Einde inhoudsopgave
Accijnzen (FM nr. 126) 2008/4.7.24
4.7.24 Kenmerken onregelmatig voorhanden hebben
Mr. dr. W.M.G. Visser, datum 27-03-2008
- Datum
27-03-2008
- Auteur
Mr. dr. W.M.G. Visser
- JCDI
JCDI:ADS302895:1
- Vakgebied(en)
Europees belastingrecht / Belastingen EU
Accijns en verbruiksbelastingen / Accijns
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken II 1989/90, 21 368, nr. 3, p. 29.
Zie de uitgebreide historische verhandeling over het begrip voorhanden hebben in: Conclusie A-G Van den Berge voor HR 3 september 1997, nr. 31.800, BNB 1998/18, FED 1997/642. HR 12 april 2002, 35.458, BNB 2002/229, alsmede BNB 2002/227 en BNB 2002/228, telkens r.o. 3.6, laatste volzin.
HR 9 juli 2004, nr. 39.624, LJN AQ0069, FED 2004/408, r.o. 4.4.
Hof Amsterdam 27 mei 2002, nr. 01/2461, LJN AE3890, r.o. 5.1.3.
HR 14 mei 2004, nr. 38.370, BNB 2004/289, r.o. 3.3.
Vgl. Hof Arnhem 27 november 2002, nr. 01/00094, LJN AF2931.
Vgl. Hof Arnhem 16 december 1997, nr. 95/2101, LJN AA1285.
Art. 3:107 BW.
Zie voor een voorbeeld van volgtijdelijk voorhanden hebben: Hof Arnhem 10 augustus 2004, nr. 02/03818, LJN AR2374.
Kamerstukken II 1989/90, 21 368, nr. 3, p. 68 (toelichting op art. 88 Wa, later vernummerd naar art. 87 Wa). Kamerstukken II 1992/93, 22 697, nr. 3, p. 29. HR 8 oktober 2004, nr. 38.481, LJN AN4672, BNB 2005/23, r.o. 3.4.2. en 3.4.3.
Ingevolge art. 51 Wa.
Art. 2f jo. art. 51a onderdeel f Wa.
Conclusie A-G Colomer 9 november 2000 voor HvJ EG 5 april 2001, nr. C-325/99, G. van de Water vs. staatssecretaris, Jur. 2001, p. I-2729, BNB 2001/204, r.o. 40.
HR 6 juni 2003, nr. 35.372, FED 2003/329, BNB 2003/315.
Art. 66 Wa. Art. 19 UB Accijns.
Art. 2e Wa.
Als bedoeld in art. 50f Wa.
Art. 80 Wa.
HR 13 juni 2003, nr. 37.223, FED 2003/346, BNB 2003/317c. Hof Leeuwarden 1 juni 2001, nr. 31/00, LJN AB1962.
HR 8 oktober 2004, nr. 38.481, LJN AN4672, BNB 2005/23, r.o. 3.4.2. en 3.4.3.
Art. 2f tweede gedeelte ‘dat niet overeenkomstig de bepalingen van deze wet in de heffing is betrokken’Wa. Kamerstukken II 1992/93, 22 697, nr. 3, p. 29. HR 13 juni 2003, nr. 37.223, FED 2003/346, BNB 2003/317c, LJN AF0380, r.o. 3.3.3.
Hof ’s-Gravenhage 15 december 2004, nr. 04/01383, niet gepubliceerd, r.o. 6-9.
HR 13 juni 2003, nr. 36.388, FED 2003/344, V-N 2003/31.20, BNB 2003/316c, r.o. 3.3.4.De matroos is voorhandenhebber en dientengevolge zelf belastingplichtige. Er is dus nageheven op basis van art. 20 lid 2 eerste volzin AWR. Dit is géén schoolvoorbeeld van toepassing van art. 20 lid 2 tweede volzin AWR, het niet naleven van bepalingen van de belastingwet door een ander dan de belastingplichtige, zoals de redactie van V-N (V-N 2003/31.20) stelt.
HR 9 juli 2004, nr. 38.723, LJN AP9596, FED 2004/398, BNB 2004/352. r.o. 3.7.
Art. 2f tweede gedeelte en art. 51a aanhef en onderdeel f Wa.
Deze wetenschap moet komen vast te staan omdat art. 2f, tweede gedeelte (vanaf ‘alsmede’), blijkens de wetsgeschiedenis (Kamerstukken II 1992/93, 22 697, nr. 3, p. 29) de voortzetting is van art. 87 lid 1 Wa zoals die luidde tot 1 januari 1993, en niet blijkt dat de wetgever met die bepaling een beperktere of juist ruimere mogelijkheid tot heffing bij een afnemer als belanghebbende voor ogen stond dan voortvloeide uit art. 87 lid 1 Wa.
