Einde inhoudsopgave
De rol van de paritas creditorum bij een faillissement 2023/3.3.2.10
3.3.2.10 Gelijkheid en informatieverschaffing
mr. M.J. Noteboom, datum 31-05-2022
- Datum
31-05-2022
- Auteur
mr. M.J. Noteboom
- JCDI
JCDI:ADS686142:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Groenewegen & Orval 2009, p. 41 nemen dit standpunt ook in. Zij onderbouwen dit standpunt door - in het verlengde van HR 3 november 2006, NJ 2007/155 (Nebula) – te verwijzen naar de paritas creditorum. Deze onderbouwing is naar mijn mening niet steekhoudend. Het recht van de curator om in een dergelijke situatie nakoming te weigeren, vloeit voort uit artikel 37 Fw en niet uit de paritas creditorum. Vgl. Van Andel & Van Zanten 2013, p. 35-36.
Vgl. Van Andel & Van Zanten 2013, p. 36. Anders Van Hees 2002, p. 213, die stelt dat artikel 133 Fw aan verificatie in de weg staat.
Zie nader HR 30 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ0861, NJ 2010/96 (Hamm q.q./ABN Amro). Vgl. Rb. Rotterdam 15 maart 2011, JOR 2011/269.
Het komt veelvuldig voor dat in contracten verplichtingen zijn opgenomen tot het verstrekken van bepaalde informatie. Indien een dergelijke verplichting op de schuldenaar rust, is er sprake van een prefaillissementsvordering en is de schuldeiser die zich op een dergelijke bepaling beroept, een faillissementsschuldeiser. Op grond van een contractuele aanspraak kan een faillissementsschuldeiser in beginsel niet afdwingen dat de curator bepaalde informatie verstrekt, tenzij de gehele overeenkomst door de curator op de voet van artikel 37 Fw gestand wordt gedaan. Als de overeenkomst niet wordt gestand gedaan, heeft de curator het recht op niet-nakoming.1 De vordering is niet verifieerbaar, tenzij de schuldeiser kan aantonen dat vermogensschade wordt geleden doordat de aanspraken op informatie niet worden gehonoreerd. In dat geval is de vordering wel verifieerbaar. 2
Pandhouders hebben niet alleen bij het zoeken van verhaal een andere positie. Ook in het kader van het recht op informatie nemen zij een bijzondere positie in. Zij hebben recht op alle informatie die nodig is om de in artikel 3:246 lid 1 BW genoemde mededeling te doen en de inning van een verpande vordering ter hand te nemen. Daarnaast hebben zij recht op informatie die nodig is om de vordering daadwerkelijk te kunnen innen. Zonder deze informatie zou de uitoefening van de bevoegdheden van de pandhouder (recht van parate executie) in grote mate illusoir worden.3
De ongelijke behandeling van pandhouders wordt gerechtvaardigd door de bijzondere positie die zij als separatist innemen.