Einde inhoudsopgave
De Europese Executoriale Titel (BPP nr. III) 2005/5.8
5.8 Het gedinginleidende stuk en de dagvaarding voor de terechtzitting
Mr. M. Zilinsky, datum 02-03-2005
- Datum
02-03-2005
- Auteur
Mr. M. Zilinsky
- JCDI
JCDI:ADS380657:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
HvJ EG 16 juni 1981, 166/80, Jur. 1981, p. 1593, NJ 1983 UCS), Klomps/Michel en HvJ EG 15 juli 1982, 228/81, Jur. 1982, p. 2723, NJ 1983, 782 (WHH), Pendy Plastic/Pluspunkt. Zie ook paragraaf 3.6.2.
Een uitzondering op dit systeem vormt het Oostenrijkse procesrecht. In Oostenrijk wordt de zaak met een 'Klage' bij het gerecht aangebracht dat voor betekening aan de wederpartij zorgt. Tegelijkertijd met de 'Klage' wordt aan de wederpartij ook de oproeping voor de 'Erste Tagsatzung' (eerste voorlopige terechtzitting) betekend. Het is de bedoeling dat op de 'Erste Tagsatzung' de wederpartij haar bezwaren tegen de vordering van de eiser bekendmaakt. Op basis van de uitkomst van deze zitting bepaalt de rechter het verdere verloop van de procedure.
De 'Haupttermin' is de mondelinge behandeling van de zaak (Stein/Jonas, Kommentar zur Zivilproze_ordnung, Band 3, §§ 253-299a (Leipold), 21. Auflage, Tübingen: J.C.B. Mohr (Paul Siebeck), 1996, § 272III).
Stein/Jonas (Leipold), § 27512).
Stein/Jonas (Leipold), § 276IV a en b. Het verzoek voor het wijzen van een verstekbeslissing kan reeds in de 'Klageschrift' worden opgenomen. Is dit niet het geval en wordt deze 'Klageschrift' pas in de procedure ingediend, dan moet dit alsnog, voordat gevonnist wordt, aan de wederpartij worden betekend.
Dit levert dan ook de opmerkelijke situatie op, dat de vordering naar nationaal recht betwist is er is immers een schriftelijk verweer tegen de 'Klage' gevoerd -, maar op basis van de EET-Verordening onbetwist is.
Zie hierover nader: paragraaf 3.6 tot en met 3.63.
Zie bijvoorbeeld ook het Italiaanse procesrecht waarin geldt dat in de 'cittazione' (dagvaarding) tevens de eerste dag van de terechtzitting op straffe van nietigheid vermeld moet worden (vgl. art. 163 Codice di Procedure civile).
De EET-Verordening maakt onderscheid tussen de betekening c.q. kennisgeving van het gedinginleidende stuk en van de dagvaarding voor een terechtzitting (resp. art. 13 lid 1 en lid 3 en art. 14 lid 1 aanhef). Een dergelijk onderscheid is mijns inziens gelet op de jurisprudentie van het HvJ EG over de term 'het stuk dat het geding inleidt' overbodig.1 Het Hof heeft onder de werking van het EEX-Verdrag bepaald dat het gedinginleidende stuk het stuk is dat de wederpartij op de hoogte brengt van de tegen haar gevoerde procedure en aldus in de gelegenheid stelt om haar verdediging voor te bereiden. Hieruit kan worden afgeleid dat een dagvaarding een gedinginleidend stuk is. Afhankelijk van het rechtssysteem van de aangezochte rechter zal deze dus bij de toetsing aan art. 5 rekening houden met het stuk dat in zijn rechtssysteem als het gedinginleidende stuk wordt aangemerkt.
