Einde inhoudsopgave
Eigendomsvoorbehoud (Rechtswetenschappelijke publicaties) 2018/8.9.6
8.9.6 De invloed van de verkoper en de koper op de stabiliteit van het eigendomsrecht onder opschortende voorwaarde
E.F. Verheul, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
E.F. Verheul
- JCDI
JCDI:ADS397342:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Een dergelijke wijziging van de voorwaarde moet worden beschouwd als een wijziging van de titel die aan de voorwaardelijke overdracht ten grondslag ligt, zodat daarvoor een daartoe strekkende overeenkomst is vereist, die medewerking van zowel verkoper als koper vergt. Zie voor afstand van de voorwaarde – waarmee evenzeer de koopovereenkomst wordt gewijzigd – en de vraag in hoeverre een ander, zoals de verkrijger van (een pandrecht op) het voorwaardelijk eigendomsrecht, de koper daarbij kan vertegenwoordigen HR 28 november 2014, NJ 2016, 90 m.nt. H.J. Snijders (Snippers q.q./Rabobank).
Vgl. punt 7 en 8 van de noot van F.M.J. Verstijlen onder HR 3 juni 2016, NJ 2016, 290 (Rabobank/Reuser).
Vgl. Everts 1883, p. 100-101.
Zie in deze richting Stolz 2015, p. 1009.
Vgl. Stolz 2015, p. 1010.
HR 17 juni 1960, NJ 1962, 60.
Zie daarover hierna in paragraaf 8.10.1.
Vgl. Rinke 1998, p. 204-205 en Mülbert 2002, p. 922-923. Vgl. ook Gernhuber 1981, p. 39-49.
Vgl. Lux 2004, p. 147 die spreekt van ‘die mit dem Anwartschaftsrecht bereits beim Erwerb verbundenen Schwächen.’
Hiervoor is er reeds meermalen op gewezen dat de aan de overdracht ten grondslag liggende koopovereenkomst een stempel drukt op de modaliteiten van het eigendomsrecht onder opschortende voorwaarde. Aangezien de nakoming van de koopovereenkomst door de koper de inhoud vormt van de voorwaarde waarvan de eigendomsoverdracht afhankelijk is gemaakt, bepaalt de inhoud van de koopovereenkomst – over de boeg van de voorwaarde – tevens de modaliteiten en stabiliteit van het eigendomsrecht onder opschortende voorwaarde.
Dit causale karakter van het voorwaardelijk eigendomsrecht blijft ook behouden na een overdracht van het eigendomsrecht onder opschortende voorwaarde door de koper aan een derde.1 Vervolgens is het de vraag in hoeverre de verkoper en de koper de mogelijkheid hebben om invloed uit te oefenen op de rechtspositie van de verkrijger van het voorwaardelijk eigendomsrecht door wijziging van de koopovereenkomst. Aangezien de koopovereenkomst via de voorwaarde van invloed is op de modaliteiten van het eigendomsrecht onder opschortende voorwaarde, lijkt het denkbaar dat partijen via een wijziging van de koopovereenkomst een wijziging van het eigendomsrecht onder opschortende voorwaarde kunnen bewerkstelligen. Daarbij kan gedacht worden aan het geval dat partijen in eerste instantie uitsluitend een eenvoudig eigendomsvoorbehoud zijn overeengekomen, maar nadien het eigendomsvoorbehoud verbreden tot andere vorderingen.2 Daardoor wordt de verkrijging van de onvoorwaardelijke eigendom afhankelijk gesteld van de voldoening van nadere vorderingen, waardoor de positie van de verkrijger van het eigendomsrecht onder opschortende voorwaarde ogenschijnlijk verslechtert.
