Einde inhoudsopgave
De intrekking van beschikkingen (SteR nr. 29) 2016/III.11.2.2.4
III.11.2.2.4 Artikel 4:51 Awb (weigering periodiek verleende subsidie)
B. de Kam, datum 01-03-2016
- Datum
01-03-2016
- Auteur
B. de Kam
- JCDI
JCDI:ADS374107:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen / Europees bestuursrecht
Bestuursrecht algemeen / Besluit (algemeen)
Bestuursrecht algemeen / Bestuursbevoegdheden
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken II 1993/94, 23700, nr. 3, p. 80. Zie ook Verheij en Lubberdink 1996, p. 66.
Kamerstukken II 1993/94, 23700, nr. 3, p. 80. Hoewel een termijn altijd in zekere zin arbitrair is, is uit een oogpunt van rechtszekerheid toch besloten een termijn in de wet vast te leggen, aldus de memorie van toelichting.
ABRvS 14 mei 2014, AB 2014/257 m.nt. Den Ouden.
ABRvS 14 mei 2014, AB 2014/257 m.nt. Den Ouden. Zie voor een andere uitspraak waarin geen sprake was van een voortdurende activiteit: ABRvS 15 mei 2014, AB 2014/ 256 m.nt. Den Ouden. De gesubsidieerde activiteit betrof het opzetten van een certificeringssysteem. Dat was naar het oordeel van de Afdeling bestuursrechtspraak geen voortdurende activiteit.
Kamerstukken II 1993/94, 23700, nr. 3, p. 80. De memorie van toelichting noemt als voorbeeld van een voortdurende activiteit de exploitatie van een culturele instelling. Zie ook Jacobs 1999, p. 89 en Den Ouden, Jacobs en Verheij 2011, p. 147.
Den Ouden, Jacobs en Verheij 2011, p. 145.
Daarbij kan onder meer worden gedacht aan nieuw beleid. Vgl. Rechtbank Amsterdam 28 juni 2012, ECLI:NL:RBAMS:2012:BW9839, ABRvS 8 maart 2006, AB 2006/379 m.nt. Den Ouden en ABRvS 7 juni 2006, ECLI:NL:RVS:2006:AX7048.
Kamerstukken II 1993/94, 23700, nr. 3, p. 81. Wanneer dit wettelijk voorschrift aanspraak geeft op subsidie, kan art. 4:51 Awb niet worden toegepast. Vgl. Verheij en Lubberdink 1996, p. 62 en Den Ouden, Jacobs en Verheij 2011, p. 145.
Zie bijvoorbeeld ABRvS 2 april 2014, AB 2014/245 m.nt. Den Ouden en ABRvS 1 mei 2013, Gst. 2013/94 m.nt. Van der Sluis.
Jacobs en Den Ouden 2014 met een verwijzing naar onder meer ABRvS 10 juni 2009, AB 2009/369 m.nt. Nijhuis en Den Ouden. Zie ook ABRvS 21 maart 2010, AB 2012/97 m.nt. Den Ouden.
Jacobs en Den Ouden 2014, paragraaf 8.
ABRvS 8 oktober 2014, AB 2015/134 m.nt. Den Ouden, Gst. 2014/117 m.nt. Van der Sluis en JB 2014/216. Anders: Rechtbank Overijssel 3 februari 2014, AB 2014/143 m.nt. Dijkgraaf.
ABRvS 7 november 2012, AB 2013/37 m.nt. Den Ouden, JG 2013/11 m.nt. Barkhuysen en Claessens en JB 2013/4 m.nt. De Kam.
Vgl. art. 4:50 lid 1 aanhef en onder b Awb.
Den Ouden, Jacobs en Verheij 2011, p. 148 en Verheij en Lubberdink 1996, p. 68. Dit besluit moet wel voldoende duidelijk zien. Vgl. ABRvS 21 november 1995, AB 1996/238 m.nt. Verheij onder nr. 239 en ABRvS 21 november 1996, AB 1996/239 m.nt. Verheij.
