces) wordt vastgesteld of het materiaal op strafbare wijze is verkregen en zo ja, welk strafbaar feit die verkrijging dan oplevert.13
Toepassing van het ‘zozeer indruist’-criterium
In de literatuur en in de lagere jurisprudentie wordt dikwijls de nadruk gelegd op het zozeer indruist-criterium, en wel zodanig dat daaruit het beeld naar voren komt dat dit het enige criterium voor fiscale onrechtmatigheid zou zijn.14 Dat is naar mijn mening niet juist. Het ‘zozeer indruist’-criterium geldt namelijk alleen in art. 47-situaties. Als de inspecteur met gebruikmaking van zijn eigen informatiebevoegdheden niet aan de informatie had kunnen komen, kan ook een ‘gewone’ schending van het zorgvuldigheidsbeginsel reeds leiden tot fiscale onrechtmatigheid.15 Wel is er in alle gevallen waarin de wijze van verkrijging ‘zozeer indruist’, per definitie sprake van een zodanige schending van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, dat de strafrechtelijke onrechtmatigheid ook fiscaalrechtelijk moet worden gevolgd, ongeacht het antwoord op de vraag of de inspecteur ook op andere (rechtmatige) wijze aan de betreffende gegevens had kunnen komen.16 Steun voor mijn opvatting vind ik bij Feteris, die eveneens in zijn algemeenheid de toets aan het zorgvuldigheidsbeginsel als uitgangspunt neemt en in ‘art. 47 AWR-situaties’ de hogere drempel van het ‘zozeer indruist’-criterium erkent.17 Ook Embregts brengt dit verschil nadrukkelijk aan.18
Aanvankelijk leek de Hoge Raad de hogere drempel van het ‘zozeer indruist’-criterium alleen toe te passen op het gebruik van strafrechtelijk onrechtmatig verkregen bewijs. Het criterium leek geen rol te spelen in de hiervoor (in paragraaf 7.3.6.2.1) bedoelde gevallen waarin het gaat om (on)rechtmatigheid in strikt fiscale zin.19 Dit onderscheid kwam in de feitenrechtspraak niet altijd duidelijk uit de verf.20 Uit een arrest dat eind 2021 is gewezen, kan worden afgeleid dat ook de Hoge Raad dit onderscheid niet langer maakt.21 Het ging in de betreffende casus over het gebruik van de bevoegdheid van art. 53 AWR als zodanig (het zogeheten derdenonderzoek).22 Hoewel dus louter de vraag voorlag of er in zuiver fiscale zin sprake was van onrechtmatigheid, hanteerde de Hoge Raad toch het ‘zozeer indruist’-criterium.23 Hetzelfde geldt voor het FSV-arrest, dat eveneens eind 2021 werd gewezen: ook daar ging het niet om (mogelijk) strafrechtelijk onrechtmatig verkregen bewijs, maar hanteerde de Hoge Raad toch het ‘zozeer indruist’-criterium.24 Niettemin past op dit punt een voorbehoud.25 Het is namelijk mogelijk dat de Hoge Raad alleen voor alle zekerheid heeft willen toetsen aan dit criterium: als de wijze van verkrijging ‘zozeer indruist’, is er immers per definitie sprake van onrechtmatigheid.26
Een blik op de jurisprudentie waarin het ‘zozeer indruist’-criterium is toegepast, leert dat de belastingrechter daarbij (zeer) terughoudend is.27 Gevallen waarin een beroep op het criterium slaagde, zijn schaars. In een dergelijk zeldzaam geval stelde de belastingplichtige dat de FIOD op grove wijze de rechterlijke macht opzettelijk had misleid teneinde een huiszoekingsbevel te verkrijgen. De Hoge Raad overwoog dat de bij de huiszoeking inbeslaggenomen bescheiden daardoor waren verkregen op een wijze die zozeer indruist tegen hetgeen van een behoorlijk handelende overheid mag worden verwacht, dat het gebruik van die bescheiden als bewijsmiddel door de inspecteur ontoelaatbaar moet worden geacht.28 Een ander geslaagd beroep wegens ‘zozeer indruisen’ vond plaats in een zaak waarin het verschoningsrecht werd geschonden.29 In het eerdergenoemde arrest uit 2015 heeft de Hoge Raad in dit verband verduidelijkt dat met de bescherming van het verschoningsrecht een fundamenteel belang is gediend, zodat een schending daarvan meebrengt dat (steeds) voldaan is aan het ‘zozeer indruist’-criterium.30
Betrokkenheid van de overheid bij de (on)rechtmatige verkrijging
