Einde inhoudsopgave
De civielrechtelijke inbedding van het besluitenaansprakelijkheidsrecht (O&R nr. 128) 2021/7.5.3.0
7.5.3.0 Introductie
mr. P.A. Fruytier, datum 01-06-2021
- Datum
01-06-2021
- Auteur
mr. P.A. Fruytier
- JCDI
JCDI:ADS284685:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen / Overheid en privaatrecht
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Voetnoten
Voetnoten
HR 24 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU7935, NJ 2009/485, m.nt. M.R. Mok (Pfizer/Cosmétique) en HR 10 november 2006, ECLI:NL:HR:2006:AY9317, NJ 2008/491, m.nt. J.B.M. Vranken (AstraZeneca/Amicon).
Parl. Gesch. Boek 6, p. 632 (TM) en 638 (MvA II).
Zie over de lastige verhouding tussen de bestuursrechtelijke relativiteitsleer van art. 8:69a Awb en de huidige (positief vormgegeven) civielrechtelijke relativiteitsleer van art. 6:163 BW onder meer Den Hollander 2012, p. 443 e.v., Schlössels 2014, p. 198 e.v. en Barkhuysen e.a. 2016, onder 7.5 die er terecht op wijzen dat de leren zich in het huidige systeem niet steeds even makkelijk tot elkaar verhouden. De lastige verhouding ontstaat volgens mij in de eerste plaats omdat de bestuursrechtelijke relativiteitstoets negatief is ingestoken en de civielrechtelijke relativiteit positief. Dat leidt tot problemen, omdat de gezamenlijke relativiteitsnoemer de suggestie wekt dat het negatieve bestuursrechtelijke relativiteitsoordeel reeds iets vaststelt over de personen en de schade waartegen de norm civielrechtelijk wél wil beschermen. In mijn model bestaat dat probleem niet, althans in mindere mate, omdat beide leren samenvallen, zij het dat de bestuursrechtelijke relativiteitstoets als gevolg van de kennelijkheidseis marginaler is. Overigens zal de bestuursrechter in het kader van zijn art. 8:69a Awb-oordeel soms méér over strekking van de norm vaststellen dan ten behoeve van de art. 8:69a Awb-toets noodzakelijk is. Zo kan de bestuursrechter soms oordelen dat uit hetgeen waartegen de norm wél wil beschermen volgt welke belangen de norm kennelijk niet beschermt. Zie hierover §7.2.5. Het ligt voor de hand dat de civiele en bestuursrechter hun relativiteitsoordelen zoveel mogelijk (mede in onderling overleg) op elkaar afstemmen. Art. 8:69a Awb of 6:163 BW nopen volgens mij echter niet tot enig door de civiele rechter te hanteren uitlegvermoeden of iets dergelijks. Dat strookt ook niet met de onafhankelijkheid van de rechtspraak.
Zie hierover onder andere ABRvS 11 november 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2706 (Twiske Zuid II), ABRvS 16 maart 2016, ECLI:NL:RVS:2016:732, AB 2016/249, m.nt. T.E.P.A. Lam (Van Neerbos) alsmede de zeer uitvoerige daaraan voorafgaande conclusie van A-G Widdershoven d.d. 2 december 2015, JOM 2015/1097. Zie verder ABRvS 20 juli 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2042, TBR 2016/136, m.nt. A.G.A. Nijmeijer (Werkendam).
ABRvS 2 oktober 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3322 (Weert).
Hier vallen mijn model en Hartliefs art. 6:98-BW model (zie §7.3.2) volgens mij vrijwel steeds samen: schade waartegen de norm duidelijk wil beschermen is volgens mij ook ‘normaaltypisch’ voor het normschendend gedrag. De schade is daarom toerekenbaar aan het normschendend gedrag.
