Groepsregime, jaarrekening en 403-aansprakelijkheid
Einde inhoudsopgave
Groepsregime, jaarrekening en 403-aansprakelijkheid (IVOR nr. 116) 2019/9.2.2:9.2.2 Verhouding tot de schuldeisers van de 403-rechtspersoon
Groepsregime, jaarrekening en 403-aansprakelijkheid (IVOR nr. 116) 2019/9.2.2
9.2.2 Verhouding tot de schuldeisers van de 403-rechtspersoon
Documentgegevens:
mr. drs. E.C.A. Nass, datum 01-08-2019
- Datum
01-08-2019
- Auteur
mr. drs. E.C.A. Nass
- JCDI
JCDI:ADS85589:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Jaarrekeningenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Rechtbank Rotterdam 24 december 2013, ECLI:NL:RBROT:2013:10454, r.o. 4.2,Ondernemingsrecht 2014/31, m.nt. Beckman (Vodafone/KPN).
De annotator merkt op dat het erop lijkt dat de inmiddels ruime rechtspraak op het gebied van art. 2:403 BW aan partijen/voorzieningenrechter voorbij is gegaan.
Rechtbank Gelderland (vzr) 19 juli 2017, ECLI:NL:RBGEL:2017:4157, r.o. 4.8.
Beckman 1995 (diss.), p. 472.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De terminologie die onze wetgever in art. 2:403 lid 1 onder f BW heeft gekozen – ‘(…) hoofdelijk aansprakelijk (…) voor (…) schulden’ – is wat ongelukkig. Op basis van die tekst kan de indruk bestaan dat de 403-aansprakelijke maatschappij enkel verhaalsaansprakelijk is. In dat geval zou een schuldeiser de 403-aansprakelijke maatschappij niet kunnen aanspreken tot nakoming van de verplichtingen die voortvloeien uit de door de 403-rechtspersoon aangegane rechtshandelingen, maar alleen verhaal kunnen nemen op het vermogen van de 403-aansprakelijke maatschappij voor de nadelige gevolge van het niet-nakomen door de 403-rechtspersoon. Daar blijkens de parlementaire geschiedenis beoogd is te bepalen dat de 403-aansprakelijke maatschappij zich door de 403- verklaring hoofdelijk verbindt voor de nakoming van de uit de rechtshandelingen van de 403-rechtspersoon voortkomende verbintenissen, in die zin dat als die verbintenissen er zijn, de betrokken schuldeisers van de 403-rechtspersoon zich voor nakoming van die verbintenissen ook tot de 403-aansprakelijke maatschappij kunnen wenden. Het kan gaan om betaling van een geldsom, maar evengoed om het leveren van een goed of het verrichten van een dienst. Ook kan ten opzichte van de schuldeiser zijn overeengekomen dat de 403- rechtspersoon (persoonlijk) gehouden is tot nakoming van de verbintenis uit hoofde van de rechtshandeling en de 403-aansprakelijke maatschappij (enkel) tot betaling van een geldsom. Onjuist is evenwel wat de voorzieningenrechter rechtbank Rotterdam1 overwoog over de 403-aansprakelijke maatschappij: dat deze geen partij is bij de raamovereenkomsten en derhalve niet rechtstreeks jegens de …. (schuldeiser van de 403-rechtspersoon) aansprakelijk is voor de nakoming van de uit die overeenkomsten voortvloeiende verplichtingen van de …. (403-rechtspersoon) en dat de 403-verklaring dit niet anders maakt nu die slechts ziet op de aansprakelijkstelling van de …. (403-aansprakelijke maatschappij) en uit de verklaring geenszins kan worden afgeleid dat de …. (403- aansprakelijke maatschappij) de aansprakelijkheid van alle verbintenissen op zich neemt.2 Een soortgelijk onjuist oordeel blijkt uit een vonnis van de rechtbank Gelderland3 waarin is overwogen dat voor een veroordeling van de desbetreffende 403-aansprakelijke maatschappij tot nakoming in verband met een afvalverwerkingsovereenkomst geen grond is, omdat ‘(de 403-aansprakelijke maatschappij) zich (…) alleen hoofdelijk aansprakelijk heeft gesteld voor schulden van (de 403-rechtspersoon), en niet zonder meer ook voor de nakoming door (de 403-rechtspersoon) van primaire verplichtingen’. De rechtbank noemt als tweede argument voor de afwijzing van de 403-vordering: ‘(de 403-aansprakelijke maatschappij) (heeft) onbetwist (…) aangevoerd dat zij een holding is en geen afvalverwerkingsactiviteiten ontplooit en dat zij dus niet in staat is de overeenkomst met (de schuldeiser van de 403-rechtspersoon) na te komen’.
Evenals Beckman4 meen ik dat de onduidelijkheid in de wettekst die leidt tot voornoemde onjuiste uitleg zou zijn voorkomen wanneer de wetgever de tekst van art. 2:403 BW had laten aansluiten bij de terminologie van Afdeling 2 van Titel 1 Boek 6 BW en te kiezen voor de term verbintenis. Wanneer in de tekst zou zijn opgenomen dat hoofdelijkheid is vereist voor verbintenissen waartoe de 403-rechtspersoon zich heeft verbonden, kan er geen twijfel over bestaan dat de 403-aansprakelijke maatschappij die hoofdelijkheid aanvaardt, door een schuldeiser kan worden aangesproken tot nakoming dan wel, indien dat niet aan de orde is, tot (aanvullende of vervangende) schadevergoeding.