HR 13 juni 2003, nr. 36.388, BNB 2003/316. HR 9 juli 2004, nr. 38.723, LJN AP9596, FED 2004/398, BNB 2004/352.
Hof Arnhem 15 januari 2003, nr. 00/02124, LJN AF4601.
Hof Arnhem 13 maart 2002, nr. 97/22509, LJN AE2023.
Het betrekken van accijnsgoederen die worden gebruikt aan boord van schepen in het verkeer van Nederland naar een andere lidstaat, anders dan over de binnenwateren, als bedoeld in art. 66a Wa en art. 19 UB Accijns.
Als bedoeld in art. 1 lid 1 Wa.
Als bedoeld in de Wet AVD.
Als bedoeld in art. 39 Wa en art. 14 Wet AVD.
Als bedoeld in art. als bedoeld in art. 19 lid 1 onderdeel a UB Accijns.
Art. 19a UB Accijns.
Art. 66a lid 1 onderdeel a Wa.
Op basis van art. 2f tweede gedeelte Wa.
Art. 51a aanhef en onderdeel f Wa.
HR 13 juni 2003, nr. 35.372, BNB 2003/315.
Art. 52a aanhef en onderdeel e Wa.
Art. 66a lid 1 onderdeel a Wa.
Als bedoeld in art. 2f Wa.
Op basis van art. 20 lid 2 tweede volzin AWR.
Als bedoeld in art. 2f Wa. HR 15 april 2005, nr. 39.488, LJN AO4322, BNB 2005/199. Hof Arnhem 14 februari 2003, nr. 00/01339, LJN AF6033.
HR 14 mei 2004, nr. 38.370, LJN AO9493, BNB 2004/289, FED 2004/289, r.o. 3.2.2.
Laser is de voormalige benaming van de uitvoeringsorganisatie van het Ministerie van LNV. Deze is thans genaamd: Dienst Regelingen.
HR 16 mei 2003, nr. 37.441 (Laser I), FED 2003/301, BNB 2003/318.
Conclusie A-G Ilsink voor HR 16 mei 2003, nr. 37.441, FED 2003/301, BNB 2003/318, r.o. 3.2.6.
Art. 2c lid 1 Wa.
HR 16 mei 2003, nr. 37.442 (Laser II), FED 2003/302.
In strijd met art. 5 Wa.
Art. 28 Wet OB 1968.
HvJ EG 29 juni 2000, nr. C-455/98, Tullihallitus (Finse douaneadministratie) vs. Kaupo Salumets e.a., Jur. 2000, p. I-4993, r.o. 24.
Hof ’s-Hertogenbosch 15 november 2001, nr. 98/00911, LJN AD6407, Infobulletin 2000/129.
Hof Amsterdam 2 december 2002, nr. 02/2840, LJN AF2769, r.o. 5.2.2. Voortzetting van HR 12 april 2002, nr. 34.162, BNB 2002/228.
Hof ’s-Hertogenbosch 18 maart 2002, 95/01034, LJN AE1211.
Hof ’s-Hertogenbosch 13 november 2003, nr. 99/01646, LJN AO2337.
Hof ’s-Gravenhage 21 februari 2003, nr. 02/01717 wit, LJN AF7450.
Hof ’s-Hertogenbosch 28 november 2001, nr. 00/00583, LJN AD8105, NTFR 2002/186.
Hof ’s-Hertogenbosch 21 mei 2002, nr. 00/01108, LJN AE3479.
Degene die accijnsgoederen die niet overeenkomstig de voorschriften van het regime van de Accijnsrichtlijn in de heffing zijn betrokken voorhanden krijgt, wordt de accijns daarvan verschuldigd. Het voorhanden hebben van accijnsgoederen en het verbod daarop ziet niet op overbrengingen binnen het stelsel van onderling verbonden belastingentrepots.1 Om onregelmatig voorhanden hebben te kunnen vaststellen moet voldaan zijn aan een reeks vereisten.
