Einde inhoudsopgave
Accijnzen (FM nr. 126) 2008/4.7.13
4.7.13 Voorhanden hebben, leveren of aanwenden van veraccijnsde goederen
Mr. dr. W.M.G. Visser, datum 27-03-2008
- Datum
27-03-2008
- Auteur
Mr. dr. W.M.G. Visser
- JCDI
JCDI:ADS300518:1
- Vakgebied(en)
Europees belastingrecht / Belastingen EU
Accijns en verbruiksbelastingen / Accijns
Voetnoten
Voetnoten
Art. 7 lid 1 en lid 2 en art. 9 lid 1 Accijnsrichtlijn.
Art. 7 lid 2 Accijnsrichtlijn.
Art. 10 Accijnsrichtlijn. Art 2e Wa.
Art. 7 lid 2 Accijnsrichtlijn. Art. 2b lid 2 Wa.
Meer concreet is geen sprake van uitslag als dit zakelijk verbruik beperkt blijft tot ten hoogste 35 liter bier, 30 liter wijn, 10 liter tussenproducten, 5 liter overige alcoholhoudende producten, 400 sigaretten, 200 sigaren en/of één kilogram rooktabak en de in de brandstofreservoirs van bedrijfsautomobielen aanwezige brandstof. Kamerstukken II 1991/92, 22 697, nr. 3, p. 26-27. Art. 2b lid 3 Wa.Art. 3b lid 1 UB Accijns.
Art. 7 lid 1 Accijnsrichtlijn.
Als bedoeld in art. 2b lid 4 onderdeel a Wa.
Art. 7 lid 4 en lid 5 Accijnsrichtlijn. Art. 3b lid 2 UB Accijns.
Art. 3b lid 3 en lid 4 UB Accijns.
Art. 51a onderdeel b Wa.
Art. 52a onderdeel b Wa.
Art. 53a lid 1 Wa.
Het intracommunautaire handelsverkeer in accijnsgoederen zal in het algemeen binnen het stelsel van onderling verbonden belastingentrepots tussen belastingentrepots plaatsvinden onder schorsing van accijns (onveraccijnsde goederen). Niettemin is, zoals gezegd, ook handelsverkeer mogelijk van accijnsgoederen die reeds tot verbruik zijn uitgeslagen (veraccijnsde goederen). Als in een lidstaat veraccijnsde goederen in een andere lidstaat voor handelsdoeleinden voorhanden worden gehouden, worden de accijnzen geheven in de lidstaat waar deze goederen voorhanden worden gehouden.
Hiertoe wordt de accijns verschuldigd in die andere lidstaat door degene die de goederen voorhanden heeft.1 Meer precies ontstaat die verschuldigdheid in die andere lidstaat wanneer de goederen – nadat die in de lidstaat van herkomst zijn veraccijnsd – (1) in die andere lidstaat worden geleverd, (2) bestemd zijn om in die andere lidstaat te worden geleverd, of (3) in die andere lidstaat worden bestemd voor eigen gebruik door de onderneming of publiekrechtelijke organisatie.2 De vijfde overweging van de considerans van de Accijnsrichtlijn luidt: ‘Overwegende dat elke levering, elk voorhanden hebben met het oog op de levering of elk gebruik voor een zelfstandig bedrijf dan wel voor een publiekrechtelijk orgaan, welke plaatsvindt in een andere lidstaat dan die van de uitslag tot verbruik, aanleiding geeft tot verschuldigdheid van de accijns in die andere lidstaat’.
Deze bepaling is van toepassing als het vervoer van veraccijnsde goederen vanuit de lidstaat van herkomst naar het afleveradres plaatsvindt in opdracht van de afnemer en voor diens rekening en risico. Vindt echter het vervoer van veraccijnsde goederen vanuit de lidstaat van herkomst naar het afleveradres in de andere lidstaat plaats in opdracht van de verkoper en voor diens rekening en risico, dan is sprake van een verkoop op afstand.3
De doorlevering aan derden in die andere lidstaat en het daadwerkelijke eigen verbruik van accijnsgoederen door ondernemingen en publiekrechtelijke organisaties worden in de Nederlandse accijnswetgeving gelijkgesteld met voorhanden hebben (fictieve voorhandengehouden accijnsgoederen). Aldus is het begrip voorhanden hebben in de Nederlandse accijnswetgeving uitgebreid met goederen die reeds zijn afgeleverd.4 Hiermee is het mogelijk de accijns ook nog te heffen in de situatie dat de goederen niet meer voorhanden zijn wanneer ze inmiddels zijn geleverd aan derden of voor eigen verbruik zijn aangewend. Onder het begrip eigen verbruik door de onderneming of publiekrechtelijke organisatie wordt verstaan: eigen verbruik in het kader van de onderneming of publiekrechtelijke organisatie, bijvoorbeeld huisbrandolie voor de verwarming van gebouwen. Het betreft hier reguliere handelskanalen.
Maar naar de opvatting van staatssecretaris Van Amelsvoort (1992) gaat het te ver om voor geringe incidentele zakelijke aankopen in andere lidstaten dezelfde voorwaarden en verplichtingen op te leggen als voor het eigenlijke handelsverkeer in veraccijnsde goederen. Het gaat hier om incidentele aankopen door een directeur van een onderneming of publiekrechtelijk bestuurder ten behoeve van zakelijk verbruik van een beperkte hoeveelheid accijnsgoederen uit andere lidstaten, zoals een uit representatiedoeleinden meegenomen doos sigaren of een paar flessen alcoholhoudende drank; hiertoe behoort ook de in brandstofreservoirs van bedrijfsautomobielen aanwezige brandstof.5
Voorhanden hebben voor handelsdoeleinden in een andere lidstaat dan die waar de uitslag tot verbruik heeft plaatsgevonden kan ten eerste omvatten de levering van accijnsgoederen aan een bedrijf of een overheidsorganisatie als de overbrenging van accijnsgoederen naar het grondgebied van een andere lidstaat teneinde deze aldaar voor verkoop aan te bieden, zoals de verkoop door groothandelaren aan kleinhandelaren of restaurantbedrijven in een naburige lidstaat en de ambulante verkoop waarbij een buitenlandse verkoper zijn waren aanbiedt.6 Het vervoer van veraccijnsde goederen naar een bedrijf of publiekrechtelijk lichaam7 moet kunnen worden aangetoond met het VGD.8 De ondernemer of het publiekrechtelijke lichaam stelt de fiscale autoriteit voorafgaand aan de verzending van de accijnsgoederen in kennis van de verzending van de accijnsgoederen en zekerheid voor de accijns die hij verschuldigd gaat worden. Deze vervoersvereisten gelden niet voor minerale oliën waarvoor geen tarief is vastgesteld, mits deze geen fictieve minerale oliën zijn.9 Voor goederen die niet worden verkocht en terugkeren naar de lidstaat van herkomst bevat de Accijnsrichtlijn geen voorschrift voor de wijze waarop het VGD moet worden gebruikt.
De accijns wordt geheven van de onderneming of van de publiekrechtelijke organisatie die het accijnsgoed voorhanden heeft.10 De accijns wordt verschuldigd op het tijdstip van de aanvang van het voorhanden hebben van het accijnsgoed in Nederland.11 De verschuldigde accijns moet uiterlijk op de dag na de dag waarop het in Nederland voorhanden hebben van het desbetreffende accijnsgoed is aangevangen op aangifte worden voldaan.12