Einde inhoudsopgave
Het algemene opschortingsrecht (R&P nr. CA27) 2024/3.4.3
3.4.3 Opeisbaarheid in artikel 6:52 lid 1 BW
G.J. Boeve, datum 01-02-2024
- Datum
01-02-2024
- Auteur
G.J. Boeve
- JCDI
JCDI:ADS950376:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Aldus ook Wolters, Opschortingsrechten (Mon. BW nr. B32b) 2022/23; Asser/Sieburgh 6-III 2022/716; Asser/Sieburgh 6-I 2020/272; Fesevur, Voorrechten en retentierecht (Mon. BW nr. B13) 2017/15 onderdeel a; Linssen 1993, p. 170-171 en Streefkerk, Opschortingsrechten (Mon. BW nr. B32b) 1992, p. 59. Zie bijv. Rb. Den Haag 31 augustus 2022, ECLI:NL:RBDHA:2022:8343, r.o. 4.9 (“Omdat [eisers] de factuur nog niet hoefde te betalen, heeft Witsenburg Bouw B.V. het werk zonder gerechtvaardigde reden opgeschort.”).
Zie hierover Asser/Sieburgh 6-I 2020/240 met verdere verwijzingen naar onder andere de parlementaire geschiedenis.
Parl. Gesch. BW Boek 6, p. 170.
Parl. Gesch. BW Boek 6, p. 171.
Zie ook Asser/Sieburgh 6-I 2020/240. Zie voor een wettelijke termijn bijv. art. 7:26 lid 2 BW: “De betaling moet geschieden ten tijde en ter plaatse van de aflevering.” (cursivering GJB).
Parl. Gesch. BW Boek 6 p. 171. Aldus ook HR 12 november 1999, ECLI:NL:HR:1999:AA3369, NJ 2000/67 (Visser/Kroon), r.o. 3.4.2.
Zie over de ‘opschortende tijdsbepaling’ Asser/Sieburgh 6-I 2020/241.
Zie bijv. 7:411 lid 1 BW: “Indien de overeenkomst eindigt voordat de opdracht is volbracht of de tijd waarvoor zij is verleend, is verstreken, en de verschuldigdheid van loon afhankelijk is van de volbrenging of van het verstrijken van die tijd, heeft de opdrachtnemer recht op een naar redelijkheid vast te stellen deel van het loon.” (cursivering GJB).
Zie bijv. HR 2 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2729, NJ 2017/19, m.nt. F.M.J. Verstijlen (Krom/Van Logtestijn), r.o. 3.6.4 (“Het enkele feit dat de overeenkomst inhoudt dat de tegenprestatie voor een prestatie eerst verschuldigd wordt na voltooiing van die prestatie, sluit echter een vordering uit ongerechtvaardigde verrijking niet uit. Dat is slechts anders indien de overeenkomst niet slechts ertoe strekt het tijdstip van opeisbaarheid van de tegenprestatie te regelen, maar (ook) ertoe strekt dat bij het niet volledig voltooid zijn van de desbetreffende prestatie geen vergoeding door de wederpartij verschuldigd is.”).
Aldus ook Wolters, Alle omstandigheden van het geval (O&R nr. 77) 2013, p. 75-77. Zie bijv. Rb. Rotterdam (vzr.) 9 juni 2022, ECLI:NL:RBROT:2022:4710, r.o. 4.5-4.6.
Vgl. in dat kader ook de hierna behandelde uitzondering van een verjaarde vordering van de schuldenaar (§ 3.5.1). Art. 6:56 BW bepaalt dat een bevoegdheid tot opschorting ook na verjaring van de rechtsvordering op de schuldeiser in stand blijft. Een dergelijke bepaling ware overbodig als een rechtsvordering niet vereist zou zijn voor ‘een opeisbare vordering’. Vgl. MüKoBGB/Krüger2022 BGB § 273 Rn. 30-31.
Vgl. i.v.m. verjaring Asser/Sieburgh 6-II 2021/387. Met een ‘rechtsvordering’ doel ik op de bevoegdheid het relatieve vermogensrecht – het vorderingsrecht – geldend te maken (over dit onderscheid Groeneveld-Tijssens, De verklaring voor recht (BPP nr. XVIII) 2015/11 en Snijders 1994, p. 5-6). Zie over het onderscheid tussen een subjectief recht, vorderingsrecht en rechtsvordering in de zin van het burgerlijk procesrecht o.a. Snijders, Klaassen, Krans & Meijer 2022/4; Hugenholtz/Heemskerk 2021/6 en Rueb, Gras, Hendrikse & Jongbloed2021/1.5.
Zie uitvoerig Asser/Houben & Van Schaick 7-VIII 2023/289.