4.7.24.1 Feitelijke beschikkingsmacht
Voor het voorhanden hebben van goederen is feitelijke beschikkingsmacht vereist.2
Meer precies moet worden getoetst of de belanghebbende in persoon feitelijk heeft kunnen beschikken over de accijnsgoederen, en, zo dit niet het geval is, of belanghebbende samen met anderen daarover kon beschikken.3 Dat is alleen het geval als de accijnsgoederen buiten het belastingentrepot zijn vervaardigd of gebracht.4 Een duidelijk handvat geeft de Hoge Raad met het criterium dat degene die accijnsgoederen in opdracht van derden vervoert of doet vervoeren dan wel onder zijn beheer opslaat of doet opslaan, terwijl hij de hoedanigheid van de goederen kent en daadwerkelijke toegang heeft tot die goederen, geacht kan worden de feitelijke beschikkingsmacht over deze goederen te hebben.5 Er moet ten minste sprake zijn van enige daadwerkelijke beschikkingsmacht over de betreffende accijnsgoederen.6 Eigendom of bezit van goederen behoeft niet de feitelijke beschikkingsmacht te impliceren.7 Alleen de houder van goederen kan voorhanden hebben.8
Als accijnsgoederen niet door één persoon, maar door meerdere vervaardigers of voorhandenhebbers voorhanden worden gehouden en die personen hun aangifteplicht veronachtzamen, kan, zoals gezegd, aan elk van hen een naheffingsaanslag voor het volle bedrag van de verschuldigde accijns worden opgelegd, als ware zij iedere belastingplichtige, hoewel slechts sprake kan zijn van één belastbaar feit. Daarbij is niet van belang of die personen dat accijnsgoed gelijktijdig dan wel volgtijdig voorhanden hebben of hebben gehad.9
4.7.24.2 Weten of redelijkerwijs kunnen weten
Bij het voorhanden hebben moet vaststaan dat de afnemer, op het moment waarop hij de goederen voorhanden krijgt, weet of redelijkerwijs kan weten dat de goederen niet in de heffing zijn of zullen worden betrokken.10 Hieraan doet niet af dat de ter zake van uitslag verschuldigde accijns wordt geheven van de vergunninghouder van het belastingentrepot.11 Desondanks wordt beoogd, dat de afnemer de accijns verschuldigd wordt.12 De gemeenschapswetgever heeft willen voorkomen dat zich onveraccijnsde goederen buiten de schorsingsregeling op het grondgebied van de Gemeenschap bevinden.13 Zoals gezegd, strekt deze bepaling er met name toe om lieden die welbewust profiteren van door anderen verrichte frauduleuze handelingen met betrekking tot accijnsgoederen, in de accijnsheffing te kunnen betrekken.
4.7.24.3 IJsbereiding in plaats van aandrijving van schepen
Een ijsbereider nam minerale oliën af met bunkervergunning voor vrijgesteld gebruik voor de aandrijving van schepen of als scheepsbehoeften aan boord van schepen, en gebruikte de minerale oliën gedurende enkele achtereenvolgende jaren niet voor het varen met zijn schip, maar voor de aandrijving van generatoren ten behoeve van de bereiding van ijs, terwijl het schip lag afgemeerd op een vaste ligplaats. Volgens de Hoge Raad in het IJsbereiders-arrest (2003) was sprake van uitslag wegens voorhanden hebben van de minerale oliën omdat de ijsbereider wist, dan wel redelijkerwijs kon weten, dat hij de minerale oliën gebruikte voor een doel, de ijsbereiding, waarvoor de accijnsvrijstelling niet geldt.14 Het bezit van een bunkervergunning impliceert dat de houder ervan de wetenschap behoort te hebben van de voorwaarden waaronder de vrijstelling wordt verleend.15
4.7.24.4 Verzuimde aangifte afstandsverkoop
Een groothandel in levensmiddelen, geen vergunninghouder van een belastingentrepot, betrok uit Duitsland alcoholhoudende anijsdrank (Raki) en korrelgranulaat voor de vervaardiging van limonade. De Duitse leverancier verzuimde in Nederland aangifte van deze afstandsverkoop te doen.16 Bij een afstandsverkoop wordt de accijns op het moment van levering verschuldigd, zodat de Duitse leverancier deze als vergunninghouder op aangifte had moeten voldoen, zulks onverminderd de verplichting die aangifte door tussenkomst van een fiscaal vertegenwoordiger in Nederland te doen verrichten.17 Voor accijnsgoederen buiten een belastingentrepot bestaat de verplichting om door middel van boeken en bescheiden aan te tonen welke de herkomst is.18
