Einde inhoudsopgave
Accijnzen (FM nr. 126) 2008/4.7.26
4.7.26 Brandstoffen in de normale reservoirs van voertuigen
Mr. dr. W.M.G. Visser, datum 27-03-2008
- Datum
27-03-2008
- Auteur
Mr. dr. W.M.G. Visser
- JCDI
JCDI:ADS304057:1
- Vakgebied(en)
Europees belastingrecht / Belastingen EU
Accijns en verbruiksbelastingen / Accijns
Voetnoten
Voetnoten
Art. 24 lid 1 Richtlijn energiebelastingen (voorheen: art. 8bis Structuurrichtlijn minerale oliën).Art. 2b lid 5 Wa. Kamerstukken II 1994/95, 24 153 nr. 3, p. 4.
Art. 7 lid 1 en lid 2 Accijnsrichtlijn.
Overweging 19 van de considerans van Richtlijn 94/74/EG van de Raad van 22 december 1994 (vereenvoudigingsrichtlijn), (PbEg 1994, L 365/46), waarbij de reservoirregeling is ingevoerd.
Art. 24 lid 2 Richtlijn energiebelastingen. Vgl. art. 3c lid 1 UR Accijns.
HvJ EG 3 december 1998, nr. C-247/97, Marcel Schoonbroodt, Marc Schoonbroodt en Transports A.M. Schoonbroodt SPRL vs. België, Jur. 1998, p. I-8095, r.o. 29.
Overweging 25 en 26 considerans Accijnsrichtlijn. Art. 21 Accijnsrichtlijn. De lidstaten zijn bevoegd te bepalen dat de op hun grondgebied voor uitslag tot verbruik bestemde goederen moeten zijn voorzien van fiscale merktekens of van nationale herkenningstekens die voor fiscale doeleinden worden gebruikt. Deze merktekens worden ter beschikking gesteld aan vergunninghouders van een belastingentrepot die accijnsgoederen willen vervoeren naar lidstaten die het gebruik van deze merktekens voorschrijven. Het gebruik van deze tekens mag geen belemmering voor het intracommunautaire handelsverkeer met zich meebrengen.
Art. 8 bis lid 1 Structuurrichtlijn minerale oliën, ingevoegd op basis van Richtlijn 94/74/EG van de Raad van 22 december 1994, (PbEg 1994, L 365/46).
Art. 24 lid 1 Richtlijn energiebelastingen.
HvJ EG 9 september 2004, nr. C-292/02, Meiland Azewijn BV vs. Hauptzollamt Duisburg, Jur. 2004, p. I-7905, r.o. 41-42.
Overweging 19 van de considerans van Richtlijn 94/74/EG.
HvJ EG 9 september 2004, nr. C-292/02, Meiland Azewijn BV vs. Hauptzollamt Duisburg, Jur. 2004, p. I-7905, r.o. 44-45.
Art. 3 Richtlijn fiscale merkstoffen. Art. 9 Structuurrichtlijn minerale oliën (per 1 januari 2004 vervallen), thans: art. 24 Richtlijn energiebelastingen.
Art. 21 lid 2 slotzin Accijnsrichtlijn.
Conclusie A-G Jacobs 15 januari 2004 voor HvJ EG 9 september 2004, nr. C-292/02, Meiland Azewijn BV vs. Hauptzollamt Duisburg, Jur. 2004, p. I-7905, r.o. 40.
Art. 8bis Structuurrichtlijn minerale oliën (vervallen), thans: art. 24 Richtlijn energiebelastingen. HvJ EG 9 september 2004, nr. C-292/02, Meiland Azewijn BV vs. Hauptzollamt Duisburg, Jur. 2004, p. I-7905, r.o. 53-55.
4.7.26.1 Reservoirregeling
In een lidstaat tot verbruik uitgeslagen of ingevoerde en veraccijnsde minerale oliën die zich bevinden in de normale tanks van bedrijfsvoertuigen, mobiele werktuigen, voertuigen met hulpapparatuur of van containers met speciale apparatuur, en bestemd zijn om te worden gebruikt voor de werking, tijdens het vervoer, van systemen waarmee deze werktuigen en apparatuur zijn uitgerust, mogen niet in een andere lidstaat met accijns worden belast (reservoirregeling).1 Dit is een specifieke uitzondering voor energieproducten op de regel, dat de accijns van in lidstaat A in het verbruik gebrachte accijnsgoederen die in lidstaat B (de lidstaat van bestemming) voor handelsdoeleinden voorhanden wordt gehouden, in lidstaat B, wordt geheven.2 De ratio van de reservoirregeling is bescherming van het vrije verkeer van personen en goederen en voorkoming van dubbele accijnsheffing3, maar in strijd met het internemarktbeginsel.
