Einde inhoudsopgave
RvdW 2024/461
Valsheid in geschrift (art. 225 lid 1 Sr). 1. Voorwaardelijke verzoeken i.v.m. intern fraudeonderzoek, art. 315 jo. 328 Sv. Heeft hof verzuimd te beslissen op twee ttz. in hoger beroep gedane en op nadere tz. in h.b. gehandhaafde voorwaardelijke verzoeken tot nader onderzoek naar e-mailbericht en tot horen van getuige? 2. Maximale duur van gijzeling bij schadevergoedingsmaatregel, art. 36f Sr. Ad 1. Verzoek a.b.i. art. 328 jo. art. 415 Sv om toepassing te geven aan art. 315 Sv moet stellig, duidelijk en (voldoende) onderbouwd zijn. Hof heeft kennelijk geoordeeld dat eerste voorwaardelijke verzoek om politie bij bedrijf A onderzoek te laten doen naar ‘eventuele valsheid’ van e-mailbericht niet voldoet aan die eisen. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk, in aanmerking genomen dat hof heeft overwogen dat rekeningnummer van verdachte niet (ook) rekeningnummer van bedrijf waar verdachte werkzaam is (B) kan zijn en dat uit onderzoek van IT-afdelingen van zowel A als B blijkt dat in desbetreffende periode geen e-mailwisseling heeft plaatsgevonden tussen verdachte en A. Hof heeft verder kennelijk geoordeeld dat tweede voorwaardelijke verzoek om politie onderzoek te laten doen naar ‘eventuele financiële misstanden binnen bedrijf B’, welk verzoek ttz. in h.b. is toegespitst op laten horen van getuige over die ‘eventuele misstanden’, evenmin voldoet aan hiervoor genoemde vereisten. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk, in aanmerking genomen dat verzoek niet inhield op welke ‘eventuele misstanden’ dit onderzoek zich zou moeten richten en op grond waarvan onderzoek naar die eventuele misstanden van belang is voor enige in strafzaak o.g.v. art. 348 en 350 Sv te nemen beslissing. Ad 2. HR ambtshalve: Duur van gijzeling beloopt ten hoogste 1 jaar, waarbij in deze zaak geldt dat onder 1 jaar 360 dagen moet worden verstaan (vgl. RvdW 2021/621). HR bepaalt dat met toepassing van art. 6:4:20 Sv gijzeling van 360 dagen kan worden toegepast. Volgt verwerping.
HR 09-04-2024, ECLI:NL:HR:2024:551
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
9 april 2024
- Magistraten
Mrs. V. van den Brink, Y. Buruma, A.E.M. Röttgering
- Zaaknummer
22/01766
- Conclusie
plv. A-G mr. M.E. van Wees
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- Vakgebied(en)
Materieel strafrecht / Delicten Wetboek van Strafrecht
Materieel strafrecht / Sancties
Strafprocesrecht / Tenuitvoerlegging
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
- Brondocumenten
ECLI:NL:HR:2024:551, Uitspraak, Hoge Raad, 09‑04‑2024
ECLI:NL:PHR:2024:148, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 13‑02‑2024
Essentie
Valsheid in geschrift (art. 225 lid 1 Sr). 1. Voorwaardelijke verzoeken i.v.m. intern fraudeonderzoek, art. 315 jo. 328 Sv. Heeft hof verzuimd te beslissen op twee ttz. in hoger beroep gedane en op nadere tz. in h.b. gehandhaafde voorwaardelijke verzoeken tot nader onderzoek naar e-mailbericht en tot horen van getuige? 2. Maximale duur van gijzeling bij schadevergoedingsmaatregel, art. 36f Sr. Ad 1. Verzoek a.b.i. art. 328 jo. art. 415 Sv om toepassing te geven aan art. 315 Sv moet stellig, duidelijk en (voldoende) onderbouwd zijn. ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.