Einde inhoudsopgave
Naar een Nederlandse political question-doctrine? (SteR nr. 50) 2020/5.2.3.7
5.2.3.7 De verkiezing en bestraffing van volksvertegenwoordigers
mr. drs. R. van der Hulle, datum 01-08-2020
- Datum
01-08-2020
- Auteur
mr. drs. R. van der Hulle
- JCDI
JCDI:ADS233633:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht / Rechtspraak
Voetnoten
Voetnoten
U.S. Supreme Court 16 juni 1969, 395 U.S. 486 (Powell v. McCormack), 508: ‘The Speaker ruled that the House was voting to exclude Powell, and we will not speculate what the result might have been if Powell had been seated and expulsion proceedings subsequently instituted.’ Zie paragraaf 3.5.2.
U.S. Supreme Court 23 februari 1972, 405 U.S. 15 (Roudebush v. Hartke), 19: ‘Which candidate is entitled to be seated in the Senate is, to be sure, a nonjusticiable political question – a question that would not have been the business of this Court even before the Senate acted.’ Anders: Van der Vught 2015, p. 59-60.
Een ander voorbeeld van political questions betreft de verkiezing en bestraffing van leden van het federale Huis van Afgevaardigden en de federale Senaat. In de zaak Powell v. McCormack moest het Hof zich uitspreken over de beslissing van de voorzitter van de Senaat om een gekozen volksvertegenwoordiger die aan de voorwaarden voor toelating voldeed de toegang tot de Senaat of het Huis te ontzeggen (‘exclusion’). Het Hof oordeelde dat deze beslissing niet als een political question heeft te gelden, maar liet daarbij uitdrukkelijk in het midden of de beslissing om een gekozen en eenmaal toegelaten lid als sanctie uit zijn functie te zetten (‘expulsion’) als zodanig heeft te gelden.1 Daarmee impliceerde het Hof dat een beslissing met die strekking wel een political question zou kunnen zijn. In de zaak Roudebush v. Hartke liet het doorschemeren dat hetzelfde geldt voor de beoordeling van de verkiezingsuitslag voor een zetel in het Huis of de Senaat.2