Zo’n tendens naar een omstandighedentoets in diffuse gevallen is overigens al zichtbaar bij de invulling van het relativiteitsvereiste van art. 8:69a Awb. In ABRvS 24 juni 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1481, JOM 2020/373 (X/Valkenswaard) moet de ABRvS oordelen over het beschermingsbereik van de Natuurbeschermingswet (Nbw). Volgens de ABRvS strekken de bepalingen uit de Nbw over de beoordeling van projecten en andere handelingen die gevolgen kunnen hebben voor een Natura 2000-gebied ter bescherming van het behoud van de natuurwaarden in die gebieden. De individuele belangen van burgers bij het behoud van een goede kwaliteit van hun leefomgeving, waarvan een Natura 2000-gebied deel uitmaakt, kunnen volgens de ABRvS echter zo verweven zijn met het algemene belang dat de Nbw beoogt te beschermen, dat niet kan worden geoordeeld dat de betrokken normen van de Nbw kennelijk niet strekken tot bescherming van hun belangen (vgl. ABRvS 13 juli 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BR1412, TBR 2011/152, m.nt. A.G.A. Nijmeijer (Het Guldenbos/Hoorn). Daarvoor ontwikkelt de ABRvS vervolgens een gezichtspuntencatalogus. Van belang is volgens de ABRvS: (i) de situering van de woning van de betrokkene, al dan niet tussen overige bebouwing, (ii) de afstand tussen de woning van betrokkene en het natuurgebied, (iii) hetgeen aanwezig is in het gebied tussen de woning en het Natura 2000-gebied en (iv) het al dan niet bestaande, gehele of gedeeltelijke directe zicht vanuit de woning op het gebied. Men herkent hierin in essentie een aantal typische 6:98 BW-gezichtspunten: de voorzienbaarheid en de verwijderdheid van het belang (het bestuursrecht denkt niet in termen van schade). De benadering is wat mij betreft dogmatisch niet zo fraai, omdat de strekking van de wet zo beïnvloed wordt door concrete omstandigheden. De inhoud van de wet staat echter vast en moet door uitleg worden gevonden. De bestuursrechter heeft echter bij gebrek aan een bestuursrechtelijk art. 6:98 BW-equivalent geen andere keus.
Zie hierover bijvoorbeeld uitvoerig Borst 2019.
511. Op basis van de voorgaande beschouwingen laat zich inmiddels de vraag beantwoorden hoe art. 6:163 BW en 6:98 BW zich wel tot elkaar zouden moeten verhouden en zouden moeten worden ingevuld. Volgens mij kan met een driestapstoets een duidelijke verhouding tussen de relativiteit en de redelijke toerekening worden gecreëerd. Die driestapstoets maakt bovendien duidelijk aan de hand van welke criteria de verschillende vragen beantwoord moeten worden. Ik licht hieronder de verschillende stappen toe.
Stap 1) Strekt de geschonden norm gezien haar doel en strekking duidelijk niet tot bescherming van de gelaedeerde, diens schade of de intredingswijze?
512. Mijns inziens moet allereerst weer worden gewerkt met een negatief relativiteitsvereiste: er bestaat geen aansprakelijkheid voor schade als met voldoende mate van zekerheid vastgesteld kan worden dat de geschonden norm niet strekt tot bescherming van de gelaedeerde, van diens schade of tegen de intredingswijze daarvan.
513. Dit negatieve vereiste sluit allereerst aan bij de negatief geformuleerde tekst van de wet. Bovendien komt deze negatieve benadering tegemoet aan een aantal hiervoor gesignaleerde belangrijke bezwaren van de huidige positieve drieledige relativiteitstoets. De negatieve toets vereist, anders dan de positieve toets, nog geen sluitend antwoord op de vraag of de schade zoals geleden vergoed moet worden. Deze toets filtert aan de hand van de relativiteit enkel de gevallen eruit waartegen de norm in ieder geval niet wil beschermen. Voor het aannemen van aansprakelijkheid is dan geen goede reden. Voor het overige dient de vraag van de omvang van aansprakelijkheid op grond van art. 6:98 BW te worden beantwoord.
