Einde inhoudsopgave
Een Nederlandse personenvennootschap met beperkte aansprakelijkheid (IVOR nr. 81) 2011/6.8.6.6
6.8.6.6 Uitkeringsregels in Nederland
mr.drs. I.S. Wuisman, datum 13-01-2011
- Datum
13-01-2011
- Auteur
mr.drs. I.S. Wuisman
- JCDI
JCDI:ADS393118:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
HR 6 februari 2004, JOR 2004, 67 (Reinders Didam Beheer/Gunning q.q) en HR 8 november 1991, NJ 1992, 174 (Nimox/Van den End q.q.).
Vgl: HR 8 juni 2001, JOR 2001/171 (Panmo).
De derde misbruikwet voorziet in bepaalde gevallen in de persoonlijke aansprakelijkheid van (feitelijk) bestuurders ingeval de vennootschap failliet is. Van misbruik zal men vooral spreken wanneer de vennootschap wordt gebruikt voor ongeoorloofde doeleinden of met opzet om ten nadele van de crediteuren persoonlijk voordeel te verwerven.
Bier, B. (2006), 'Het verleden, heden en de toekomst van de kapitaalbescherming', Preadvies van de Vereeniging 'Handelsrecht', 'De vereenvoudigde BV', Deventer: Kluwer, blz. 242-243. Deze faillissementsartikelen zouden pauliana-achtige constructies kunnen zijn. Bier stelt in haar preadvies dat in het wetsvoorstel flex-BV wel uitkeringsregels opgenomen dienen te worden omdat dit ertoe leidt dat de gebruikers van de BV makkelijk de regels over uitkeringen kunnen terugvinden.
Voor de Nederlandse kapitaalvennootschappen gelden zowel wettelijke uitkeringsregels om ongeoorloofde uitkeringen tegen te gaan, als de regels die zich hebben ontwikkeld in de jurisprudentie over de oneigenlijke doorbraak van aansprakelijkheid. Uit de arresten Reinders en Nimox vloeit voort dat zelfs als voldaan is aan de wettelijke kapitaalbeschermingseisen, een besluit tot dividenduitkering onrechtmatig kan zijn tegenover schuldeisers van de vennootschap, of kan leiden tot kennelijk onbehoorlijk bestuur, omdat de schuldeisers in hun verhaalsmogelijkheden worden benadeeld.1 Indien een bestuurder meewerkt aan een uitkering van dividend of reserves terwijl geen redelijk denkend bestuurder zou hebben mee gewerkt aan een dergelijke transactie die de solvabiliteit en de liquiditeit zodanig vermindert dat de vennootschap daardoor in feite failliet gaat, kan hij daarvoor aansprakelijk zijn.2 Aansprakelijkheid ontstaat dan uit hoofde van de derde misbruikwet (artikel 2:138 en 2:248 BW).3 De vraag rijst welk nut de wettelijke uitkeringsregels dan nog hebben, indien toch aansprakelijkheid ontstaat ook al hebben de bestuurders zich aan de wettelijke regels gehouden. De onrechtmatige-daadsprocedure aangevuld met bepalingen uit de Faillissementswet zouden dan eventueel voldoende kunnen zijn.4 Wellicht dat de hele kwestie van deze uitkeringszaken niet aan de orde zou zijn geweest als voor het beoordelen van de geoorloofdheid van de uitkering een uitkeringstest zou zijn gebruikt, in plaats van de balanstest die het criterium is van de huidige wettelijke uitkeringsregels. De ongeoorloofde uitkeringen zouden dan misschien in zijn geheel niet hebben plaatsgevonden waardoor het in dat geval niet nodig zou zijn geweest voor de rechter om alsnog achteraf, aansprakelijkheid op te leggen. De uitkeringstest wordt in de volgende paragraaf besproken.