Het door de verordening aangelegde onderscheid leidt tot een 'opeenstapeling' van de bescherming van de schuldenaar. Dit is met name het geval in een systeem waarbij de verweerder niet tegelijkertijd met het gedinginleidende stuk op de hoogte wordt gebracht van de datum van de terechtzitting. In dit systeem verloopt de oproeping van de verweerder via het gerecht. De eiser brengt de zaak aan bij een gerecht dat voor het doorsturen van het gedinginleidende stuk aan de wederpartij zorgt, niet nadat het gerecht de formaliteiten heeft getoetst. De wederpartij wordt verzocht om naar aanleiding van het gedinginleidende stuk haar bezwaren bekend te maken. Afhankelijk van de houding van de wederpartij bepaalt het gerecht dan of er een schriftelijke voorprocedure moet plaatsvinden, alvorens tot een mondelinge behandeling over te gaan. Zodra de rechter meent dat de zaak gereed is voor een mondelinge behandeling, dan wel indien hij daartoe door partijen wordt aangezocht, maakt hij de dag van de mondelinge behandeling bekend.2 Een voorbeeld moge dit duidelijk maken. In het Duitse procesrecht bestaat in de vermogensrechtelijke zaken die aan het 'Landgericht' worden voorgelegd, een onderscheid tussen de procedure van § 275 ZPO (de zgn. procedure van 'früher erste Termin') en die van § 276 ZPO (zgn. 'schriftliches Vorverfahren'). De keuze tussen deze twee procedures wordt door de aangezochte rechter onderzocht (§ 272 Abs. II ZPO). Hierbij is van belang dat het de bedoeling is dat de procedure op één 'Haupttermin'3 wordt afgerond. Afhankelijk van de vraag of de zaak voor een mondelinge behandeling gereed is, beslist de rechter of een schriftelijke voorfase nodig is. Wordt door de rechter voor de procedure van § 275 ZPO gekozen, dan wordt aan de wederpartij - de schuldenaar - een 'Ladung' voor een 'Haupttermin' tegelijkertijd met de 'Klageschrift' betekend (§ 274 Abs. II ZPO). Dit betekent dat de betekening van het gedinginleidende stuk, namelijk van de 'Klageschrift', en van de dagvaarding voor de terechtzitting, namelijk van de 'Ladung', tegelijkertijd plaatsvindt. De procedure van 'früher erste Termin' wordt voorafgaande aan de mondelinge behandeling ook schriftelijk gevoerd. Aan de wederpartij wordt in de 'Klageschrift' meegedeeld dat deze een schriftelijke 'Klageerwiderung' kan indienen. De door partijen ingediende schriftelijke stukken mogen slechts ter voorbereiding van de mondelinge behandeling dienen.4 Naar aanleiding van de 'Haupttermin' wordt door de rechter gevonnist.
De rechter kan echter een 'schriftliches Vorverfahren' boven de procedure van 'frher erste Termin' verkiezen. In een dergelijk geval wordt aan de wederpartij meegedeeld om binnen twee weken na de betekening van de 'Klageschrift' aan te geven of deze zich tegen de 'Klage' zal verweren. Binnen twee weken dient dan een 'schriftliche Klageerwiderung' te worden ingediend. Wordt door de wederpartij geen 'Klageerwiderung' ingediend, dan kan de rechter op verzoek van de eiser een verstekbeslissing ('Versl.imnisurteil') wijzen, mits aan alle vereisten daartoe is voldaan.5 Is het geschil tussen partijen in de schriftelijke (voor)procedure niet beslecht, dan bepaalt de rechter ambtshalve een 'Haupttermin'. Dit wordt aan de partijen met een 'Ladung' medegedeeld. De 'Haupttermin' blijft achterwege, indien het geschil na de schriftelijke fase is beslecht, bijvoorbeeld doordat de wederpartij zich niet heeft verweerd, hetgeen tot een verstekbeslissing heeft geleid. Eveneens vindt