Kamerstukken II 1993/94, 23700, nr. 3, p. 81. Dat de beëindigingsbeslissing, ingeval deze niet samenvalt met de weigering (zijnde een afwijzende beslissing op een aanvraag), een appellabel besluit is volgt onder meer uit ABRvS 2 juli 2014, ECLI:NL:RVS:2014: 2463, ABRvS 12 september 2001, AB 2001/335 m.nt. Verheij en ABRvS 24 april 2002, AB 2002/270 m.nt. Verheij en JB 2002/165. De gedachte achter deze jurisprudentie is dat de aankondiging is gericht op rechtsgevolg, omdat met de aankondiging de redelijke termijn als bedoeld in art. 4:51 lid 1 Awb gaat lopen.
ABRvS 13 februari 2013, AB 2014/16 m.nt. Van Tamelen en Spijker.
Vgl. ABRvS 16 oktober 2013, AB 2014/258 m.nt. Den Ouden, waarin de Afdeling overweegt: ‘De rechtbank heeft terecht overwogen dat de laatste volzin van deze tekst (BdK: de tekst van de aankondiging) ondubbelzinnig en zonder voorbehoud vermeldt dat de subsidierelatie met de provincie Overijssel met ingang van 2013 wordt beëindigd. De rechtbank heeft daarom terecht overwogen dat het besluit van 14 maart 2012 een beslissing tot het beëindigen van de subsidierelatie behelst, waartegen de stichting bezwaar had kunnen maken […].’
Vgl. Van Tamelen en Spijker in hun annotatie in AB 2014/16.
Jacobs en Den Ouden 2014, paragraaf 8. Zie verder bijvoorbeeld ABRvS 2 juli 2014, ECLI:NL:RVS:2014:2463, ABRvS 1 mei 2013, Gst. 2013/94 m.nt. Van der Sluis en ABRvS 26 maart 2008, ECLI:NL:RVS:2008:BC7627. Opvallend: Rechtbank Oost-Brabant 8 september 2014, ECLI:NL:RBOBR:2014:5236. In deze uitspraak wordt eerst in lijn met de hier genoemde jurisprudentie overwogen dat een termijn van twee jaar werd gegeven waarin eiseressen ‘zich konden voorbereiden op de beëindiging van de subsidierelatie met verweerder per 1 januari 2015’. Vervolgens overweegt de rechtbank: ‘Anders dan eiseressen betogen, dient de in artikel 4:51 van de Awb bedoelde termijn er niet toe om de subsidieontvanger in staat te stellen te anticiperen op de nieuwe situatie.’
Kamerstukken II 1993/94, 23700, nr. 3, p. 81. Zie uitgebreid over deze termijn: Den Ouden 2012, p. 535-555.
ABRvS 11 juni 2014, ECLI:NL:RVS:2014:2079, ABRvS 26 februari 2003, AB 2003/172 m.nt. Verheij, JB 2003/101 m.nt. Hardy en Gst. 2003/207 m.nt. De Bruijn en ABRvS 11 juli 2007, ECLI:NL:RVS:2007:BA9276. Dat kan anders liggen, wanneer de subsidieverstrekker invloed heeft gehad op het in dienst nemen van werknemers en daardoor ook verantwoordelijk kan worden gehouden voor de wachtgeldverplichtingen. Zie ABRvS 11 juni 2014, ECLI:NL:RVS:2014:2079, ABRvS 2 april 2014, AB 2014/245 m.nt. Den Ouden en Den Ouden 2012, p. 550, inclusief verwijzing.
Jacobs en Den Ouden 2014, paragraaf 8. Zie bijvoorbeeld ABRvS 27 juli 2005, AB 2006/177, ABRvS 7 juni 2006, ECLI:NL:RVS:2006:AX7048 en Rechtbank Amsterdam 28 juni 2012, ECLI:NL:RBAMS:2012:BW9839.
