Een Nederlandse personenvennootschap met beperkte aansprakelijkheid: wenselijk?
Einde inhoudsopgave
Een Nederlandse personenvennootschap met beperkte aansprakelijkheid (IVOR nr. 81) 2011/6.8.6.16:6.8.6.16 Vorderingsrechten op grond van artikel 7:800 lid 2 en 7:809 lid 3 Wetsvoorstel Titel 7.13
Een Nederlandse personenvennootschap met beperkte aansprakelijkheid (IVOR nr. 81) 2011/6.8.6.16
6.8.6.16 Vorderingsrechten op grond van artikel 7:800 lid 2 en 7:809 lid 3 Wetsvoorstel Titel 7.13
Documentgegevens:
mr.drs. I.S. Wuisman, datum 13-01-2011
- Datum
13-01-2011
- Auteur
mr.drs. I.S. Wuisman
- JCDI
JCDI:ADS395570:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Vgl: Bromberg, A.R. en L.E. Ribstein (2009), supra noot 290, § 4.05.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De aansprakelijkheid van vennoten uit hoofde van artikel 7:800 lid 2 Wetsvoorstel Titel 7.13 is een aansprakelijkheid jegens de medevennoten, en niet jegens de vennootschap of de schuldeisers van de vennootschap. Dit betekent dat een vennoot een medevennoot kan aanspreken bijvoorbeeld als ongeoorloofde uitkeringen worden gedaan die voornamelijk ten voordele van deze medevennoot zijn. Doordat bij de OVBA belangenconflicten tussen de vennoten kunnen ontstaan, omdat aansprakelijke vennoten juist willen dat er zoveel mogelijk vennootschapsvermogen aanwezig is (zodat schuldeisers zich daarop zouden kunnen verhalen), terwijl de niet-aansprakelijke vennoten juist gebaat zijn door uitkering van dit vermogen, zou de aansprakelijkheid van de vennoten onderling van pas kunnen komen. Bij deze onderlinge actie kan de beperkte aansprakelijkheid een belangrijke contextuele factor zijn waarmee een rechter rekening moet houden bij het bepalen van de reikwijdte van de plicht uit artikel 7:800 lid 2 Wetsvoorstel Titel 7.13.1 Schuldeisers worden door deze onderlinge actie echter niet beschermd, daarvoor is een vorderingsrecht van henzelf of van de vennootschap c.q. de curator (bij faillissement) nodig. Als het gaat om de besturende vennoten die het nemen van uitkeringsbesluiten tot hun (bestuurs)takenpakket zouden kunnen rekenen, zou de vennootschap of de curator wel een vorderingsbevoegdheid hebben, namelijk op grond van artikel 7:809 lid 3 Wetsvoorstel Titel 7.13. De schuldeisers worden dan indirect beschermd. Uit de vorige paragraaf bleek dat Titel 7.13 weinig mogelijkheden biedt om de vennoten in situatie drie aan te spreken. Hetzelfde geldt voor de ontvangers van de uitkeringen. De tweedeling tussen uitkeringen die wel of niet tot de bestuurstaak horen, de daarbij behorende (voor schuldeisers) ontbrekende vorderingsmogelijkheden, en de missende mogelijkheid van aansprakelijkheid van de vennoten in situatie drie, maakt het lastig om de bescherming van de schuldeisers voor ongeoorloofde uitkeringen enkel te baseren op al bestaande artikelen in Titel 7.13. De vennootschap en de curator hebben een beperkt vorderingsrecht, de schuldeisers hebben geen directe vorderingsbevoegdheid en er bestaat een situatie waarin de vennoten vrijuit zouden gaan. Welke andere mogelijkheden zouden er verder naast die van Titel 7.13, voor de curator openstaan? En zouden de individuele schuldeisers buiten Titel 7.13 zelf acties kunnen ondernemen?