514. Bij wettelijke normen kan door middel van uitleg – met alle daarvoor bestaande uitleginstrumenten – worden vastgesteld waartegen de norm gezien haar aard en strekking in ieder geval niet wil beschermen. In zoverre kan de negatieve relativiteitsvraag door middel van wetsuitleg beantwoord worden. Bij ongeschreven normen geldt mutatis mutandis hetzelfde. Men zal aan de hand van het gevaar waartegen de norm in abstracto beschermt en de algemene achterliggende noties en beginselen moeten nagaan of al meteen kan worden vastgesteld dat de voorliggende schade in ieder geval niet onder het beschermingsbereik van de norm valt. Bij rechtsinbreuken moet deze negatieve vraag beantwoord worden aan de hand van de aard, inhoud en het doel van het geschonden recht.
515. We hebben in dit hoofdstuk al verschillende voorbeelden gezien waaruit bleek dat zich veelal negatief laat vaststellen dat de norm niet strekt tot bescherming van de persoon, de schade of de intredingswijze. Zo was op basis van uitleg van de geschonden norm vast te stellen dat de Wgv en de daaraan ten grondslag liggende richtlijnen enkel zien op bescherming van de volksgezondheid. Daaruit laat zich omgekeerd, negatief, vaststellen dat die normen dus niet strekken tot bescherming van de concurrentiepositie van medicijnfabrikanten (§7.4.2). Een vergelijkbaar geval zagen we eerder al voor ongeschreven normen. De waarschuwingsplicht voor een openstaand kelderluik strekt in verband met het gevaar waartegen de norm in abstracto wil beschermen (een val in het luik) in ieder geval niet tot bescherming tegen schade doordat men er in het voorbijlopen tegenaan schuurt (§7.2.3.1). Ook voor rechtsinbreuken zagen wij hiervan al een voorbeeld: het huurrecht op woonruimte strekt tot verschaffing van woongenot. Omgekeerd volgt daaruit dat dat huurrecht in ieder geval niet strekt tot vergoeding van door de bewoner gederfde winst wegens een daarin uitgebate thuiswinkel (§7.2.3.2).
516. Het voorgaande betekent dat het model geen aansluiting zoekt bij het door de wetgever beoogde – en door de Hoge Raad verworpen –1 systeem dat inhoudt dat de relativiteit wél moet worden aangenomen, tenzij vastgesteld kan worden dat de relativiteit ontbreekt (zie hiervoor §7.2.2).2 Dat systeem neemt namelijk tot uitgangspunt dat norm de gelaedeerde steeds wél beschermen tegen diens schade, tenzij het tegendeel vastgesteld kan worden. Mijn model neemt enkel tot uitgangspunt dat de relativiteit op de voet van art. 6:163 BW in ieder geval ontbreekt als zich door middel van uitleg laat vaststellen dat de norm niet strekt tot bescherming van de gelaedeerde of de schade zoals geleden. Daaruit mag niet omgekeerd de conclusie getrokken worden dat de norm dus wél tot bescherming daarvan strekt. Of de norm duidelijk wel tot bescherming van de gelaedeerde en diens schade strekt, vereist evenzeer een uitleg van de norm.
517. Deze benaderingswijze van de civiele relativiteit geeft ook vorm aan haar verhouding tot de bestuursrechtelijke relativiteit van art. 8:69a Awb (zie hiervoor §7.2.5).3 Die relativiteitseis houdt in dat de bestuursrechter een besluit niet vernietigt op grond dat het strijdt met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel als die regel of dat beginsel kennelijk niet strekken tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept.4 In §7.2.5 zagen we dat deze toets eveneens negatief is. De bestuursrechter maakt dus een voorselectie: waar de norm kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept, geldt eveneens dat de norm niet strekt tot bescherming van diens schade ex art. 6:163 BW. De door mijn bepleite civiele relativiteitstoets en de bestuursrechtelijke relativiteitstoets congrueren in zoverre.
De vordering van de gelaedeerde/belanghebbende bij het besluit loopt in deze gevallen dus al vast in de bestuursrechtelijke kolom. Hij komt dan namelijk bij de bestuursrechter op tegen een besluit op basis van een norm die kennelijk niet strekt tot bescherming van zijn belang. Het besluit blijft dan in stand, waardoor het formele rechtskracht krijgt. De civiele rechter gaat op die grond ervan uit jegens hem rechtmatig is gehandeld.