Den Ouden 2012, p. 550. Zie voorts CRvB 25 maart 2014, AB 2014/250 m.nt. Den Ouden en RSV 2014/113 m.nt. Bruggeman. Wel wordt voortvarendheid verwacht van een subsidieontvanger bij het starten van een ontslagprocedure op het moment dat duidelijk wordt dat ten gevolge van een subsidiebeëindiging mensen moeten worden ontslagen. Vgl. ABRvS 16 januari 2013, AB 2013/127 m.nt. Den Ouden, waarin de Afdeling overweegt: ‘Met de bekendmaking bij besluit van 28 juni 2011 van de beëindiging van de subsidierelatie vanaf 2013 heeft de minister een termijn van anderhalf jaar in acht genomen. Stivoro heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij binnen die termijn niet in staat kon worden geacht maatregelen te treffen om de gevolgen van dit besluit te ondervangen en haar langlopende verplichtingen, waaronder haar arbeidsrechtelijke verplichtingen, op zorgvuldige wijze af te wikkelen. Daarbij is van belang dat een termijn van anderhalf jaar redelijkerwijs volstaat om, in een ontslagprocedure of anderszins, duidelijkheid te verkrijgen over de vraag of een overgang van de onderneming als bedoeld in artikel 7:662, tweede lid, sub a, van het Burgerlijk Wetboek, aan de orde is die een ontslagverbod voor de werknemers meebrengt. Nu niet is gebleken dat Stivoro in een vroegtijdig stadium met het verkrijgen van die duidelijkheid is aangevangen, kan zij de minister niet tegenwerpen dat de arbeidsovereenkomsten van haar medewerkers per 1 januari 2013 waarschijnlijk nog niet beëindigd zijn.’
Den Ouden duidt dit aan met de term ‘verwachtingsmanagement’. Vgl. Den Ouden 2012, p. 552.
ABRvS 30 december 2009, AB 2010/86 m.nt. Den Ouden en JB 2010/60 m.nt. Hardy.
ABRvS 8 maart 2006, AB 2006/378. Ook in de hiervoor besproken uitspraak ABRvS 13 februari 2013, AB 2014/16 m.nt. Van Tamelen en Spijker werd overwogen dat vanwege eerdere correspondentie van de subsidieverstrekker (die niet werd gekwalificeerd als beëindigingsbesluit) de subsidieontvanger rekening diende te houden met de mogelijkheid dat de subsidie zou worden verlaagd. Den Ouden is kritisch ten aanzien van deze jurisprudentie. Zie bijvoorbeeld Den Ouden 2012, p. 552. Zie ook ABRvS 7 februari 2007, AB 2007/235 m.nt. Den Ouden en JB 2007/56, ABRvS 26 maart 2008, ECLI:NL: RVS:2008:BC7627 en ABRvS 9 september 2009, AB 2010/87 m nt. Den Ouden.
Een door het bestuursorgaan gedaan beroep op het bereiken van het subsidieplafond slaagt in die situatie niet. Vgl. Art. 4:51 lid 1 slot jo art. 4:25 lid 2 Awb. Zie voor een voorbeeld van toepassing van deze bepaling ABRvS 25 augustus 2010, AB 2011/3 m.nt. Van Angeren en Den Ouden en JB 2010/218.In de memorie van toelichting wordt nog wel opgemerkt dat een geleidelijke vermindering van de subsidie gedurende de redelijke termijn niet is uitgesloten. Vgl. Kamerstukken II 1993/94, 23700, nr. 3, p. 81-82.