geen 'Haupttermin' plaats, indien de wederpartij de schuld heeft erkend, hetgeen tot een 'Anerkenntnisurteil' leidt. Komt een einde aan het geschil tussen partijen door een schikking in de loop van de schriftelijke voorfase, dan wordt geen 'Haupttermin' uitgeroepen. In de procedure van § 276 ZPO is dus wel degelijk een scheiding tussen het gedinginleidende stuk, namelijk de 'Klageschrift', en de dagvaarding voor de terechtzitting, namelijk de 'Ladung'. Verschijnt de wederpartij niet op de 'Haupttermin', terwijl er in de schriftelijke (voor)procedure wel een verweer werd gevoerd, en wordt vervolgens door de rechter een beslissing gewezen, dan is mijns inziens sprake van een niet-betwiste schuldvordering in de zin van art. 3 lid 1 sub c EET-Vo.6 Dit omdat de wederpartij de vordering aanvankelijk in de schriftelijke (voor)procedure wel heeft betwist, maar op de terechtzitting over de schuldvordering niet is verschenen. Wordt door de eiser in een dergelijk geval een EET-verlening verzocht, dan moet ingevolge art. 6 lid 1 sub c jo. art. 13 lid 1 jo. lid la EET-Vo niet alleen de 'Klageschrift' volgens de vormvoorschriften van de EET-Verordening aan de wederpartij zijn betekend, maar tevens de 'Ladung'. Dit heeft mijns inziens tot gevolg dat de wederpartij dubbel wordt beschermd. Door de dubbele bescherming wordt ervoor gezorgd dat de schuldenaar op de hoogte raakt van het feit dat een beslissing wordt gewezen die met een EET wordt gewaarmerkt, omdat tegen de EET-verlening in beginsel geen rechtsmiddel openstaat en derhalve de met een EET gewaarmerkte beslissing voor feitelijke executie vatbaar is. De dubbele bescherming betekent een achteruitgang ten opzichte van de EEX-Verordening en ook ten opzichte van het EEX-Verdrag. Onder art. 34 sub 2 EEX-Vo resp. art. 27 sub 2 EEX-Verdrag vindt slechts onderzoek plaats naar de betekening van het gedinginleidende stuk, dat wil zeggen naar de betekening van de 'Klageschrift' die door het gerecht aan de wederpartij wordt gestuurd. Voor het beantwoorden van de vraag of de betekening van het gedinginleidende stuk tijdig en regelmatig is geschied, is de betekening van de 'Ladung' niet van belang. Het gaat immers om het stuk dat de wederpartij op de hoogte brengt van het feit dat er een procedure tegen haar wordt gevoerd en deze partij in de gelegenheid stelt de verdediging voor te bereiden.7
Het onderscheid tussen het gedinginleidende stuk en de dagvaarding heeft geen gevolg voor de rechtsstelsels waarin in het gedinginleidende stuk dat aan de wederpartij wordt betekend, reeds een datum voor de eerste terechtzitting wordt bekendgemaakt. In Nederland wordt de procedure bij de burgerlijke rechter door een dagvaarding dan wel door een verzoekschrift ingeleid.8 Ingevolge art. 111 lid 2 sub f Rv moet het exploot van de dagvaarding onder andere ook de roldatum vermelden waartegen wordt gedagvaard en indien alsdan de terechtzitting plaatsvindt, het uur daarvan. Wordt dit voorschrift niet in acht genomen, dan is de dagvaarding op grond van art. 120 lid 1 Rv nietig.9 Wat het verzoekschrift betreft, bepaalt art. 279 lid 1 Rv dat de rechter die zich aanstonds niet onbevoegd verklaart dan wel het verzoek toewijst, onverwijld dag en uur van de behandeling bepaalt. De rechter beveelt dan de oproeping van de verzoeker en voorzover nodig ook van de in het verzoekschrift genoemde belanghebbende. De oproeping van de belanghebbende wordt ingevolge art. 279 lid 2 Rv vergezeld van een afschrift van het verzoekschrift.