518. Omgekeerd volgt uit de bestuursrechtelijke beslissing dat niet kan worden gezegd dat een norm kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van de appellant uiteraard nog niet dat de norm dus wél strekt tot het bieden van bescherming van de gelaedeerde tegen diens schade. Ten eerste is de bestuursrechtelijke relativiteitstoets strikter: hij is beperkt tot gevallen waarin evident (‘kennelijk’) is dat de norm de appellant niet wil beschermen. Ten tweede richt de bestuursrechtelijke relativiteitstoets zich op belangen, terwijl de civiele toets zich richt op schade – of eigenlijk beter: het bieden van vermogensrechtelijke bescherming (zie §7.2.2.2) Het is denkbaar dat een norm wél bestuursrechtelijke belangen op het oog heeft, maar toch niet wil beschermen tegen schade. Ik geef een voorbeeld.
519. Een burger kan bijvoorbeeld opkomen voor door de Wet natuurbescherming (Wnb) beschermde natuurwaarden voor Natura 2000 gebieden, indien dat gebied deel uitmaakt van diens leefomgeving. De aantasting van het natuurgebied is dan een bestuursrechtelijk belang, omdat het raakt aan het behoud van de goede kwaliteit van diens woon- en leefomgeving.5 Die natuurnormen willen volgens mij – de rechter heeft zich erover nog niet uitgesproken – vanwege hun gerichtheid op natuurbehoud echter niet beschermen tegen eventuele schade van die burgers – zij bieden dus geen vermogensrechtelijke bescherming.
Stap 2) Is de schade ex art. 6:98 BW toerekenbaar, omdat zich positief laat vaststellen dat de norm de gelaedeerde wel tegen diens schade en de intredingswijze daarvan wil beschermen?
520. Met stap 1 is getoetst aan de relativiteitseis van art. 6:163 BW. Vervolgens moet op de voet van art. 6:98 BW getoetst worden in hoeverre de veroorzaakte schade toegerekend kan worden aan de onrechtmatige gedraging.
521. In het kader van de redelijke toerekeningstoets spelen de aard en strekking van de geschonden norm een belangrijke rol (zie §7.3.2). We hebben eerder gezien dat schade in ieder geval vergoed moet worden als de geschonden norm de gelaedeerde daartegen duidelijk wel wil beschermen. Het is lastig vol te houden dat dan desondanks nog betekenis toekomt aan andersoortige gezichtspunten, zoals de verwijderdheid van de schade of de waarschijnlijkheid van het intreden daarvan (zie §7.4.1). Daaruit volgt dat schade in ieder geval moet worden toegerekend, als de geschonden norm de gelaedeerde daartegen wil beschermen. In §7.4.1 kwam al aan de orde dat de Hoge Raad deze gedachtegang soms zelf ook expliciet volgt.