Van illegaal voorhanden hebben kon hier sprake zijn als vast zou komen te staan dat de groothandel wist of redelijkerwijs kon weten dat de Duitse leverancier zijn verplichting tot betaling van accijns niet zou nakomen. In het Raki-arrest (2003) stelde de Hoge Raad vast dat de groothandel deze wetenschap niet had.19 In dergelijke gevallen moet volgens de Hoge Raad in het Belgische tankwagens-arrest (2004) uitdrukkelijk worden getoetst aan het criterium dat de belanghebbende op het tijdstip waarop hij de goederen voorhanden kreeg, wist of redelijkerwijs kon weten dat de minerale oliën niet overeenkomstig de bepalingen van het accijnsregime waren betrokken. In deze zaak kocht een vennootschap hoeveelheden minerale oliën van in Nederland gevestigde leveranciers, welke oliën met tankwagens voorzien van Belgische kentekens werden aangevoerd, en welk vervoer naar het adres van de vennootschap niet in haar opdracht of voor haar rekening geschiedde. De vennootschap beschikte niet over een vergunning voor een belastingentrepot en evenmin over een vergunning voor een geregistreerd dan wel een niet-geregistreerd bedrijf.20
4.7.24.5 Niet onzakelijke rodedieselprijs
Een in België gevestigde vennootschap levert een op Nederlands grondgebied gevestigd Nederlands loonwerkbedrijf 126.659 liter rode gasolie. De helft van de gasolie is op Belgisch grondgebied geleverd door het aftanken van de landbouwvoertuigen van het loonwerkbedrijf; de andere helft is afgeleverd op het loonwerkbedrijf op Nederlandse bodem. De facturen van de in België getankte diesel vermelden de aantekening brandstoffen afgehaald. Van deze diesel wordt door de inspecteur geacht Belgische accijns te zijn geheven, zodat daarvan niet opnieuw Nederlandse accijns verschuldigd is. Voor de andere helft had de inspecteur zowel aan de Belgische leverancier als aan de Nederlandse afnemer naheffingsaanslagen opgelegd wegens voorhanden hebben in Nederland van accijnsgoederen zonder dat daarvan de verschuldigde Nederlandse accijns was voldaan. Voor het belastbare feit voorhanden hebben moet komen vast te staan, dat het loonwerkbedrijf op het moment waarop het de goederen voorhanden kreeg, wist of redelijkerwijs kon weten dat de leverancier zijn verplichting de verschuldigde accijns te voldoen, niet is of niet zou nakomen.21 De inspecteur was van opvatting, dat het loonwerkbedrijf zich er door het prijsverschil van bewust had moeten zijn dat door de leverancier geen accijns zou zijn of worden betaald. De prijs die aan belanghebbende in rekening is gebracht lag ƒ 0,17 lager dan de gangbare prijs. Het loonwerkbedrijf stelde daartegenover dat voor de hoeveelheden die het afnam de gangbare prijs al zo’n vijf cent lager lag dan waar de inspecteur vanuit ging en dat het vervolgens prijzen is gaan vergelijken en daarover is gaan onderhandelen. Naar zijn opvatting heeft het loonwerkbedrijf – vergeleken met bedrijven in zijn omgeving – zeker niet de bodemprijs gekregen. Hof ‘s-Gravenhage (2004) achtte het aannemelijk dat het loonwerkbedrijf niet heeft geweten of kunnen weten, dat de Belgische leverancier zijn accijnsverplichtingen niet zou nakomen. Het prijsverschil van zo’n 10 tot 12 cent is naar het oordeel van het Haagse Hof niet zodanig dat het loonwerkbedrijf op grond daarvan desalniettemin redelijkerwijs heeft kunnen weten dat van de gasolie ten onrechte geen accijns door de Belgische leverancier zou zijn of worden voldaan.
Hiermee vonden de naheffingsaanslagen terstond hun einde.22
4.7.24.6 Onbevoegde gebruik bunkervergunning
Een matroos van een binnenvaartschip liet accijnsgoederen afleveren door een scheepsprovianderingsbedrijf met status van belastingentrepot op de bunkervergunning van zijn vader, die de kapitein van het schip was. Het scheepsprovianderingsbedrijf leverde bier, gedistilleerd en tabaksproducten af, onder overlegging van een schriftelijke verklaring, waarin de matroos meldde dat de aan hem te leveren accijnsgoederen zouden worden verbruikt aan boord van het schip in het verkeer van Nederland naar andere lidstaten. Omdat de matroos niet gemachtigd was de eigenaar van het schip te vertegenwoordigen, stelde de Hoge Raad in het matroos-arrest vast dat de afnemer (de matroos) op het moment waarop hij de goederen voorhanden kreeg, wist of redelijkerwijs kon weten dat de goederen niet in de heffing zouden worden betrokken, de goederen derhalve illegaal voorhanden had en dat dit aangemerkt kan worden als uitslag tot verbruik, waarvoor de matroos belastingplichtige werd.23 In deze zaak is als grief aangevoerd dat bij het scheepsprovianderingsbedrijf zou moeten worden nageheven. Terecht merkt A-G Ilsink op dat het behoudens bijzondere omstandigheden aan belanghebbende te wijten is dat geen accijns is geheven. De leverancier heeft de bevoegdheid noch de mogelijkheid de juiste toepassing van de bunkervergunning te controleren.