Zoals aangegeven in de inleiding betreft art. 4:51 Awb juridisch gezien geen intrekking. Het gaat om de situatie waarin subsidie is verstrekt en het bestuursorgaan de subsidie voor een aansluitend subsidietijdvak wil weigeren. Er vindt dus geen aantasting plaats van een lopende subsidiebeschikking.1 Dat betekent dat het vertrouwen dat aan de beschikking mag worden verleend, minder sterk is dan wanneer een (lopende) subsidie wordt ingetrokken. Ook een weigering voor een volgend subsidietijdvak is echter aan grenzen gebonden. In de eerste plaats is vereist dat het een subsidie betreft die voor drie of meer achtereenvolgende jaren is verstrekt. Het kan gaan om één meerjarige subsidieverlening, maar ook om een reeks eenjarige subsidieverleningen.2 Daarnaast bestaat de bescherming op grond van art. 4:51 Awb slechts indien het gaat om subsidiëring van voortdurende activiteiten. Betreft het activiteiten die naar hun aard tijdelijk zijn, dan is art. 4:51 Awb daarop niet van toepassing.3 Projectsubsidies, bijvoorbeeld een subsidie voor het wegwerken van wachtlijsten,4 vallen om die reden, ongeacht de duur van het project, buiten het bereik van art. 4:51 Awb. Het gaat daarbij immers niet om activiteiten die naar hun aard van onbeperkte duur zijn.5 Ook moet het gaan om subsidiëring van (in hoofdzaak) dezelfde activiteiten. De bescherming van art. 4:51 Awb is dus beperkt tot de situatie waarin het een voortzetting van eerder gesubsidieerde activiteiten betreft.6 Tot slot is ook de aard van de subsidiebeschikking van belang. Art. 4:51 Awb moet namelijk worden bezien in samenhang met de achterliggende subsidieregeling. Om de subsidie daadwerkelijk te kunnen weigeren voor een aansluitend subsidietijdvak is namelijk vereist dat het bestuursorgaan beschikt over voldoende beleidsvrijheid. Als namelijk uit de achterliggende subsidieregeling volgt dat een aanspraak op subsidie bestaat, is een weigering op grond van art. 4:51 Awb niet mogelijk.7
De reden voor de weigering in het kader van art. 4:51 Awb dient te zijn gelegen in veranderde omstandigheden of gewijzigde inzichten.8 Daarvoor is vereist dat de wettelijke regeling waarop de subsidieverlening berust, het bestuursorgaan voldoende beleidsvrijheid biedt wat betreft het al dan niet continueren van de subsidie.9 Een belangrijke en vandaag de dag ook veel voorkomende aanleiding om tot weigering van de subsidie over te gaan is de noodzaak tot bezuinigen.10 De bestuursrechter lijkt geen strenge toets aan te leggen bij de beoordeling van het antwoord op de vraag of sprake is van veranderde omstandigheden of gewijzigde inzichten. Zo geldt wat betreft de weigering wegens aanwezigheid van gewijzigde beleidsinzichten dat ook het voornemen om beleid te wijzigen voldoende is om op grond van art. 4:51 Awb over te gaan tot weigering van de subsidie.11 Niet vereist is aldus dat het beleid ook daadwerkelijk is vastgesteld. Jacobs en Den Ouden menen mijns inziens terecht dat een en ander opvallend is, gelet op het feit dat het (ingrijpende) rechtsgevolg van het beëindigingsbesluit is, dat de redelijke termijn gaat lopen (zie hierover meer uitgebreid het navolgende).12 In dit kader kan bijvoorbeeld worden gewezen op een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak uit 2014 inzake inwerkingtreding van de Jeugdwet. Het college van GS van de provincie Zuid-Holland beëindigde de subsidierelatie met de Stichting Bureau Jeugdzorg Zuid-Holland aan de hand van art. 4:51 Awb. De reden hiervoor was dat op grond van de nieuwe Jeugdwet niet de provincies maar de gemeenten verantwoordelijk werden voor de jeugdzorg. Op het moment dat de beëindiging werd aangekondigd, was echter nog niet duidelijk op welk moment de Jeugdwet in werking zou treden en wat de precieze inhoud van deze wet was. Een en ander staat er volgens de Afdeling echter niet aan in de weg dat de beëindiging werd aangekondigd:
‘Anders dan de stichting betoogt, betekent de omstandigheid dat op het moment van aankondiging nog niet vaststond dat de nieuwe Jeugdwet daadwerkelijk op 1 januari 2015 in werking zou treden, niet dat het college niet toen al de weigering van de subsidie per 1 januari 2015 had mogen aankondigen. Het college mocht uitgaan van het voornemen van de regering de stelselwijziging per 1 januari door te voeren’.13
Veranderde omstandigheden kunnen voorts zowel aan de zijde van de subsidieverstrekker als aan de zijde van de subsidieontvanger liggen.14 Daarbij komt dat op grond van art. 4:51 lid 1 Awb niet is vereist dat de veranderde omstandigheden of gewijzigde inzichten zich in overwegende mate tegen continuering van de subsidie verzetten. Dit in tegenstelling tot art. 4:50 Awb.15 Het regime van art. 4:51 Awb is op dit punt aldus minder streng.