Toch is dat niet het geval. De inhoud van de voorwaarde vormt een integrerend onderdeel van het voorwaardelijk eigendomsrecht: de voorwaarde is ‘ingebakken’ in het eigendomsrecht zelf.3 Aangezien de voorwaarde de modaliteiten van het eigendomsrecht onder opschortende voorwaarde bepaalt, is een goederenrechtelijke mutatie noodzakelijk om tot een wijziging van dit recht te komen.4 De wijziging van de voorwaarde leidt immers ook tot een herschikking van de beide voorwaardelijke eigendomsrechten. Teneinde derhalve aan de obligatoire wijziging van de voorwaarde ook op goederenrechtelijk niveau gevolg te geven, is daarvoor een beschikkingshandeling nodig, die in het algemeen besloten zal liggen in de wijziging van de voorwaarde zelf.5 Wanneer daarentegen een ander dan de koper rechthebbende van het eigendomsrecht onder opschortende voorwaarde is, zal de wijziging van de voorwaarde door de verkoper en de koper goederenrechtelijk geen effect kunnen sorteren, nu voor wijziging van het eigendomsrecht onder opschortende voorwaarde beschikkingsbevoegdheid is vereist. Aangezien een wijziging van de voorwaardelijke overdracht de beide voorwaardelijke eigendomsrechten modificeert, is daarvoor vereist dat de eigenaar onder ontbindende voorwaarde en de eigenaar onder opschortende voorwaarde daarbij betrokken zijn. Door een beschikkingsonbevoegde kunnen de karaktertrekken van het goederenrechtelijk recht immers niet ten detrimente van de rechthebbende worden gewijzigd.6
Uit het arrest Helmig/Smit q.q. volgt mijns inziens niets anders.7 In dat arrest stond de vraag centraal of bij een cessie tot zekerheid een nieuwe cessie noodzakelijk is, indien partijen na de cessie overeenkomen dat de gecedeerde vordering mede tot zekerheid zal strekken van een andere schuld. De Hoge Raad beantwoordde die vraag ontkennend en baseerde zijn oordeel op de omstandigheid dat bij de cessie tot zekerheid ‘anders dan bij verpanding, het tot zekerheid dienende recht in zijn geheel aan den schuldeiser wordt overgedragen, zodat voor een nieuwe overdracht tot zekerheid van een andere schuld, geen plaats is.’ Uitgegaan werd derhalve van een onvoorwaardelijke cessie tot zekerheid en niet van een cessie onder ontbindende voorwaarde van voldoening van de schuld waarvoor de vordering tot zekerheid is gecedeerd. Wel besteedde de Hoge Raad in een overweging ten overvloede nog aandacht aan de situatie dat wel sprake zou zijn van een zekerheidscessie onder ontbindende voorwaarde. Daarbij oordeelde hij dat de schriftelijke vorm in een dergelijk geval niet mede in acht behoefde te worden genomen voor de naderhand plaatsvindende uitbreiding van de vorderingen. Ook daaraan kan voor het huidige recht niets worden afgeleid, nu onder het oude recht niet uitgegaan placht te worden van een systematiek waarbij de voorwaarde leidde tot een inhoudelijke modificatie van het recht zelf, maar de terugwerkende kracht gehanteerd werd als verklaringsmechanisme. In een zodanig geval speelt de wijziging van de voorwaarde zich uitsluitend af op obligatoir niveau, zonder dat zij leidt tot een goederenrechtelijke mutatie van het recht zelf. Bovendien was in het arrest niet de vraag aan de orde in hoeverre een dergelijke uitbreiding ook zou kunnen geschieden indien de rechten van derden daarbij betrokken waren.
Deze hier bepleite benadering stemt in resultaat overeen met de oplossing van het Duitse recht, zij het dat het Duitse recht op dit punt moeilijkheden kent bij de onderbouwing van dit zowel in literatuur als rechtspraak wenselijk geachte resultaat. Deze moeilijkheden komen voort uit de omstandigheid dat het verband tussen het eigendomsrecht op de zaak, de eigendomsoverdracht en het Anwartschaftsrecht in de Duitse doctrine buitengewoon raadselachtig is,8 als gevolg waarvan niet duidelijk naar voren komt op welke wijze een wijziging van (een van de vereisten voor) de eigendomsoverdracht doorwerkt in het Anwartschaftsrecht van de koper.9 Het BGH stelde in een geval waarin een eenvoudig eigendomsvoorbehoud na een zekerheidsoverdracht door de koper van het Anwartschaftsrecht tot een verbreed eigendomsvoorbehoud werd uitgebreid door de verkoper en de koper, voorop dat de koper niet zonder toestemming van de Anwartschaftszweiterwerber ‘beliebig über das Anwartschaftsrecht’ kan beschikken:
‘Unter einer Verfügung ist ein Rechtsgeschäft zu verstehen, durch das der Verfügende auf ein Recht unmittelbar einwirkt, es also entweder auf einen Dritten überträgt oder mit einem Recht belastet oder das Recht aufhebt oder es sonstwie in seinem Inhalt ändert (…). Wird der im Kaufvertrag vereinbarte Eigentumsvorbehält nachträglich in der Weise ausgedehnt, daû der Einigung über den Eigentumsübergang anstelle der Bedingung der vollständigen Zahlung des Kaufpreises die Bedingung der Tilgung weiterer Forderungen aus der Geschäftsverbindung zwischen Vorbehaltsverkäufer und Vorbehaltskäufer beigefügt wird, daû also die Kaufsache als Kreditmittel für andere, sich nicht aus dem Kaufvertrag ergebende Forderungen eingesetzt wird, so führt ein solches Rechtsgeschäft unmittelbar zu einer inhaltlichen Änderung des Anwartschaftsrechts, welches sich als das auf eine Sache beziehende bedingte Eigentumsrecht darstellt (…). Zu einer derartigen Inhaltsänderung ist der Vorbehaltskäufer nach Übertragung des Rechts auf einen Dritten infolge fehlender Rechtszuständigkeit (§ 185 BGB) nicht mehr befugt.’10
Onduidelijk blijft in de uitspraak op welke wijze een wijziging van de voorwaarde en de goederenrechtelijke overeenkomst, waaraan de voorwaarde is verbonden, leidt tot een wijziging van het Anwartschaftsrecht. Naar Nederlands recht laat zich dit eenvoudig verklaren. Het voorwaardelijk eigendomsrecht is de resultante van de voorwaardelijke overdracht (art. 3:84 lid 4 BW), zodat een wijziging van de voorwaardelijke overdracht ook een wijziging van het voorwaardelijke recht bewerkstelligt. Teneinde een dergelijke wijziging te bewerkstelligen, is derhalve beschikkingsbevoegdheid vereist. Aangezien naar Duits recht minder duidelijk is wat de samenhang is tussen de voorwaardelijke overdracht en het Anwartschaftsrecht, laat zich een dergelijk argumentatie voor het Duitse recht minder goed voorstellen. Toch lijkt het BGH uiteindelijk ook in die richting te denken, nu hij opmerkt dat het Anwartschaftsrecht een ‘auf eine Sache beziehende[s] bedingte[s] Eigentumsrecht darstellt.’
Geheel overtuigd van zijn eigen motivering lijkt het BGH echter niet, aangezien hij deze constatering laat volgen door een trits wenselijkheidsargumenten: in de rechtspraak en literatuur is aan de rechthebbende van een Anwartschaftsrecht een sterke positie toegekend, die het hem mogelijk maakt ‘den Wert, der in der Chance des Erwerbs des Vollrechts liegt, bereits in der Gegenwart zu Kreditzwechen für sich zu nutzen.’ Het zou met de functie van het Anwartschaftsrecht en de gerechtvaardigde belangen van het handelsverkeer op gespannen voet staan dat de koper na de overdracht van het Anwartschaftsrecht, dit recht zonder toestemming van de rechthebbende economisch zou kunnen ‘entwerten’. Dat het oordeel van het BGH bovendien niet enkel volgt uit het feit dat de wijziging van de voorwaarde een beschikking is, blijkt verderop waar hij opmerkt dat in elk afzonderlijk geval beoordeeld moet worden in hoeverre een Aufhebung van de koopovereenkomst al dan niet gerechtvaardigd is en derhalve kan worden bewerkstelligd zonder toestemming van de verkrijger van het Anwartschaftsrecht.11 Ondanks – of misschien juist vanwege – het feit dat het BGH het oordeel voornamelijk op wenselijkheidsoverwegingen baseert, is het oordeel in de Duitse literatuur overwegend instemmend ontvangen, zij het dat dikwijls een afwijkende argumentatie wordt aangedragen ter onderbouwing van het resultaat.12
Van belang is wel dat de verkrijger van het voorwaardelijk eigendomsrecht op grond van het voorgaande niet beschermd is tegen alle handelingen van de koper en de verkoper die uitwerking hebben op het voorwaardelijk eigendomsrecht. Wanneer deze kwetsbaarheid van het voorwaardelijk eigendomsrecht van meet af aan is ingebakken in het voorwaardelijk eigendomsrecht zelf, moet de verkrijger van het eigendomsrecht onder opschortende voorwaarde dit tegen zich laten gelden.13 Daarvan is sprake bij ontbinding van de koopovereenkomst. Het causale karakter van het eigendomsrecht onder opschortende voorwaarde ligt vanaf de totstandkoming van de voorwaardelijke overdracht besloten in het recht zelf, zodat de verkrijger het eigendomsrecht onder opschortende voorwaarde slechts behept met het causale karakter kan verkrijgen. Wanneer de verkoper – of de koper – derhalve overgaat tot ontbinding van de koopovereenkomst, vervalt het eigendomsrecht onder opschortende voorwaarde, ook als inmiddels een ander dan de koper rechthebbende is van dat recht. De ontbinding van de koopovereenkomst heeft derhalve niet te gelden als een nadien intredende wijziging van het eigendomsrecht onder opschortende voorwaarde.