4.7.24.7 Doorverkoop scheepsproviandering
Een postbesteller kocht accijnsgoederen (onder meer wijn, andere alcoholhoudende dranken en tabaksproducten) van een scheepsprovianderingsbedrijf, dat deze goederen voorradig had in een belastingentrepot. De goederen werden vrij van accijns geleverd omdat ze bestemd waren voor gebruik aan boord van een schip in het verkeer naar een andere lidstaat. Op de door de postbesteller ondertekende en voldane facturen staat vermeld, dat door acceptatie van de factuur en de daarop vermelde goederen de afnemer zich aansprakelijk stelt voor alle navorderingen van invoerrechten, accijnzen en boeten, indien later mocht blijken dat de goederen ten onrechte zijn verbruikt.
De leverancier van de accijnsgoederen heeft ter zake van de uitslag uit het belastingentrepot geen accijns voldaan. De goederen zijn niet gebruikt aan boord van schepen in het verkeer naar een andere lidstaat doch zij zijn alle in Nederland door de postbesteller zelf verbruikt of doorverkocht aan derden. De inspecteur heeft de niet voldane accijns zowel bij de postbesteller als bij de leverancier nageheven. Daar was ook reden toe gezien de constatering van de Hoge Raad in zijn Postbesteller-arrest (2004), dat de leverancier wist dat hij ten onrechte de vrijstelling toepaste.24 Na bezwaar van de leverancier zijn deze naheffingsaanslagen vernietigd. Hof ‘s-Gravenhage besliste dat de postbesteller de accijnsgoederen voorhanden had en deze niet overeenkomstig de bepalingen van het accijnsregime in de accijnsheffing waren betrokken, zodat sprake was van uitslag en de postbesteller als belastingplichtige had te gelden.
In zowel het geval van de matroos als in dat van de postbesteller hebben de matroos en de postbesteller accijnsgoederen voorhanden gekregen die niet overeenkomstig de bepalingen van de Wa in de heffing zijn betrokken. In die gevallen wordt de accijns daarvoor verschuldigd wegens voorhanden hebben.25 Hiervoor moet komen vast te staan dat de afnemer op het moment waarop hij de goederen voorhanden krijgt, weet of redelijkerwijs kan weten dat de goederen niet in de heffing zijn of zullen worden betrokken.26 Indien het handelen van de vergunninghouder van het belastingentrepot erop is gericht dat hij geen accijns voldoet of zal voldoen, en degene die de accijnsgoederen voorhanden krijgt zulks weet of redelijkerwijs kan weten, kan niet worden gezegd dat de betrokken goederen overeenkomstig de bepalingen van de Wa reeds in de heffing zijn betrokken en worden de goederen mitsdien voorhanden gehouden.27
4.7.24.8 Handel in onveraccijnsde sigaretten
Omdat belanghebbende het financiële brein was achter een omvangrijke handel in onveraccijnsde sigaretten (niet voorzien van accijnszegels), de kas beheerde, maar geen administratie voerde, en meehielp met het uitladen ervan uit zeecontainers, is haar intensieve betrokkenheid bij die handel komen vast te staan en heeft zij derhalve de sigaretten in volle omvang voorhanden gehad. Met haar enkele stelling dat een onverklaarde partij van 4.200 sloffen niet naar Nederland is gebracht, is onvoldoende aannemelijk gemaakt dat deze sigaretten in Duitsland dan wel elders buiten Nederland zijn afgezet, aldus het Gerechtshof Arnhem.28 De inspecteur heeft onder meer met een berekening voldoende aannemelijk gemaakt dat de belanghebbende in het naheffingstijdvak illegaal sigaretten voorhanden heeft gehad. Op de belanghebbende rust vervolgens, nu hij daartoe het best in staat moet worden geacht, de plicht aannemelijk te maken dat die berekening aan tekortkomingen lijdt. Als belanghebbende daarbij in bewijsnood raakt, dient dit risico, gelet op het achterwege blijven van aangiften en het ontbreken van een deugdelijke administratie, voor zijn risico te komen.29
4.7.24.9 Proviandering Rijncruiseschip in Duitsland en Nederland
Een Nederlandse rederij heeft voor passagiersvaarten met een Rijncruiseschip met gebruikmaking van haar bunkervergunning tot accijnsvrije scheepsproviandering30
diverse keren alcoholhoudende dranken, tabaksproducten31 en alcoholvrije dranken 32 besteld. De leverancier van deze accijnsgoederen kocht deze in bij een vergunninghouder van een belastingentrepot.33 Nadat de rederij de goederen had besteld en de leverancier de bestelling had doorgegeven aan de vergunninghouder van een belastingentrepot, werden deze uit het belastingentrepot uitgeslagen en vervolgens door de vergunninghouder geleverd aan en afgeleverd bij de leverancier.
