Het pre-insolventieakkoord
Einde inhoudsopgave
Het pre-insolventieakkoord 2016/10.15.5:10.15.5 De gevolgen van algemeen verbindend verklaring
Het pre-insolventieakkoord 2016/10.15.5
10.15.5 De gevolgen van algemeen verbindend verklaring
Documentgegevens:
N.W.A. Tollenaar, datum 16-10-2016
- Datum
16-10-2016
- Auteur
N.W.A. Tollenaar
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie over dit onderwerp uitgebreid R.M. Hermans en R.D. Vriesendorp, Het dwangakkoord in het insolventierecht: vrijheid in gebondenheid?, TvI 2014/10.
Zie in dit verband ook R.D. Vriesendorp, Het buitengerechtelijk akkoord en het conceptvoorstel WCO II, Preadvies voor de Vereeniging Handelsrecht, Uitgeverij Paris, 2014, p. 100. Vriesendorp is van oordeel dat een executoriale titel tegen de gebonden crediteuren wel een zinvolle functie kan vervullen.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Hoewel het Voorontwerp dat nergens met zoveel woorden bepaalt, is het bedoelde gevolg van algemeen verbindend verklaring dat dit degenen tot wie het akkoord zich richt aan het akkoord bindt, ongeacht of zij aan de stemming hebben deelgenomen of hebben tegengestemd.
Moeilijk te begrijpen is artikel 381 van het Voorontwerp dat bepaalt dat de in kracht van gewijsde gegane beschikking tot algemeen verbindend verklaring een executoriale titel oplevert tegen de crediteuren die aan het akkoord zijn gebonden. Dit lijkt de wereld op zijn kop. De schuldenaar heeft in de regel immers geen vorderingen op zijn crediteuren. Een dwangakkoord kan hooguit wijziging brengen in de rechten van crediteuren. Een dwangakkoord kan voor crediteuren in beginsel geen (geldelijke) verplichtingen in het leven roepen.1 De in kracht van gewijsde gegane beschikking zou hooguit een executoriale titel tegen de schuldenaar op kunnen leveren (vgl. 159 en 274 Fw).2Artikelen 159 en 274 Fw bepalen dat het in kracht van gewijsde gegane vonnis van homologatie een executoriale titel oplevert voor vorderingen die de schuldenaar niet heeft betwist. Een dergelijke regel verdient in het kader van een pre-insolventieakkoord geen navolging, omdat dit het voor de schuldenaar extra bezwaarlijk zou kunnen maken om in het kader van de stemming vorderingen te erkennen, wat weer tot onnodig veel geschillen over toelating tot de stemming zou kunnen leiden. Betwist de schuldenaar en laat de rechter-commissaris de vordering vervolgens op voet van artikel 371 tot de stemming toe, dan komt de vordering daarmee nog niet vast te staan en kan deze ook geen executoriale kracht verkrijgen, althans dit lijkt het systeem van het Voorontwerp te zijn. De schuldenaar heeft daarmee een prikkel om te betwisten en voor de toelating te verwijzen naar de rechter-commissaris. Bij faillissement en surseance speelt dit probleem minder omdat de schuldenaar de vordering kan betwisten, terwijl de curator of bewindvoerder deze kan erkennen en tot de stemming toe kan laten zonder dat de vordering daarmee executoriale kracht verkrijgt. Tussenkomst van de rechter-commissaris is dan niet per se nodig.