RvdW 2024/464:Herziening. Opzettelijk aanwezig hebben van 128 hennepplanten in door verdachte gehuurde woning, art. 3 onder C Opiumwet. Aangevoerd wordt dat hof aanvrager zou hebben vrijgesproken als het bekend was geweest met verklaring die partner van aanvrager als getuige op tz. van hof heeft afgelegd in met deze strafzaak samenhangende ontnemingszaak. Art. 457 lid 1 onder c Sv. HR: Op gronden vermeld in CAG moet het in aanvraag aangevoerde worden aangemerkt als gegeven a.b.i. art. 457 lid 1 sub c Sv. CAG: Standpunt in aanvraag dat ernstig vermoeden is ontstaan dat onderzoek van zaak tot vrijspraak van aanvrager had geleid indien hof destijds bekend was geweest met getuigenverklaring van zijn partner is in dit specifieke geval overtuigend. Daarbij wordt i.h.b. in aanmerking genomen overwegingen van hof zelf in laatst behandelde ontnemingszaak, waarin hof n.a.v. getuigenverklaring in zoveel woorden heeft meegewogen dat aanvrager destijds in andere woning verbleef, ernstig ziek was en constant hulp en steun behoefde. HR verklaart aanvraag gegrond en verwijst zaak naar hof. Vervolg op RvdW 2022/380 (strafzaak).