Daarna leverde de leverancier de goederen af aan boord van één van de schepen van de rederij, meestentijds in Duitsland, maar ook enkele keren in Nederland. Het schip werd ingezet in de vaart op de Rijn en zijn zijrivieren in Nederland, Duitsland, Frankrijk en Zwitserland. Wanneer een afnemer van andere accijnsgoederen dan minerale oliën beschikt over een bunkervergunning34, mag de vergunninghouder hem deze accijnsgoederen leveren onder vrijstelling van accijns.35 Daartoe is vereist dat de accijnsgoederen in Nederland aan boord van het schip van die afnemer worden afgeleverd.36 Voorts geldt onder meer als voorwaarde dat die afnemer aan de onder meer als voorwaarde dat die afnemer aan de vergunninghouder te kennen geeft de goederen uitsluitend te bezigen in het scheepvaartverkeer tussen Nederland en een andere lidstaat. De Hoge Raad stelt in zijn Rijncruiseschip-arrest (2003) vast dat aan deze voorwaarde niet was voldaan. Dan is de vrijstelling niet van toepassing en wordt accijns verschuldigd ter zake van uitslag. De afnemer is in dat geval gehouden37 tot voldoening daarvan38, als hij wist of redelijkerwijs kon weten dat de vrijstelling voor een dergelijk gebruik niet gold.39 De accijns wordt in dat geval verschuldigd op het tijdstip van de aanvang van het voorhanden hebben in Nederland.40 Voor de door de leverancier in Duitsland aan boord van het schip afgeleverde goederen is de vrijstelling niet van toepassing, reeds omdat de goederen buiten Nederland zijn afgeleverd41, een regeling in strijd met het internemarktbeginsel. De rederij kreeg de bestelde goederen bij die aflevering niet in Nederland voorhanden.42 De goederen zijn door of in opdracht van de leverancier en voor diens rekening vervoerd, waardoor de rederij de goederen ook niet voorhanden heeft gehad op enig tijdstip voorafgaand aan het buiten Nederland brengen daarvan, waaraan niet afdoet dat de rederij de goederen bij de leverancier heeft besteld en hem de plaats heeft opgegeven waar de aflevering kon plaatsvinden. Nu de provianderingsvrijstelling voor de buiten Nederland afgeleverde goederen niet van toepassing is, kon de door de vergunninghouder verschuldigde accijns niet van de rederij worden nageheven43, waaraan niet afdoet dat de rederij deze goederen onder gebruikmaking van haar bunkervergunning heeft besteld en laten uitslaan uit een belastingentrepot onder de vermelding dat ter zake van de levering vrijstelling van accijns van toepassing was. Voor de goederen die in Nederland aan boord van het schip zijn afgeleverd, is de rederij accijns verschuldigd geworden, omdat zij die voorhanden heeft gekregen in de wetenschap dat deze na aflevering niet zouden worden gebruikt in het verkeer van Nederland naar een andere lidstaat.44
4.7.24.10 Vuurwerk en onveraccijnsde sigaretten uit derde landen
Een groothandelaar in vuurwerk ontving 4.366.400 stuks onveraccijnsde sigaretten, niet voorzien van accijnszegels, die op onregelmatige wijze vanuit derde landen waren ingevoerd. De opslag- en vervoersactiviteiten die belanghebbende met het oog op de doorvoer heeft verricht nadat de goederen door derden bij hem waren afgeleverd, konden niet beschouwd worden als onderdeel uitmakend van het binnenbrengen van de sigaretten in het douanegebied van de Gemeenschap. De sigaretten zijn op verschillende adressen, waaronder het woon- en bedrijfsadres van belanghebbende, in beslag genomen en nadien door de fiscale autoriteit vernietigd. De inbeslagname en de vernietiging hebben niet plaatsgevonden in het kader van het binnenbrengen van vorenbedoelde sigaretten, zodat volgens de Hoge Raad in zijn vuurwerkgroothandelaar-arrest (2004), sprake is van uitslag wegens voorhanden hebben.45
4.7.24.11 Door overheid verkochte inbeslaggenomen ethylalcohol