Wel stelt ook art. 4:51 Awb eisen aan de weigering van de subsidie. In de eerste plaats geldt op grond van het eerste lid van deze bepaling dat een redelijke termijn in acht genomen moet worden. Deze redelijke termijn kan ook al gaan lopen voordat een subsidieaanvraag voor een aansluitend tijdvak is afgewezen. Dat is het geval, wanneer reeds voordat een aanvraag is gedaan, het voornemen tot beëindiging van de subsidie wordt aangekondigd.16 Zowel de concrete weigering (naar aanleiding van een aanvraag) als de aankondiging van de aankomende beëindiging zijn besluiten in de zin van de Awb.17 Ook tegen een aankondiging kunnen aldus rechtsmiddelen worden aangewend. Wel zal voor de subsidieontvanger duidelijk moeten zijn dat daadwerkelijk van een aankondiging tot beëindiging van de subsidie sprake is. Interessant in dat kader is een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak uit 2013. Het betrof een brief van 16 september 2011, waarin de Toneelmakerij werd geïnformeerd over het voornemen om de subsidie voor de periode 2013-2016 gedeeltelijk te weigeren. Daarbij werd vermeld dat binnen 4 weken na verzending van de brief een verander- of afbouwplan ingediend kon worden. Verder werd vermeld dat de brief geen aankondiging bevatte als bedoeld in art. 4:51 Awb. Deze aankondiging zou later volgen. De vraag was of deze brief als besluit in de zin van de Awb kon worden aangemerkt. Volgens de Afdeling is dit het geval:
‘Nu in de brief van 16 september 2011 uitdrukkelijk is vermeld dat niet is beoogd daarmee een aankondiging als bedoeld in artikel 4:51 van de Awb te doen, kan deze brief in beginsel ook niet als zodanig worden opgevat. Verder is van belang dat de brief geen concrete gegevens bevat omtrent de omvang van de subsidie in de periode 2012-2016, zodat nog niet vaststond of en zo ja, in welke mate, een lagere subsidie aan de Toneelmakerij zou worden verleend, wanneer zij daartoe een aanvraag zou indienen. Uit de bewoordingen van de brief blijkt veeleer dat dit pas zou blijken wanneer de subsidieregeling was gepubliceerd in de Staatscourant.’18
Wat opvalt is dat de Afdeling kennelijk vanwege het feit dat in de brief was vermeld dat geen sprake was van een aankondiging als bedoeld in art. 4:51 Awb (en dus een besluit in de zin van de Awb), van oordeel is dat de brief niet kwalificeert als besluit in de zin van art. 1:3 lid 1 Awb. Daarbij wordt niet getoetst aan de eisen die deze bepaling stelt. Opgemerkt wordt wel dat de brief geen concrete gegevens bevat omtrent de omvang van de subsidie in de nieuwe subsidieperiode. Dat laatste lijkt mij eerder een aanwijzing dat geen sprake is van een aankondiging in de zin van art. 4:51 Awb. Immers, pas op het moment dat uit een aankondiging kan worden afgeleid dat met ingang van een bepaalde datum geen of minder subsidie zal worden verstrekt, zal de subsidieontvanger daadwerkelijk rekening kunnen houden met de aankomende beëindiging.19 Kennelijk is voornoemde brief van 16 september 2011 niet meer dan een soort vooraankondiging. In deze casus waren echter voordien ook reeds andere brieven verstuurd waarin werd gewezen op mogelijke wijzigingen in de bestaande subsidierelatie. Het is niet vreemd dat het in een dergelijke situatie voor de subsidieontvanger niet altijd duidelijk is of een brief nu wel of geen aankondiging, en daarmee een besluit in de zin van de Awb, betreft. Het risico van het achterwege laten van het maken van bezwaar is echter groot: wanneer tegen een brief die ook daadwerkelijk een aankondiging als bedoeld in art. 4:51 Awb bevat, geen bezwaar wordt gemaakt en (hoger) beroep wordt ingesteld, wordt deze onherroepelijk.20
