Einde inhoudsopgave
Naar een Nederlandse political question-doctrine? (SteR nr. 50) 2020/4.2.6.2
4.2.6.2 Oordeel van de rechter in eerste aanleg
mr. drs. R. van der Hulle, datum 01-08-2020
- Datum
01-08-2020
- Auteur
mr. drs. R. van der Hulle
- JCDI
JCDI:ADS233785:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht / Rechtspraak
Voetnoten
Voetnoten
In U.S. District Court (Southern District of Mississippi) 30 augustus 2007, WestLaw 6942285 (Comer v. Murphy Oil USA), volstond de rechter in eerste aanleg met een verwijzing naar de mondelinge behandeling. In de twee andere zaken volgde wel een uitgewerkt oordeel. Zie U.S. District Court (Southern District of New York) 22 september 2005, 406 F.Supp.2d 265 (Connecticut v. American Electric Power) en U.S. District Court (Northern District of California) 17 september 2007, WestLaw 2726871 (California v. General Motors).
U.S. District Court (Southern District of New York) 22 september 2005, 406 F.Supp.2d 265 (Connecticut v. American Electric Power), 274. Zie in dezelfde zin U.S. District Court (Northern District of California) 17 september 2007, WestLaw 2726871 (California v. General Motors), p. 13: ‘[T]he Court find[s] that it cannot adjudicate Plaintiff's federal common law global warming nuisance tort claim without making an initial policy determination of a kind clearly for nonjudicial discretion.’
U.S. District Court (Northern District of California) 17 september 2007, WestLaw 2726871 (California v. General Motors), p. 13-14: ‘[T]he Court finds that Plaintiff's federal common law global warming nuisance tort would have an inextricable effect on interstate commerce and foreign policy – issues constitutionally committed to the political branches of government.’
Idem, p. 15.
De rechter in eerste aanleg viel ook in deze zaken op de political question-doctrine terug.1 De derde Baker-factor achtte hij daartoe doorslaggevend. Meer in het bijzonder meende hij dat deze zaken hem zouden dwingen om zich uit te spreken over de vraag of klimaatbeleid in de vorm van strengere emissiegrenswaarden voor broeikasgassen moet worden vastgesteld en, zo ja, tot het nemen van beleidsbeslissingen met een politiek karakter. Daarbij benadrukte hij dat de vormgeving van het klimaatbeleid een afweging vergt van uiteenlopende belangen. Deze belangenafweging heeft eerst en vooral een politiek karakter en moet daarom worden geacht aan de andere staatsmachten te zijn voorbehouden:
‘Because resolution of the issues presented here requires identification and balancing of economic, environmental, foreign policy, and national security interests, an initial policy determination of a kind clearly for non-judicial discretion is required.’2
De rechter in eerste aanleg achtte ook de eerste twee Baker-factoren relevant. Volgens hem raakt het klimaatbeleid niet alleen aan het buitenlands beleid, maar ook aan de handel tussen de afzonderlijke deelstaten. De Amerikaanse Grondwet kent aan de President en het Congres de bevoegdheid toe om het op deze terreinen te voeren beleid vorm te geven.3 Ook ontbrak het volgens deze rechter aan concrete en bruikbare rechtsnormen. Meer in het bijzonder was het in zijn ogen onduidelijk wanneer de uitstoot van broeikasgassen een zodanige omvang heeft bereikt, dat zij onrechtmatig moet worden geacht. Dit omslagpunt tussen het rechtmatig en onrechtmatig uitstoten van broeikasgassen was volgens de rechter in eerste aanleg op basis van het huidige recht niet vast te stellen:
‘The Court is left without guidance in determining what is an unreasonable contribution to the sum of carbon dioxide in the Earth’s atmosphere, or in determining who should bear the costs associated with the global climate change that admittedly result from multiple sources around the globe. Plaintiff has failed to provide convincing legal authority to support its proposition that the legal framework for assessing global warming nuisance damages is well-established.’4
Door terug te vallen op de political question-doctrine kwam de rechter in eerste aanleg niet toe aan een inhoudelijke beantwoording van de vraag of de exploitanten van kolencentrales, energiebedrijven en autofabrikanten aansprakelijk konden worden gesteld voor hun bijdrage aan de uitstoot van broeikasgassen en de negatieve gevolgen van klimaatverandering.