Van een hoeveelheid ethylalcohol, die door het openbaar ministerie (OM) te Rotterdam in beslag was genomen, waarvan geen accijns was geheven en welke vervolgens door de Staat der Nederlanden is verkocht, is ondanks de leveringsconditie dat de koper de alcohol zou slijten in de autobranche, een hoeveelheid van 2.950 liter aangewend voor de vervaardiging van alcoholhoudende dranken. De verschuldigde gedistilleerdaccijns is van de koper wegens het vervaardigen van accijnsgoederen buiten een belastingentrepot nageheven. Volgens de Hoge Raad in het Laser I-arrest (2003) kunnen accijnsgoederen afkomstig van de Staat der Nederlanden niet illegaal voorhanden worden verkregen. Accijnsgoederen die door de Staat in het handelsverkeer worden gebracht, moeten, gelet op de zorgvuldigheid die van de Staat mag worden verwacht, worden geacht overeenkomstig de bepalingen van het accijnsregime in de heffing te zijn betrokken. Een partij ethylalcohol, die door het OM in beslag was genomen, waarvan geen accijns was geheven en die vervolgens door de Staat der Nederlanden (in casu het OM en Laser46) was verkocht, kan de koper – geen vergunninghouder van een belastingentrepot – als van een staatsorgaan betrokken, niet voorhanden hebben gekregen.47 Zoals annotator Sio in zijn noot onder het arrest ook terecht opmerkt, ontbreekt in de situatie van beslaglegging een aanknopingspunt om de ethylalcohol na de vervreemding door het OM en Laser als onveraccijnsd in de zin van de Wa te beschouwen. Het OM noch Laser zijn immers vergunninghouder van een belastingentrepot. De positie van het OM en Laser ten opzichte van de accijnsheffing blijft in deze procedure volkomen onduidelijk. A-G Ilsink construeert in zijn conclusie de plaatsing van de in beslag genomen alcohol onder een fictieve schorsingsregeling.48 Een dergelijke fictie zou het feitencomplex hebben gecompleteerd aan de hand waarvan de onveraccijnsde alcohol bij opheffing van het beslag of ter gelegenheid van de vervreemding had kunnen worden geacht weer onder toezicht van de douaneautoriteit te zijn geplaatst, waarbij de alcohol aan de afnemer zou kunnen zijn afgeleverd met accijnsvrijstelling wegens productief verbruik. Het criterium voorhanden krijgen leidt niet tot verschuldigdheid van accijns door natuurlijke personen die voor eigen verbruik accijnsgoederen verwerven in een andere lidstaat en deze zelf naar Nederland vervoeren, omdat voor deze situatie uitdrukkelijk is bepaald dat daarvoor geen accijns wordt verschuldigd.49 Hierbij is derhalve geen sprake van voorhanden hebben van een accijnsgoed dat op enigerlei wijze niet overeenkomstig de bepalingen van de Wa in de heffing is betrokken. Geen accijns is dus verschuldigd wegens het voorhanden hebben van van de Staat der Nederlanden verkregen ethylalcohol. Wél is de belanghebbende, naar de Hoge Raad in het Laser II-arrest (2003) heeft beslist, accijns verschuldigd voor de alcoholhoudende dranken die met de hoeveelheid van 2.950 liter is vervaardigd.50
4.7.24.12 Tabaksproducten geen niet-economische goederen
Het feit dat de belanghebbende onder omstandigheden niet strafrechtelijk is veroordeeld ter zake van het misdrijf van het (zelfstandig) opzettelijk voorhanden hebben van onveraccijnsde sigaretten doet daaraan niet af, omdat in het belastingrecht, waarin de materiële belastingschuld rechtstreeks voortvloeit uit de belastingwet, andere bewijsregels gelden en voor het heffen van accijns van een betrokkene wegens het voorhanden hebben niet geldt dat die betrokkene met uitsluiting van anderen accijnsgoederen 51 voorhanden heeft gehad. Indien sprake is van ondernemerschap voor de omzetbelasting wordt van tabaksproducten ook de verschuldigde omzetbelasting over dezelfde partij sigaretten nageheven ter zake van de levering ervan.52 Rooktabak die na het ompakken door een niet-vergunninghouder niet meer is voorzien van accijnszegels en de bestemming heeft te worden verhandeld