522. We hebben eerder al gezien dat vaak door uitleg kan worden vastgesteld dat een wettelijke norm de gelaedeerde wél wil beschermen tegen de ingetreden schade. De uit de Wtv voortvloeiende toezichtsverplichtingen van de Verzekeringskamer op levensverzekeraar Vie d’Or strekken er blijkens de parlementaire geschiedenis toe de verzekerden te beschermen tegen misgelopen uitkeringen als gevolg van een faillissement van de verzekeraar. Lopen verzekerden die uitkeringen mis als gevolg van een faillissement wegens onvoldoende toezicht, dan wil de norm daartegen dus beschermen. Verder zien de toezichtsverplichtingen van de Arbeidsinspectie naar aanleiding van een uitgevaardigd algemeen asbestverbod uiteraard mede op voorkoming van asbestschade bij werknemers van onder toezicht staande bedrijven. Die inspecties vinden immers juist ten behoeve van die gelaedeerde en dat soort schade plaats. Daarom vallen letsel- en overlijdensschade alsmede inkomensschade als gevolg van asbestblootstelling onder het beschermingsbereik van die toezichtsverplichtingen (zie §7.4.2). Verder is ook duidelijk dat de ongeschreven Kelderluik-norm, naast letselschade, ook wil beschermen tegen inkomensschade als gevolg van het intreden van het gevaar waartegen de norm wil beschermen. Ten slotte wil bijvoorbeeld het eigendomsrecht evident beschermen tegen gederfde winst doordat dat recht wegens de rechtsinbreuk daarop niet kan worden geëxploiteerd. In al deze gevallen kan de schade daarom op de voet van art. 6:98 BW zonder meer worden toegerekend aan de onrechtmatige daad.6
523. We zagen verder in §7.2.5 dat bestuursrechters soms in het kader van de bestuursrechtelijke relativiteitsvraag ex art. 8:69a Awb (strekt de norm kennelijk niet tot bescherming van het belang van de appellant) al een positief antwoord geven op de vraag welk belang de norm wel wil beschermen. Soms is dat belang vermogensrechtelijk van aard. Het spreekt dan voor zich dat de norm ook tegen die schade wil beschermen.
Stap 3): Moet de schade op grond van een integrale art. 6:98 BW-afweging aan de onrechtmatige daad toegerekend worden?
524. Ten slotte resteren de twijfelgevallen waarin zich enerzijds niet laat vaststellen dat de geschonden norm de gelaedeerde niet tegen de schade zoals geleden wil beschermen, maar zich evenmin laat vaststellen dat de geschonden norm daartegen wél wil beschermen. Die twijfel kan ook bestaan ten aanzien van één of enkele schadecomponenten. In dat geval staat de negatief vormgegeven relativiteitsleer van art. 6:163 BW dus niet aan aansprakelijkheid in de weg, maar kan men evenmin zeggen dat de schade aan de onrechtmatige daad toegerekend moet worden op de enkele grond dat de geschonden norm daartegen duidelijk wél wil beschermen.
525. De beslissing over de toerekening vindt dan plaats aan de hand van de in het kader van art. 6:98 BW ontwikkelde gezichtspunten. Doel en de strekking van de geschonden norm spelen een rol, maar er komt ook betekenis toe aan alle andere in het kader van art. 6:98 BW ontwikkelde gezichtspunten, zoals de aard van de schade (letselschade, zaakschade, zuivere vermogensschade), de aard van de aansprakelijkheid, de verwijderdheid van de schade ten opzichte van de schadeveroorzakende gebeurtenis (waaronder mede is te verstaan: primair aansprakelijk, of secundair aansprakelijk), de aan- of afwezigheid van een verzekering etc. (zie §7.3.2). Voorts kan in deze benadering betekenis toekomen aan de mate van schuld van de laedens.7
526. Dit driestapsmodel maakt mijns inziens duidelijker welke vragen zich via de relativiteit laten beantwoorden en welke vragen leunen op de gezichtspunten van art. 6:98 BW. Voor iedere vraag bestaat zo ook een eigen normenkader. Deze benadering leunt met name bij stap 3 uiteraard nog steeds op een weging van factoren. Dat is, vrees ik, eigen aan het recht, en meer in bijzonder het aansprakelijkheidsrecht. Sommige beslissingen vereisen nu eenmaal een weging van verschillende factoren, waarbij de laatste stap van de weging naar de uitkomst niet helemaal te verklaren valt: de sprong van Scholten.8 De Kelderluik-afweging is daarvan ongetwijfeld het bekendste voorbeeld. Het is mijns inziens al een verbetering te weten welke vragen met welke criteria opgelost moeten worden. Dat maakt de uitkomst consistenter en dus inzichtelijker en voorspelbaarder.
527. Hierna toets ik of de in §7.4.2.1 en 7.4.2.2 besproken zaken Barneveld/Gasunie, Duwbak Linda en Schietincident Alphen a/d Rijn zich inderdaad met de driestapstoets consistenter en inzichtelijker laten oplossen.