Het vraagstuk van de fiscale bruikbaarheid van strafrechtelijk onrechtmatig verkregen bewijs is in de jaren vanaf 2002 aan de orde gekomen in de zogenoemde KBLux-affaire. Daarbij had de Nederlandse Belastingdienst via een zogeheten spontane inlichtingenverstrekking van de Belgische belastingadministratie informatie gekregen over tegoeden die inwoners van Nederland aanhielden bij de Kredietbank Luxembourgeoise (KBLux). De betreffende gegevens bestonden uit fotokopieën van microfiches met gegevens over financiële rekeningen bij de KBLux. Saillant detail daarbij was dat het bewijsmateriaal oorspronkelijk in Luxemburg door diefstal of verduistering door (ex-)medewerkers van KBLux was verkregen, en vervolgens ter beschikking was gekomen van de Belgische autoriteiten. In één van de zaken die naar aanleiding van het zogeheten Rekeningenproject werd uitgeprocedeerd, kwam onder meer de rechtsvraag aan de orde of het aldus verkregen bewijsmateriaal in fiscale zin al dan niet onrechtmatig was verkregen.31
De strafkamer van de Hoge Raad oordeelde dat de omstandigheid dat het bewijsmateriaal door diefstal of verduistering (gepleegd door particulieren) was verkregen, niet in de weg stond aan het gebruik van dat bewijsmateriaal in een strafzaak.32 Uit het arrest kan worden afgeleid dat vragen over de (on)rechtmatigheid van de herkomst van de documenten alleen dan van belang kunnen zijn, indien overheidsdienaren op enigerlei wijze direct of indirect betrokken zouden zijn geweest bij de diefstal of de verduistering, of op enige andere wijze frauduleus gedrag van ex-werknemers van KB-Lux zouden hebben geïnitieerd of gefaciliteerd.33 De belastingkamer van de Hoge Raad heeft deze uitgangspunten later in algemene zin bevestigd voor belastingzaken.34
In de fiscale zaak had het Hof als theoretisch uitgangspunt genomen, dat de microfiches (wél) op strafrechtelijk onrechtmatige wijze waren verkregen. Het Hof overwoog vervolgens expliciet dat de inspecteur de gewraakte gegevens betreffende de Luxemburgse bankrekening ook met toepassing van art. 47 AWR had kunnen verkrijgen (de belastingplichtige zou verplicht zijn geweest de gegevens te verstrekken).35 De Hoge Raad accordeerde vervolgens het Hofoordeel dat de gegevens door de Nederlandse fiscus niet waren verkregen op een wijze die zozeer indruist tegen hetgeen van een behoorlijk handelende overheid mag worden verwacht, dat dit gebruik ontoelaatbaar moest worden geacht.36 De Hoge Raad verwees daarbij uitdrukkelijk naar de voorafgaande strafzaak. Doorslaggevend was dat er geen enkele aanwijzing was dat de Belgische overheid zelf de hand had gehad in de ontvreemding van de microfiches, terwijl ook anderszins voor de Nederlandse belastingautoriteiten geen aanleiding had bestaan om aan te nemen dat de buitenlandse autoriteiten bij de verkrijging van die microfiches fundamentele rechten van de rekeninghouders hadden geschonden.
Uit het voorgaande volgt naar mijn mening dat de norm van de behoorlijk handelende overheid bij de toepassing van het ‘zozeer indruist’-criterium niet alleen ziet op de inspecteur (maar zich uitstrekt tot de overheid als geheel)37 en bovendien niet beperkt is tot Nederlandse overheidsdiensten.38
Unierechtelijke aspecten
De Hoge Raad volgt ook in EU-rechtelijke zaken deze lijn.39 In dergelijke zaken kan het Unierecht evenwel een aanvullende werking hebben,40 bijvoorbeeld wanneer het gaat om het gebruik van strafrechtelijk onrechtmatig verkregen bewijs. Het HvJ EU acht het onaanvaardbaar wanneer bij de verkrijging en het aansluitende gebruik in de administratieve procedure de door het Unierecht gewaarborgde rechten (vastgelegd in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie41) worden geschonden. De nationale rechter moet daarop toezien. Dergelijk bewijs moet voor fiscale doeleinden worden uitgesloten als het gebruik daarvan zou leiden tot een schending van het Unierecht.42 Naar mijn mening is het denkbaar dat bepaalde bewijsmiddelen die naar Nederlands, nationaal recht nog (juist) toelaatbaar zijn, omdat zij (net) niet zijn verkregen op een wijze die ‘zozeer indruist’, toch buiten beschouwing moeten blijven omdat bij de verkrijging of het gebruik ervan de door het Unierecht gewaarborgde rechten zijn geschonden.43 Uiteraard moet er voor deze aanvullende werking van het Unierecht wel sprake zijn van een casus waarin het Unierecht van toepassing is, althans waarin daaraan kan worden getoetst. Dat is bijvoorbeeld niet het geval als het gaat om de vraag of bewijs dat in het kader van een strafrechtelijk onderzoek naar BTW-fraude onrechtmatig is verkregen, later gebruikt mag worden voor de heffing van inkomstenbelasting (normaliter een zuiver binnenlandse aangelegenheid).44