naar coffeeshops die de tabak gebruiken voor de vervaardiging van joints, wordt voorhanden gehouden. Tabak behoort niet tot de categorie niet-economische goederen die wegens hun aard of bijzondere kenmerken niet in het legale handelsverkeer mogen worden gebracht of in de economische kringloop mogen komen, zoals volgens het Salumets-arrest (2000) van het HvJ EG, verdovende middelen, vals geld en wapens.53 In dit verband is niet van belang welk gebruik na de verhandeling van de tabak zal worden gemaakt, zodat er volgens Hof ‘s-Hertogenbosch geen grond is om heffing achterwege te laten.54
4.7.24.13 Geen feitelijke beschikkingsmacht dus niet voorhanden
De belanghebbende die slechts behulpzaam is bij de verkoop van onveraccijnsde gedistilleerde dranken, maar geen toegang heeft tot die goederen, omdat zij nimmer over de sleutel van de opslagloods beschikte, en welke verkoop niet mede voor haar rekening geschiedde, bezit volgens Hof Amsterdam niet de feitelijke beschikkingsmacht over de goederen en heeft dus niet voorhanden.55 Ook degene op wier terrein weliswaar een vrachtauto stond die niet was afgesloten, maar bij haar niet in gebruik was en waarvan zij niet op de hoogte was van de erin opgeslagen onveraccijnsde alcoholhoudende goederen, heeft volgens Hof ‘s-Hertogenbosch niet voorhanden gehad.56
4.7.24.14 Feitelijke beschikkingsmacht dus wel voorhanden
De belanghebbende die voor de aankoop van een partij van 19.008 flessen whisky geld heeft uitgeleend, afwist van de aankoop van die partij whisky, wist dat van sterke drank accijns wordt geheven en dat de papieren in orde moesten zijn, is benaderd om een opslagplaats voor de partij whisky te vinden en daar ook daadwerkelijk naar op zoek is gegaan, intermediair was bij de opslag van de whisky en die opslag controleerde, de onderverhuurder en de huurder van de loods waar de whisky was opgeslagen gezegd heeft dat die hem altijd konden bellen als er problemen waren, geholpen heeft om de whisky vanuit de loods te leveren, toestemming moest geven voor er whisky kon worden uitgeleverd, aan hem gerichte faxberichten over drankleveringen ontving, en met een vertegenwoordiger van de buitenlandse leverancier van de whisky sprak over de levering van whisky, heeft volgens Hof ‘s-Hertogenbosch de feitelijke beschikkingsmacht over de goederen gehad, waardoor bij hem de verschuldigde accijns kon worden nageheven.57
4.7.24.15 Voorhanden hebben in de schuur en in de kelder
Evenzo is volgens Hof ‘s-Gravenhage sprake van feitelijke beschikkingsmacht over aanwezige accijnsgoederen en het voorhanden hebben daarvan door de eigenaar van een schuur, die meer dan sterke betrokkenheid had bij het reilen en zeilen van de in zijn schuur aanwezige illegale alcoholbranderij, ook toen deze in bedrijf was, en de aldaar door de fiscale autoriteit aangetroffen hoeveelheden alcoholhoudende producten.58
Tijdens een huiszoeking in de kelder van de woning van belanghebbende en in een bij hem in gebruik zijnde personenauto werden 21.700 stuks onveraccijnsde sigaretten aangetroffen. Belanghebbende had toegang tot zowel de kelder, hoewel deze verhuurd was, als de auto, en heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij van de aanwezigheid van de sigaretten niet op de hoogte was, zodat hij de feitelijke beschikkingsmacht over de sigaretten had. Ook wist hij dat de sigaretten niet waren voorzien van de voorgeschreven accijnszegels en had het hem dan ook duidelijk moeten zijn geweest dat de sigaretten niet in de accijnsheffing waren betrokken. Aldus heeft de belanghebbende volgens Hof ‘s-Hertogenbosch de sigaretten voorhanden gehad.59 Op soortgelijke wijze had een voetbalvereniging 234.600 stuks sigaretten zonder accijnszegels voorhanden die in de kelder van de kantine in witte dozen waren opgeslagen, waarvan de voorzitter zich er een had toegeëigend.60