Zie bijv. Hof Den Haag 22 november 2022, ECLI:NL:GHDHA:2022:2332, r.o. 6.47 (“Utilize moest zelf eerst presteren. Zij had dus geen opschortingsrecht.”). Vgl. Vermeij 2022, p. 778. Vgl. ook Hof Arnhem-Leeuwarden 17 september 2019, ECLI:NL:GHARL:2019:7567, r.o. 5.5 en Rb. Midden-Nederland 19 september 2022, ECLI:NL:RBMNE:2022:3724, r.o. 4.4.
Hof Amsterdam 20 september 2022, ECLI:NL:GHAMS:2022:2712, r.o. 3.9.
Hof Arnhem-Leeuwarden 14 december 2021, ECLI:NL:GHARL:2021:11398, r.o. 3.6.
Hof Arnhem-Leeuwarden 25 april 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:3545, r.o. 4.2; Hof ’s-Hertogenbosch 5 juli 2022, ECLI:NL:GHSHE:2022:2189, r.o. 7.27 en Rb. Rotterdam 8 april 2022, ECLI:NL:RBROT:2022:2643, r.o. 4.3-4.4. Zie ook § 3.6.2.
Rb. Gelderland 21 juli 2021, ECLI:NL:RBGEL:2021:3943, r.o. 4.23, waarin de rechtbank oordeelde dat aan het vereiste van een opeisbare vordering in de zin van art. 6:52 lid 1 BW was voldaan, omdat de betaaltermijn van bepaalde facturen was verstreken.
Zie bijv. Rb. Amsterdam 28 december 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:7547, r.o. 4.6. In een geval waarin partijen het er wel over eens waren dat zij nog een tijdstip voor de levering van onroerend goed dienden overeen te komen, maar dit tijdstip nog niet hadden bepaald, oordeelde de rechtbank eveneens dat de schuldenaar geen beroep op opschorting toekwam, omdat de vordering nog niet opeisbaar was (Rb. Limburg 16 oktober 2019, ECLI:NL:RBLIM:2019:9165, r.o. 2.31).
Zie § 2.5.4. Zie ook concl. A-G T. Hartlief 7 september 2018, ECLI:NL:PHR:2018:1023, par. 3.12 (“In geval van een nog niet opeisbare vordering, is van een af te dwingen verplichting tot nakoming geen sprake, zodat niet aan opschorting (in de zin van art. 6:52 en art. 6:262 BW) wordt toegekomen.”).
De vordering van de schuldenaar op zijn wederpartij dient op grond van artikel 6:52 lid 1 BW tevens opeisbaar te zijn. Zonder opeisbare vordering heeft de schuldenaar geen opschortingsrecht.1 De wederpartij handelt immers niet zonder meer in strijd met de redelijkheid en billijkheid door nakoming te verlangen zonder nakoming van haar verbintenis aan te bieden, als zij die, vanwege de niet-opeisbaarheid daarvan, nog niet behoeft na te komen. De term ‘opeisbaar’ heeft verschillende betekenissen. In de algemene opschortingsregeling noch de daarbij behorende parlementaire geschiedenis wordt toegelicht wat met ‘opeisbaar’ in artikel 6:52 lid 1 BW wordt bedoeld. Hierna passeren in meer algemene zin een beperktere en ruimere opvatting van dit begrip, waarna ik terugkeer naar dit begrip in verband met het algemene opschortingsrecht.
In een beperktere opvatting is een niet-opeisbare verbintenis een verbintenis onder opschortende tijdsbepaling en een opeisbare verbintenis een verbintenis zonder opschortende tijdsbepaling.2 Dit onderscheid is te herleiden tot de wet. Artikel 6:38 BW bepaalt dat indien geen tijd voor nakoming is bepaald, de verbintenis terstond kan worden nagekomen en terstond nakoming kan worden gevorderd. Zonder tijdsbepaling voor de nakoming is de verbintenis direct opeisbaar. Dit opeisbaarheidsmoment volgt uit het begrip ‘terstond’.3 Wat ‘terstond’ in het concrete geval betekent, is tevens afhankelijk van de werking van de maatstaven van redelijkheid en billijkheid als bedoeld in artikel 6:2 BW, omdat ‘aan de schuldenaar (…) naar het beginsel van goede trouw zoveel tijd [moet] worden gelaten als hij redelijkerwijs voor het verrichten van zijn prestatie nodig heeft’.4 Het begrip ‘terstond’ drukt ook uit dat geen van de partijen aanspraak kan maken op uitstel van het verrichten of ontvangen van de prestatie en dat geen van de partijen de nakoming mag beletten.5
