De rol van de paritas creditorum bij een faillissement
Einde inhoudsopgave
De rol van de paritas creditorum bij een faillissement 2023/4.3.3.2:4.3.3.2 Artikel 2:9 BW
De rol van de paritas creditorum bij een faillissement 2023/4.3.3.2
4.3.3.2 Artikel 2:9 BW
Documentgegevens:
mr. M.J. Noteboom, datum 31-05-2022
- Datum
31-05-2022
- Auteur
mr. M.J. Noteboom
- JCDI
JCDI:ADS686248:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie nader over artikel 2:9 BW: Strik 2010, Kroeze & Wezeman 2015.
Die exclusief bevoegd is om over het vermogen van de schuldenaar te beschikken.
Zie bijvoorbeeld: artikel 2:203 lid 3 BW (en HR 9 juli 2010, JOR 2010/260), artikel 2:139 BW en artikel 2:216 BW.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Een bestuurder is blijkens artikel 2:9 lid 1 BW tegenover de rechtspersoon gehouden tot een behoorlijke vervulling van de hem opgedragen taak. Elke bestuurder draagt verantwoordelijkheid voor de algemene gang van zaken. Hij is voor het geheel aansprakelijk op grond van onbehoorlijk bestuur, tenzij hem mede gelet op de aan anderen toebedeelde taken geen ernstig verwijt kan worden gemaakt en hij niet nalatig is geweest in het treffen van maatregelen om de gevolgen van het onbehoorlijk bestuur af te wenden (artikel 2:9 lid 2 BW).1
De aansprakelijkheid op grond van artikel 2:9 BW betreft de aansprakelijkheid van een bestuurder tegenover de rechtspersoon. Bij onbehoorlijke taakvervulling is iedere bestuurder hoofdelijk aansprakelijk voor de daaruit voortvloeiende schade van de rechtspersoon. Bij artikel 2:9 BW gaat het om de interne aansprakelijkheid: de aansprakelijkheid tussen de rechtspersoon en de bestuurder. Een vordering op grond van artikel 2:9 BW is dan ook een vordering van de rechtspersoon. Bij faillissement van de rechtspersoon kan de curator2 deze vordering instellen. De curator stelt deze vordering echter niet in namens de gezamenlijke schuldeisers, maar als vertegenwoordiger van de rechtspersoon. Het gaat hier dan ook niet om redres van schuldeisersbenadeling. Herstel van de onderlinge rangorde tussen schuldeisers is al helemaal niet de inzet van een vordering op grond van artikel 2:9 BW. Er is dan ook geen sprake van een regel waaraan het beginsel van de gelijkheid van schuldeisers ten grondslag ligt.
Op overige vormen van bestuurdersaansprakelijkheid ga ik niet nader in.3 Deze vormen komen aanmerkelijk minder vaak voor en – belangrijker in dit verband – van een regel waarin het beginsel van de gelijkheid van schuldeisers tot uitdrukking komt is geen sprake. Er is namelijk telkens geen sprake van een situatie waarbij een concurrente schuldeiser wel wordt voldaan, terwijl de overige concurrente schuldeisers geen betaling ontvangen. Een ongelijke behandeling van concurrente schuldeisers doet zich dan ook niet voor.
Daarnaast kan door de curator tegen de bestuurders worden geageerd op grond van artikel 6:162 BW. Deze mogelijkheid bestaat echter ook meer algemeen richting derden die schuldeisersbenadeling hebben veroorzaakt. Daarom bespreek ik hierna de onrechtmatige daad afzonderlijk waarbij ik zowel zal ingaan op onrechtmatig handelen van de bestuurders als op de onrechtmatig handelen door een derde partij in zijn algemeenheid.