Wat betreft de (lengte van de) redelijke termijn geldt dat deze ertoe dient om de subsidieontvanger in staat te stellen maatregelen te treffen om de gevolgen van de beëindiging van de subsidierelatie te ondervangen.21 De hiervoor relevante criteria komen overeen met de criteria die gelden voor de redelijke termijn als bedoeld in art. 4:50 Awb.22 De Afdeling heeft ten aanzien van wachtgeldverplichtingen expliciet overwogen dat art. 4:51 Awb niet zover strekt dat ook deze moeten worden gegarandeerd.23 Ook dient de redelijke termijn er niet toe te garanderen dat de gesubsidieerde activiteiten volledig kunnen worden voortgezet of levensvatbaar blijft.24 Wel moet een redelijke termijn dermate lang zijn dat wanneer werknemers moeten worden ontslagen ten gevolge van de subsidiebeëindiging, de opzegtermijnen in acht genomen moeten worden.25 Voorts kan op de lengte van de redelijke termijn van invloed zijn, dat vanuit het bestuursorgaan al eerder signalen zijn gegeven dat tot beëindiging van de subsidie zal worden overgegaan.26 Niet van belang is de lengte van de subsidierelatie.27
Opvallend in dit kader is een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak uit 2006. Bij het bepalen van de lengte van de redelijke termijn werd gewicht toegekend aan een brief die vóór de beëindigingsbeslissing was gestuurd en waarin de subsidieontvanger werd geïnformeerd over een komende wijziging van het subsidiebeleid en de mogelijk daaruit voortvloeiende nadelige gevolgen. In die brief werd geadviseerd om terughoudend te zijn bij het aangaan van financiële verplichtingen. De daadwerkelijke aankondiging volgde echter nog, namelijk nadat de nieuwe subsidieregeling in de Staatscourant was gepubliceerd. Op dat moment waren de beleidsvoornemens volgens de staatssecretaris ook formeel gezien definitief. Ten aanzien van de brief van 16 september 2011 overwoog de Afdeling:
‘Niet kan worden geoordeeld dat de voor de beëindiging gestelde termijn waarop de beëindiging effect zou sorteren, te weten ongeveer drieënhalve maand vanaf de bekendmaking van het besluit, niet als een redelijke termijn kan worden beschouwd. Hiervoor is van belang dat appellante bij brief van 27 juni 2003 reeds is ingelicht over de herziening van het subsidiebeleid en mogelijk nadelige gevolgen daarvan voor de subsidie. Appellante is daarin tevens geadviseerd uiterst terughoudend te zijn bij het aangaan van financiële verplichtingen. Verder is voor dit oordeel van betekenis dat niet aannemelijk is dat van arbeidsrechtelijke gevolgen als door appellante betoogd sprake is.’28
Belangrijk ten aanzien van de redelijke termijn is tot slot het tweede lid van art. 4:51 Awb. Daarin is bepaald dat wanneer aan het einde van het lopende subsidietijdvak nog geen redelijke termijn is verstreken, het bestuursorgaan subsidie verleend voor het resterende deel van die termijn. De subsidiëring wordt dus voor de duur van de redelijke termijn gecontinueerd, ondanks dat het subsidietijdvak reeds is geëindigd.29