Van een verbintenis kan niet terstond nakoming worden gevorderd als een termijn voor nakoming is bepaald. Een dergelijke termijn kan voortvloeien uit de wet, een rechtshandeling, de werking van de maatstaven van redelijkheid en billijkheid of de gewoonte.6 Voor de vraag of een termijn voor nakoming is bepaald, is een ‘uitdrukkelijk beding’ niet nodig. Met ‘bepaald’ wordt ook gedoeld op ‘de aanvullende bronnen voor de vaststelling van de inhoud van een overeenkomst’ als bedoeld in artikel 6:248 lid 1 BW.7 Wanneer een termijn voor nakoming is bepaald, betreft het een ‘verbintenis onder opschortende tijdsbepaling’. Deze verbintenis is nog niet opeisbaar in de beperktere opvatting van dit begrip. Tot het aanbreken van het bepaalde moment, behoeft de verbintenis nog niet te worden nagekomen.8 De schuldenaar is echter wel tot nakoming gehouden. Artikel 6:39 lid 1 BW bepaalt dat indien wel een termijn voor nakoming is bepaald, vermoed wordt dat dit dan slechts belet dat eerdere nakoming wordt gevorderd. Evenwel geldt betaling voor de vervaldag niet als onverschuldigd (art. 6:39 lid 2 BW).9
In een ruimere betekenis houdt het opeisbaarheidsbegrip niet alleen de verbintenis onder of zonder opschortende tijdsbepaling in, maar bijvoorbeeld ook een verbintenis die pas behoeft te worden nagekomen als de schuldeiser aan zijn verplichting jegens zijn schuldenaar heeft voldaan.10 Ook van deze voorwaarde geldt dat die kan voortvloeien uit de wet,11 een rechtshandeling,12 de werking van de maatstaven van redelijkheid en billijkheid, waarop het gebruik van invloed kan zijn,13 of de gewoonte.
Aan ‘opeisbaar’ in artikel 6:52 lid 1 BW wordt een ruime betekenis toegekend.14 Bij de beoordeling van de opeisbaarheid van de vordering van de schuldenaar gaat het eerst om de vraag of de schuldenaar een vorderingsrecht met rechtsvordering heeft.15 Zonder rechtsvordering heeft de schuldenaar niet het recht nakoming te vorderen.16 Dat geldt bijvoorbeeld voor natuurlijke verbintenissen in de zin van artikel 6:3 BW.17 Een ander voorbeeld van een vorderingsrecht zonder rechtsvordering op grond van de wet is een vordering die voortvloeit uit een spel of een weddenschap. Artikel 7A:1825 BW maakt dit onderscheid tussen het vorderingsrecht en de rechtsvordering door te bepalen dat ‘de wet geene regtsvordering toestaat, ter zake van eene schuld uit spel of uit weddingschap voortgesproten’.18 Ten tweede is het bij de opeisbaarheid van de vordering de vraag of de – voor zover daarvan sprake is – voorwaarde voor nakoming van deze vordering van de schuldenaar is vervuld (behoudens de ‘anticipatory breach’).19 Deze voorwaarde kan de vervulling van een verplichting door de schuldenaar zijn. De schuldenaar zal dan eerst zelf moeten presteren.20 Het kan dan bijvoorbeeld gaan om een afspraak dat de schuldenaar eerst een eerdere aflevering dient te betalen.21 Of dat de schuldenaar eerst bepaalde onderdelen dient te leveren.22 Het kan bijvoorbeeld ook gaan om het geval waarin de aannemer zijn verbintenis tot realisering van het werk niet mag opschorten in verband met zijn vordering op zijn opdrachtgever tot betaling van dit werk, omdat deze vordering pas opeisbaar wordt als de aannemer eerst het werk heeft gerealiseerd.23 De voorwaarde voor opeisbaarheid van de vordering van de schuldenaar als bedoeld in artikel 6:52 lid 1 BW kan ook een tijdsbepaling zijn, bijvoorbeeld een tussen partijen overeengekomen betaaltermijn voor de betaling van facturen.24 De schuldenaar is dan niet bevoegd de nakoming van zijn verbintenis op te schorten in verband met zijn vordering tot betaling op zijn wederpartij, omdat deze vordering vanwege de niet vervulde tijdsbepaling nog niet opeisbaar is.25 Als de betalingstermijn is verstreken, is de vordering opeisbaar en kan de schuldenaar een opschortingsrecht hebben.
Het strookt met de functie van het algemene opschortingsrecht als pressiemiddel tot nakoming dat zonder opeisbare vordering niet aan een opschortingsrecht wordt toegekomen.26 De schuldenaar beoogt door opschorting onder andere zijn wederpartij tot nakoming van zijn vordering te dwingen. Van een niet-opeisbare vordering kan de schuldenaar geen nakoming afdwingen.27 Daarom valt niet zonder meer in te zien waarom hij dan wel bevoegd zou zijn door middel van de uitoefening van een opschortingsrecht zijn wederpartij tot nakoming te dwingen.