Onder normale reservoirs wordt verstaan: de door de producent af fabriek blijvend in of aan voertuigen, mobiele werktuigen, voertuigen met hulpapparatuur of containers met systemen voor zuurstoftoevoer, thermische isolatiesystemen of andere systemen, van hetzelfde type als het betrokken voertuig, werktuig of container aangebrachte reservoirs of gasreservoirs, waarvan de blijvende inrichting het rechtstreeks verbruik van brandstof mogelijk maakt, zowel voor de voortbeweging van het voertuig als, in voorkomend geval, de werking van koelsystemen en andere systemen tijdens het vervoer.4 Volgens het HvJ EG in het Schoonbroodt-arrest (1998) omvat het begrip normale reservoirs uitsluitend de originele reservoirs af fabriek en derhalve geen brandstofreservoirs die later door een dealer van de constructeur of door een carrosseriebouwer zijn aangebracht.5 Het voorhanden hebben van brandstoffen in de originele reservoirs af fabriek wordt niet als uitslag aangemerkt.6
4.7.26.2 Gemerkte diesel verbruikt op grondgebied andere lidstaat
Hoewel de reservoirregeling onder het regime van de Structuurrichtlijn minerale oliën (1993-2004) niet anders luidde dan thans onder dat van de Richtlijn energiebelastingen, controleerden Duitse douaniers van het Hauptzollamt Duisburg in de gemeente Klein-Netterden (Duitsland) aan de Duits-Nederlandse binnengrens twee tractoren en een maïshakselmachine, die Meiland Azewijn aldaar had ingezet voor de maïsoogst.
De machines liepen op Nederlandse gasolie voorzien van fiscale merktekens (rode diesel). Gemerkte gasolie mocht ingevolge de Mineralölsteuergesetz op Duits grondgebied alleen voor verwarming worden gebruikt. Het was dus volgens deze wet verboden om uit andere lidstaten afkomstige gasolie op Duits grondgebied te gebruiken voor de aandrijving van landbouwmachines. In het arrest-Meiland Azewijn (2004) overweegt het HvJ EG, dat onder het begrip bedrijfsmotorvoertuigen in de Structuurrichtlijn minerale oliën7 (thans: bedrijfsvoertuigen in de Richtlijn energiebelastingen 8) tevens moeten worden verstaan landbouwmachines die minerale oliën als brandstof verbruiken.9 Dit begrip mag volgens het HvJ EG, in navolging van A-G Jacobs in zijn conclusie voor de Meiland Azewijn-zaak, niet met beperkingen worden opgevat, gezien de ratio waarmee deze bepaling in de richtlijn is opgenomen, te weten de bescherming van het vrije verkeer van personen en goederen en het voorkomen van dubbele belastingheffing.10 De reservoirregeling omvat zowel het verbruik van minerale oliën voor het voortbewegen van de bedrijfsvoertuigen naar een andere lidstaat, als ook voor het aldaar verrichten van werkzaamheden.11 Een in de ene lidstaat in overeenstemming met het gemeenschapsrecht toegelaten verbruik van minerale oliën, zoals het verbruik van gemerkte minerale oliën, mag niet door een andere lidstaat, die geen merking van minerale oliën toepast, maar met een teruggaafregeling werkt, als onrechtmatig gebruik in de zin van de richtlijn betreffende het merken van minerale oliën voor fiscale doeleinden worden aangemerkt.12 Ingevolge de Accijnsrichtlijn moeten de lidstaten er voor zorgen dat de merktekens geen belemmeringen voor het vrije verkeer van accijnsgoederen doen ontstaan.13 Ook op dit punt wijst A-G Jacobs in zijn conclusie terecht op de considerans van de richtlijn inzake het merken van gasolie en kerosine voor fiscale doeleinden; die is ‘niet alleen nodig maar onontbeerlijk om de doelstellingen van de interne markt te verwezenlijken’ en noodzakelijk voor ‘de juiste werking van de interne markt’.14 Voor alle bijzondere voer- en werktuigen geldt dus, dat deze zich in de binnengrensgebieden met in een lidstaat wettig in het verbruik gebrachte gemerkte minerale olie aan boord in het normale brandstofreservoir, niet slechts over de weg mogen voortbewegen van de ene naar de andere lidstaat, maar ook onbeperkt (doch wel afhankelijk van de actieradius van het voertuig met de brandstoffen in de normale reservoirs) gebruikt mogen worden voor hun specifieke doelen zoals bouw-, wegenbouw-, waterbouw-, mijnbouw-, landbouw- of bosbouwwerkzaamheden.15