Einde inhoudsopgave
De meerwaarde van meervoud (SteR nr. 48) 2019/1.3
1.3 Wetenschappelijke relevantie
mr. drs. R. Baas, datum 24-12-2019
- Datum
24-12-2019
- Auteur
mr. drs. R. Baas
- JCDI
JCDI:ADS174169:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht / Rechtspraak
Voetnoten
Voetnoten
Hartendorp 2008, p. 25, 197; Van Dunné 1980/2006, p. 740-741.
Kornhauser & Sager 1986.
Onder andere: Wood 2012; Kornhauser 2010; Landa & Lax 2009; Hettinger, Lindquist & Martinek 2006.
Van Heukelom 1859.
Weekblad van het Recht, 11 september 1924.
Bijvoorbeeld Drabbe 1959; Wesseling-van Gent 1984; De Hullu 1987; André de la Porte 1988; Corstens 1999.
De Raad voor de rechtspraak expliceert dat rechtsplegingsonderzoek signalerende, beleidsondersteunende en strategische functies heeft. Het genereert kennis over het functioneren van de rechtspraak en brengt relevante ontwikkelingen in kaart; het biedt inzicht in de gevolgen van beleidswijzigingen; en het draagt kennis aan waarmee de visie- en strategievorming van de rechterlijke macht wordt ondersteund (Agenda voor onderzoek, ontwikkeling en kennisdeling 2017-2018).
Ten Velden & De Dreu 2012; Bauw, Van Dijk & Sonnemans 2013. Tot ander empirisch rechtsplegingsonderzoek behoren: Dijkstra (2016) met studie naar rechterlijke uitingsvrijheid; IJzermans (2013) naar de rol van emoties bij het rechterlijke oordeel; Van der Linden (2008) naar enkelvoudige comparities; Hartendorp (2008) naar rechtspraak als praktische oordeelsvorming; Mak (2008) naar uitgangspunten voor de rechterlijke organisatie; en Ippel & Heeger-Hertter (2006) naar enkelvoudige zittingen.
In eerdere studies is opgemerkt dat empirisch onderzoek naar rechterlijke oordeelsvorming nog sporadisch voorkomt, terwijl deze verschijningsvorm van het recht zich goed leent voor empirische bestudering.1 Dat gold tot voor kort zeker ook voor vergelijking tussen meervoudige en enkelvoudige rechtspraak. Ook over de grenzen was daar tot de jaren negentig weinig belangstelling voor. Kornhauser & Sager merkten in 1986 op dat traditionele theorieën van rechterlijke oordeelsvorming merkwaardig genoeg onvolledig zijn, omdat zij rechtspraak steeds als een individuele activiteit beschouwen en het collegiale karakter van rechtspraak veronachtzamen.2 In de Engelstalige literatuur is het onderwerp sindsdien veel meer in de belangstelling gekomen, al richt die zich meestal zozeer op het Amerikaanse rechtssysteem dat het resultaat zich niet vaak leent voor toepassing in de continentale of Nederlandse rechtspleging.3
In de Nederlandse rechtswetenschap was lange tijd slechts sporadisch aandacht voor meervoudige en enkelvoudige rechtspraak. In 1859 was nog een proefschrift gewijd aan de ‘alléén-regtsprekende rechter’,4 dat een pleidooi inhield voor het vaker toepassen van unusrechtspraak. Daarna bleef het lange tijd stil. In 1924 schreef het Weekblad van het Recht:
‘Of de ervaring heeft bewezen, dat inderdaad aan de uitspraak van één persoon, ondanks het bewustzijn van zijn macht, altijd blijft binnen de grenzen van onpartijdigheid en objectiviteit, daarover zal verschil van gevoelen nog wel niet uitgesloten zijn. De psychologie van den alleensprekenden rechter is nog niet geschreven.’5
Sindsdien verschenen incidenteel artikelen over het onderwerp.6 De meeste daarvan bevatten opvattingen over meervoudige en enkelvoudige rechtspraak. Weinige berusten op empirisch onderzoek naar daadwerkelijke gevolgen van deze vormen van rechtspraak. Dat is spijtig, aangezien empirisch onderzoek naar de uitwerking van rechtsregels en empirische verificatie van aannames daarover de relevantie van recht en rechtsgeleerdheid versterken.7
De laatste jaren hebben echter diverse publicaties over meervoudig en enkelvoudig beslissen het daglicht gezien. Zo hebben Ten Velden & De Dreu gewezen op psychologische mechanismen in oordeelsvorming door groepen en individuen en hebben Bauw, Van Dijk & Sonnemans experimenten uitgevoerd naar de kwaliteit van meervoudige en enkelvoudige besluitvorming.8 Dit onderzoek bouwt daarop voort door inzicht te bieden in normen en praktijk van zaakstoedeling en met name in rechterlijke oordeelsvorming, door observatie van zittingen en raadkamers en bestudering van jurisprudentie. Het vult daarmee een leemte in de kennis over en het begrip van belangrijke elementen van de rechtspleging in Nederland. Evenzeer slaat het een brug tussen theorie en praktijk door empirische bevindingen te vergelijken met vooronderstellingen over meervoudige en enkelvoudige rechtspraak en theoretische noties over rechterlijke oordeelsvorming. Daarmee helpt het kennis en gedachtevorming te ontwikkelen over de organisatie van de rechtspraak en rechterlijke denk- en oordeelsprocessen, die bruikbaar zijn in het juridisch onderwijs en onderzoek alsook in de professionele praktijk.